3 januari
41. DE PROFETIE VAN SIMEON
-De
heilige Familie in de tempel. De ontmoeting met Simeon. Onze ontmoeting met
Jezus. -Maria, Medeverlosseres met Christus. De betekenis van het lijden. -De
heilige Maagd onderricht ons tot medeverlossen. Lijden en tegenslagen offeren.
Eerherstel. Apostolaat onder de mensen om ons heen.
41.1 Toen de
tijd van haar zuivering voor Maria was aangebroken, ging de heilige Familie
opnieuw naar Jeruzalem om twee voorschriften van de Wet van Mozes na te komen:
de zuivering van de
moeder en de opdracht en vrijkoping van de eerstgeborene.1
Strikt genomen waren deze
wetten niet op Maria en Jezus van toepassing. Het Kind immers had de
maagdelijke schoot niet geopend. Bovendien is Hij God. Maria echter wilde de
wet vervullen. In die zin gedroeg zij zich als elke brave joodse vrouw uit haar
tijd. «Maria -zegt de heilige Thomas- werd gezuiverd om een voorbeeld van
gehoorzaamheid en nederigheid te geven.»2
De heilige Maagd vervoegde
zich, met Jozef aan haar zijde en Jezus in haar armen dragend, bij de tempel,
in niets onderscheiden van de andere vrouwen. Jezus werd aan zijn Vader
geofferd in de handen van Maria. Nooit was er een dergelijk offer in die tempel
gebracht en het zou er ook nimmer meer opgedragen worden. Het volgende offer
voltrok Christus zelf, buiten de stad, op Golgotha. En nu, vele malen per dag,
wordt Jezus in de heilige Mis geofferd aan de Allerheiligste Drieëenheid als een
offer van onschatbare waarde.
Maria en Jozef offeren het
Kind aan God en kopen het terug, waardoor zij Het opnieuw ontvangen. De ouders
betalen voor het offer als armen. Zij konden zich alleen maar het laagste
tarief veroorloven: een koppel tortels. De heilige Maagd onderging de
zuiveringsriten. Toen zij bij de ingang van de tempel kwamen, voegde zich een
grijsaard bij hen, Simeon, een wetsgetrouw en vroom man, die Israëls
vertroosting verwachtte, en de heilige Geest rustte op hem.3 Door de Geest
gedreven was hij naar de tempel gekomen.4 Hij
nam het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de
woorden: Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen
hebben thans uw Heil aanschouwd, dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht
dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.5
Maria en Jozef waren
verbaasd over de dingen die over Jezus gezegd werden. Deze oude man was de
gunst verleend de komst van de Messias te herkennen, toen die nog voor de
wereld verborgen was. Heel zijn bestaan was niets anders geweest dan een vurige
verwachting van Jezus. Nu achtte hij de vervulling van zijn leven gekomen: Nunc
dimittis servum tuum, Domine... Laat nu, Heer, uw dienaar gaan in vrede...
Simeon meent, dat er nu niets meer aan zijn leven toegevoegd zou kunnen worden:
hij heeft de komst van de Messias, de Redder van de wereld, aanschouwd. Deze
ontmoeting was het enige, dat echt telde in zijn leven. Hij had geleefd voor
dit ogenblik. Voor hem telde niet het zien van alleen maar een klein kind dat
door een paar jonge ouders naar de tempel gebracht werd om aan het voorschrift
van de Wet te voldoen, zoals tientallen andere gezinnen. Hij wist, dat dit Kind
de Zaligmaker was: mijn ogen hebben uw Heiland aanschouwd. Meer hoeft
niet, nu kan hij in vrede sterven. De grijsaard zal deze gebeurtenis wel niet
veel dagen overleefd hebben.
