Achtste week door het jaar. Maandag
4. DE RIJKE JONGELING
-God roept allen. Noodzaak van de onthechting om Christus te
volgen. -Het antwoord op de persoonlijke roeping. -Armoede en onthechting in
ons gewone leven.
4.1 Het evangelie van de mis van
vandaag1 verhaalt ons, dat Jezus uit een stad
kwam en al naar een andere plaats op weg was, toen er een jongeman aankwam en
vlak voor Hem bleef staan. De drie evangelisten die ons dit voorval vertellen,
vermelden, dat hij een goede maatschappelijke positie had. Hij wierp zich voor
Jezus' voeten op de knieën, en stelde een voor iedere mens fundamentele vraag: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?
Jezus stond daar, omgeven door zijn leerlingen die het tafereel gadesloegen: de
jongeling, op zijn knieën. Het is een open dialoog, waarin de Heer begint met
een algemeen antwoord: Ge kent de geboden. En Hij
somt deze op: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk
plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te
kort doen, eer uw vader en uw moeder. De jongeman antwoordt: Dat heb ik allemaal onderhouden. Waarin schiet ik nog te kort?
lezen we bij de heilige Matteüs.2 Dat is de
vraag die wij allen ons ooit gesteld hebben, wanneer wij te maken kregen met de
intieme ontgoocheling van dingen die op zich goed zijn, maar toch ons hart geen
complete voldoening kunnen geven, of met het leven dat voorbijgaat zonder die
onverzadigbare, verborgen dorst te lessen. Christus heeft ook een persoonlijk
antwoord voor iedereen, het enige geldige antwoord.
Jezus wist, dat er in het hart van die jongeling een kern van
edelmoedigheid, een groot vermogen tot overgave was. Daarom keek Hij hem
liefdevol aan, en vroeg Hij hem Hem te volgen zonder voorwaarden, zonder
banden. Hij bleef hem strak aankijken, zoals alleen Christus iemand weet aan te
kijken, tot in het diepst van de ziel. «De blik vol liefde voor iedere mens.
Het evangelie merkt het keer op keer op. Men zou ook kunnen zeggen, dat in deze
'verliefde blik' van Christus als het ware een verkorte samenvatting te zien is
van het Goede Nieuws [...] Voor de mens is deze
'verliefde blik' noodzakelijk. Het is noodzakelijk, dat hij zich bemind weet,
dat hij zich voor eeuwig bemind weet en uitverkoren voor altijd (vgl. Ef 1,4).
Tegelijkertijd begeleidt deze eeuwige liefde van de goddelijke uitverkiezing
deze mens gedurende zijn leven, zoals de blik vol liefde van Christus.»3 Zo ziet de Heer ons nu en altijd, met diepe liefde,
met voorliefde.
De Meester zei hem met een stem die een bijzondere intonatie
had: Eén ding ontbreekt u. Eén ding slechts. Met de
oren gespitst stond die jongeman nu natuurlijk te wachten op wat de Meester
ging zeggen. Het zou vast en zeker het belangrijkste zijn wat hij in zijn hele
leven zou horen. Ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en
geef het aan de armen ... En kom dan terug om Mij te
volgen. Het was een uitnodiging zich geheel aan de Heer over te geven.
Dat was niet wat de jongeling verwachtte. De plannen van God vallen niet altijd
samen met de onze, die wij misschien in onze fantasie, in onze dromen gesmeed
hebben. De goddelijke plannen sluiten, op de een of andere wijze, altijd het
aspect in zich van onthechting van alles wat ons vasthoudt. Om Jezus te volgen
moeten wij een vrij hart hebben. De vele rijkdommen van deze jongeling vormden
de grote hindernis om op het verzoek van Jezus in te gaan, het belangrijkste
wat hem in zijn leven zou overkomen.
God roept allen: gezonden en zieken; mensen met grote kwaliteiten
en mensen met bescheiden mogelijkheden; mensen die rijkdommen bezitten en
mensen die behoeftig zijn; jongeren, ouderen, mensen van middelbare leeftijd.
Iedere man, iedere vrouw moet de speciale weg ontdekken waartoe God hem of haar
roept. En allen roept Hij tot heiligheid, tot grootmoedigheid, tot onthechting,
tot overgave; aan ons allen zegt Hij in ons binnenste: kom
en volg Mij. Middelmatigheid is geen antwoord op de uitnodiging van
Christus. Hij wil geen leerlingen die zich maar half, niet onvoorwaardelijk,
geven.