Wij kunnen onmogelijk
vergeten, dat wij met deze zelfde Heiland, het
licht dat voor de heidenen straalt en een glorie voor Israël,
niet slechts één keer, maar heel vaak een ontmoeting hebben. Wij hebben Hem
misschien in de loop van ons leven wel duizenden keren ontvangen in de heilige
communie. Intiemer en intenser ontmoetingen dan die van Simeon. Wij betreuren nu de keren waarbij wij met minder devotie
communiceerden. Laten wij het voornemen maken dat de volgende ontmoeting met
Christus in de communie minstens als die van Simeon zal zijn: vol geloof, hoop
en liefde. Na elke communie, die uniek en onherhaalbaar is, kunnen ook wij
zeggen: mijn ogen hebben de Heiland aanschouwd.
41.2
Gedreven door de Heilige Geest wendt de oude Simeon zich, na de jonge
echtelieden gezegend te hebben, tot Maria en beschrijft haar het lijden dat
haar Kind ooit zal moeten ondergaan en het zwaard der smarten dat haar eigen
ziel zal doorboren. Hij wijst naar Jezus en zegt: zie, dit kind is bestemd
tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal
door een zwaard worden doorboord.6
«De tijd zal komen -zegt
de heilige Bernardus- dat Hij niet wordt opgeofferd in de tempel, niet tussen
de armen van Simeon, maar buiten de stad, tussen de armen van een kruis. De
tijd zal komen, dat Hij niet met iets anders wordt teruggekocht, maar dat Hij
met zijn eigen bloed anderen zal terugkopen, want God de Vader zond Hem aan
zijn volk om het te verlossen.»7
Het lijden van Maria -het
zwaard dat haar ziel zal doorboren- zal als enige beweegreden de smarten van
haar Zoon hebben, zijn vervolging en dood, de onzekerheid over het moment
waarop het zou gebeuren en de weerstand tegen de genade van de Verlossing die
de ondergang van velen zou bewerkstelligen. De bestemming van Maria was
parallel aan die van Jezus, ten dienste daarvan en zonder andere bestaansgrond.
De vreugde van de
verlossing en het lijden van het kruis zijn in de levens van Jezus en Maria
onlosmakelijk. Het lijkt wel of God door middel van de schepselen, die Hij in
de wereld het meest bemind heeft, ons wil laten zien, dat het geluk zich niet
ver van het kruis bevindt. Van meet af aan zijn de levens van de Heer en van
zijn Moeder gemarkeerd door het teken van het kruis. Bij de blijdschap van de
Geboorte voegen zich meteen ontbering en zorgen. Maria kent al vanaf het
allereerste moment het lijden dat haar wacht. Als 'zijn uur' gekomen is, zal
zij het Lijden en Sterven van haar Zoon aanschouwen, zonder verwijt, zonder
klacht. Zij zal lijden als geen andere moeder lijden kan. Maria zal de smarten
met hemelse kalmte aanvaarden, omdat zij de verlossende betekenis ervan kent.
«Zo is ook de heilige Maagd Maria op de pelgrimstocht van het geloof
voortgegaan en de vereniging met haar Zoon heeft zij standvastig volgehouden
tot onder het kruis. Daar stond zij niet zonder Gods beschikking (vgl. Joh
19,25), daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met
haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de
slachting van het offerlam dat uit haar was geboren.»8
Het lijden van Maria is
bijzonder en karakteristiek en staat in rechtstreeks verband met de zonde van de
mensen. Het is een medeverlossend lijden. De Kerk verleent Maria de titel
'Medeverlosseres'. Wij leren de waarde en de betekenis van het lijden en van de
tegenslagen die ons hier op aarde elke dag overkomen, door aan Maria te denken.
Met haar leren wij het lijden te heiligen door dit te verenigen met het lijden
van haar Zoon en dit lijden aan de Vader te offeren. De heilige Mis is het
meest toepasselijke ogenblik alles wat ons in het leven moeite kost te offeren.
En daar treffen wij Onze Lieve Vrouw.
41.3 Simeon
voerde, door de wil van God, Maria vanaf het allereerste begin binnen in het
diepe mysterie van de verlossing. Hij deelde haar mee, dat de Heer haar een
bijzondere plaats had toebedeeld in het lijden en sterven van haar Zoon. Met de
profetie van de grijsaard komt er een nieuw element in het leven van Maria en
bleef daar, tot zij aan de voet van het kruis van Jezus stond.
Ondanks talrijke
verklaringen en onderrichtingen van de Heer slaagden de apostelen er tot aan de
Verrijzenis niet in, uit dat alles te begrijpen, dat het nodig was, dat Hij
daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de
schriftgeleerden.9 Maria
wist vanaf het begin, dat haar een groot lijden wachtte en dat dit lijden
samenhing met de verlossing van de wereld. Zij, die alles in haar hart
bewaarde en overwoog10, moet vaak aan deze geheimzinnige woorden van Simeon
gedacht hebben. In een proces dat wij totaal niet kunnen begrijpen, maakte zij
haar hart gelijkvormig aan dat van haar Zoon. «Het medeverlossend martelaarschap
van de Maagd [...] wordt aangeduid in de voorspelling van Simeon en in de
geschiedenis van de Passie van de Heer. Deze is gesteld -zegt de heilige
grijsaard- tot een teken van tegenspraak en ook door uw eigen ziel -hij
sprak namelijk tot Maria- zal een zwaard klieven. [...] En zelfs nadat uw
Jezus -ieders Jezus is Hij, maar in het bijzonder de uwe- reeds de geest
gegeven had, heeft de wrede lans, die de ziel niet meer raken kon, toch de
gestorvene, nu Hij niet meer te deren was, nog de zijde geopend en haar steek
is ongetwijfeld door uw hart gegaan. Zijn ziel was daar niet meer aanwezig,
doch de uwe kon vandaar niet worden verwijderd. De kracht der pijn doorkliefde
dus uw ziel.»11
God heeft gewild, dat wij
ons met alle christenen aaneensluiten om met Hem samen te werken in de
verlossing van allen. Wij brengen deze opdracht ten uitvoer door oprecht onze
kleinste verplichtingen na te komen en dit op te dragen voor het heil van de
zielen, door met kalmte en geduld lijden, ziekte en tegenslagen te verduren en door
een werkzaam apostolaat in onze omgeving te verrichten. Gewoonlijk vraagt de
Heer ons te beginnen bij hen die ons het meest nabij zijn door familiebanden,
vriendschap, werk, nabuurschap, studie enzovoort. Zo ging Jezus te werk, en ook
zijn apostelen.
Laten wij vandaag op
bijzondere wijze onze Moeder Maria vragen, dat zij ons leert te lijden en
tegenslagen te heiligen, dat wij die zullen weten te verenigen met het kruis,
dat wij frequent eerherstel brengen voor de zonden van de wereld en dat wij
elke dag de vruchten van de verlossing in ons doen toenemen. «O Moeder van
godsvrucht en barmhartigheid, die uw beminnelijke Zoon begeleidde toen Hij het
altaar van de verlossing der mensheid besteeg, als onze medeverlosseres
verenigd met zijn smarten... Bewaar en vermeerder in ons de vruchten van de
Verlossing en van uw medelijden.»12
-1. Vgl. Lev
12,2-8; Ex 13,2.12-13. -2. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q37, a4. -3. Lc
2,25. -4. Lc 2,27. -5. Lc 2,29-32. -6. Lc 2,34-35. -7. H. Bernardus, Mariapreeken,
(Bussum 1946) bl. 123.-8. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 58. -9. Mt 16,21. -10. Vgl. Lc
2,19. -11. H. Bernardus, Mariapreeken,
Preek op de zondag in het octaaf van 15 augustus, n.14, bl. 233-234 (Bussum
1946). -12. Pius xi, Gebed
bij de sluiting van het Heilig Jaar, 1933.
|