Die jongeman zag plotseling zijn roeping: de uitnodiging tot
volledige overgave. Zijn ontmoeting met Jezus deed hem de fundamentele
betekenis en taak van zijn leven ontdekken. En ten overstaan van Jezus kwam
zijn ware beschikbaarheid naar voren. Hij meende Gods wil te verwerkelijken,
omdat hij de geboden van de wet vervulde. Toen Christus hem confronteerde met
een volledige overgave, bemerkte hij hoe groot zijn gehechtheid was aan de
dingen en hoe gering zijn liefde voor de wil van God. Deze scène vindt ook
vandaag weer plaats. «Je vertelt me van je vriend, dat hij regelmatig de
sacramenten ontvangt, dat hij kuis leeft en goed studeert. -Maar hij wil niet
bijten. Zo gauw je met hem over offer en apostolaat spreekt, wordt hij bedroefd
en gaat hij weg.
»Maak je geen zorgen. -Deze mislukking ligt niet aan een tekort
aan ijver van jouw kant. Het is woord voor woord het tafereel uit het
evangelie: Wil je volmaakt zijn, ga dan, verkoop alles wat
je bezit en geef het aan de armen (het offer)... kom
dan terug om Mij te volgen (het apostolaat).
»De jongeman abiit tristis, ging
ook bedroefd weg: hij wilde niet aan de genade beantwoorden.»4 Vervuld van droefheid ging hij weg, want blijdschap
is alleen mogelijk, als er edelmoedigheid en onthechting is. Dan wordt het
leven vervuld van vreugde in het absoluut bereid zijn om Gods wil te doen, die
zich elke dag uit in kleine dingen en op heel bepaalde momenten van ons leven.
Laten wij de Heer vandaag bidden, dat Hij ons helpt met zijn genade, opdat Hij
elk moment werkelijk op ons zal kunnen rekenen voor wat Hij wil, zonder
voorwaarden of belemmeringen. Laten wij in dit tweegesprek met Hem zeggen:
Heer, ik heb geen ander doel in het leven dan U te zoeken, U te beminnen en U
te dienen... Alle andere doeleinden van mijn bestaan wijken daarvoor. Ik wil
niets, wat mij van U verwijdert.
4.2 «De droefheid van deze
jongeman -zegt paus Johannes Paulus ii-
zet ons aan het denken. Wij zouden in de verleiding kunnen komen te menen, dat
het hebben van een overvloed aan wereldse goederen gelukkig maakt. In plaats
daarvan zien wij in het geval van de jongeling uit het evangelie, dat zijn vele
bezittingen een hinderpaal geworden waren voor het aanvaarden van de oproep van
Jezus Hem te volgen. Hij was niet bereid 'ja' te zeggen tegen Jezus en 'nee'
tegen zichzelf; ofwel ja tegen de liefde en neen tegen het escapisme, het zich
overal aan onttrekken. Echte liefde is veeleisend [...] Want het was Jezus
-onze eigen Jezus- die zei: Gij zijt mijn vrienden, als gij
doet wat Ik u gebied. (Joh 15,14). Liefde vraagt inspanning en een
persoonlijke verbintenis om de wil van God te vervullen. Zij betekent discipline
en offer, maar ook vreugde en menselijke voldoening [...] Opent je hart voor de
Christus van het evangelie - voor zijn liefde en zijn waarheid en zijn vreugde.
Gaat niet droevig heen.»5
De oproep van de Heer Hem van nabij te volgen, vergt een
houding van voortdurend antwoord geven, want Hij vraagt een volgzaam en
edelmoedig antwoord op zijn verschillende oproepen in de loop van ons bestaan.
Daarom moeten wij regelmatig voor het aanschijn van de Heer treden -oog in oog
met Hem, zonder anonimiteit- en Hem, als die jongeling, vragen: waarin schiet ik nog te kort? Welke eisen stelt mijn
roeping als christen me nu, in deze omstandigheden? Welke wegen wilt Gij, dat
ik ga? Laten wij eerlijk zijn: wie werkelijk ernaar verlangt, slaagt er ook in
de wegen van God duidelijk te kennen. Wie slaagt erin deze helder te kennen?
«De gelovige ontdekt zo gaandeweg, midden in zijn gewone leven, hoe zijn
roeping zich moet ontplooien door middel van een 'weefsel' van kleine,
dagelijkse oproepen en ingevingen van God [...], van betekenisvolle
ogenblikken, van concrete 'roepingen' om, uit liefde tot zijn Heer, kleine of
grote taken te verrichten in de wereld van de mensen. Juist midden in dit tweegesprek
met de Heer kan de mens de goddelijke stem horen, die hem vraagt een definitief,
radicaal besluit te nemen [...]. Het woord van God kan komen als een orkaan, of
als een briesje (1 Kon 19,22).»6 Maar om het te
volgen moeten wij onthecht zijn van elke binding: alleen Christus telt. Al het
andere telt ín Hem en vóor Hem.
4.3 De jongeling stond op. Hij
vermeed die blik van Jezus en diens oproep tot een leven van diepe liefde, en
hij ging heen -allen konden het waarnemen- terwijl de droefheid op zijn gezicht
te lezen stond. «Ik denk dat ons gevoel ons zegt, dat die weigering van toen
een weigering voor eens en voor altijd was.»7 De
Heer zag met smart, hoe hij zich verwijderde. De Heilige Geest openbaart ons
het motief van dit afwijzen van de genade: hij had veel
bezittingen en was daar zeer aan gehecht.
Na dit voorval hervatte de groep zijn tocht. Maar daarvóór
nog, of misschien bij de eerste passen liet Jezus zijn blik
gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: Hoe moeilijk is het voor degenen die
geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan! Zij waren onder de
indruk van zijn woorden. En de Heer herhaalde in nog sterker bewoordingen: Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald
te gaan, dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen. Wij moeten
het onderricht van Jezus aandachtig overwegen en op ons leven toepassen. Liefde
tot God, Hem van nabij volgen, en de gehechtheid aan materiële goederen zijn
niet met elkaar te verzoenen in een en hetzelfde hart: een hart kan niet
tegelijk die twee liefdes hebben.
De mens kan zijn leven richting geven door zich God ten doel
te stellen, een doel dat, met de hulp van de genade, ook door middel van
stoffelijke zaken bereikt kan worden door deze aan te wenden als de
hulpmiddelen die het zijn. Of men kan zijn hoop op eigen ontplooiing en geluk,
stellen in rijkdom: het mateloos verlangen naar bezit, luxe, gemak, ambitie, hebzucht...
Vandaag is misschien een goede gelegenheid om dapper in de
intimiteit van ons hart na te gaan wat ons beweegt in ons handelen, wat ons
hart bezielt: of wij werkelijk ons best doen om ons innerlijk los te maken van
aardse bezittingen, of dat wij juist lijden wanneer wij iets missen; of wij
echt waakzaam zijn om te reageren op kleine symptomen van verburgerlijking en
gemakzucht, details waar de reclame van de consumptiemaatschappij graag op inspeelt;
of wij zuinig zijn bij onze persoonlijke behoeften; of wij de neiging tot
uitgeven afremmen; of wij overbodige uitgaven vermijden; of wij ons geen valse
behoeften creëren waar wij met een beetje goede wil vanaf zouden kunnen zien;
of wij moeite doen niet toe te geven aan grillen en bevliegingen die zich
makkelijk kunnen voordoen; of wij voldoende zorg dragen voor ons huis en de
dingen die wij gebruiken; of wij handelen in het heldere bewustzijn, dat wij
alleen maar beheerders zijn die rekenschap zullen moeten afleggen aan de echte
Eigenaar, God onze Heer; of wij ongemakken en gebrek met blijdschap aanvaarden;
of wij edelmoedig zijn in het geven van aalmoezen aan behoeftigen en in het
steunen van goede daden; of wij afstand doen van dingen die wij graag zouden hebben...
Alleen zo zullen wij leven met de blijdschap en vrijheid die de leerlingen van
de Heer midden in de wereld nodig hebben.
Christus van nabij volgen is ons hoogste ideaal. Laten wij
niet heengaan zoals die jongeling, zijn ziel doordrenkt van diepe droefenis,
omdat hij geen afstand kon doen van wat bezittingen die, in verhouding tot de
geweldige rijkdom van Jezus, van geringe waarde waren.
-1. Mc 10,17-27. -2. Mt 19,20. -3. Johannes
Paulus ii, Brief aan de jongeren, 31
maart 1985,7. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 807. -5. Johannes Paulus ii, Homilie, 1
oktober 1979. -6. P. Rodríguez, Fe y vida de fe, bl. 82-83. -7. R.A. Knox, A retreat for Lay
People.
|