20 december
25. DE ROEPING VAN MARIA. ONZE ROEPING
-De heilige Maagd, van eeuwigheid af uitverkoren.
-Onze roeping. Ons antwoord. -De heilige maagd Maria navolgen in haar geest van
dienstbaarheid aan de anderen.
25.1 Het is
nu bijna kerstmis. Nu zal de profetie van Jesaja in vervulling gaan: Zie de
maagd zal ontvangen en een zoon baren; zij zal hem noemen Immanuël, God-met-ons.1
Het Joodse volk was
vertrouwd met de profetieën die het nageslacht van Jakob, middels David,
aanwezen als drager van de messiaanse beloften. De Joden konden zich echter
niet voorstellen, dat de Messias de mensgeworden God zelf zou zijn. Maar
toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren
uit een vrouw.2 En
die vrouw, de uitverkorene en voorbestemde van alle eeuwigheid af om Moeder van
de Zaligmaker te worden, had haar maagdelijkheid aan God toegewijd en zo
afstand gedaan van de eer de Messias onder haar rechtstreekse nageslacht te
mogen rekenen. Van eeuwigheid ben ik gevormd -zegt het boek Spreuken als
een voorafbeelding van Onze Lieve Vrouw- vanaf het begin, voordat de aarde
bestond.3
Talrijk zijn de vruchten
die we in deze dagen kunnen verkrijgen in onze omgang met Maria. Zij zegt ons
zelf: Als een wijnstok kreeg ik mooie loten
en mijn bloesems worden luisterrijke, volle vruchten. Ik ben de moeder
van de schone liefde, van de godsvrucht, de kennis en de heilige hoop. Komt tot mij, gij die naar mij verlangt, en
verzadigt u met mijn vruchten, want het denken aan mij is zoeter dan
honing en mij bezitten is zoeter dan honingraat.4 Maria verschijnt als de
maagdelijke Moeder van de Messias, die heel
haar liefde aan Jezus zal geven, met ongedeeld hart, als prototype van de overgave die de Heer van velen zal
vragen.
Toen de volheid van de
tijden gekomen was, zond God de aartsengel Gabriël naar Nazareth, waar de maagd
Maria woonde. Naar vrome overlevering wordt Maria gewoonlijk in gebed verzonken
afgebeeld. Zo hoort zij, vol aandacht, het plan dat God met haar heeft, haar
roeping: Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u5, zegt de engel, zoals we lezen in
het evangelie uit de Mis van vandaag.
En Maria geeft haar volle
instemming met de wil van God: Mij geschiede naar uw woord.6 Vanaf dat moment
aanvaardde zij haar roeping en begon zij deze te verwerkelijken. Haar roeping
bestond erin Moeder van God te zijn en Moeder van de mensen. Het middelpunt
van de mensheid bevond zich, zonder dat men dat wist, in het stadje Nazareth.
Daar was de vrouw die door God het meest bemind werd, zij die ook de meest
geliefde voor alle mensen is, die door alle tijden heen het meest is
aangeroepen. Laten we haar in de intimiteit van ons hart, nu, in ons
persoonlijk gebed zeggen: Moeder, gij zijt de gezegende onder de vrouwen.
Ten behoeve van haar
Moederschap werd zij omgeven met alle genaden en voorrechten die haar tot een
waardig verblijf voor de Allerhoogste maakten. Christus heeft zijn Moeder
uitverkoren en in haar al zijn Liefde en Macht gelegd. Hij liet niet toe, dat
zij ook maar in het minste geraakt zou worden door de zonde: noch door de
erfzonde, noch door persoonlijke zonden. Zij werd Onbevlekt ontvangen, zonder
enige smet. En Hij heeft haar «uit de schat van zijn goddelijke voorraad met
alle hemelse genadegunsten derwijze wonderbaar begiftigd, dat zij vrij van
alle zondesmet, en in geheel haar wezen schoon en volmaakt, een volledige
onschuld en heiligheid ronddroeg, zoals behalve in God er geen is, en behalve
door God geen gedacht kan worden.»7 Haar waardigheid is als het ware oneindig.
Haar werden alle genaden
en alle voorrechten gegeven om haar roeping te volvoeren. Haar roeping werd,
zoals in elke mens, het centrale ogenblik van haar leven: zij werd geboren om
moeder van God te worden, uitverkoren door de Allerheiligste Drieëenheid van
eeuwigheid af.
Zij is ook onze Moeder.
Dat zullen wij in deze dagen niet vergeten. Met een oud gebed, dat we tot het
onze maken, kunnen we het zo onder woorden brengen: «Vergeet niet, heilige
Maagd en moeder van God, als gij in aanwezigheid van de Heer zijt, Hem goede
dingen over mij te zeggen.»
25.2 Ook in
ieder van ons is de roeping het middelpunt van ons leven. De spil waar al het
andere om draait. Alles, of zo goed als alles draait om het kennen en vervullen
van wat God van ons vraagt.
De eigen roeping volgen en
beminnen is het belangrijkste en meest vreugdevolle in het leven. Hoewel de
roeping de sleutel is die de deuren tot het ware geluk opent, zijn er echter
toch mensen die hun roeping niet willen kennen. Zij geven er de voorkeur aan
hun eigen wil te doen in plaats van de wil van God. Zij verkeren liever in
schuldige onwetendheid dan dat zij in alle oprechtheid zoeken naar de weg
waarop zij gelukkig zouden zijn, waarlangs zij met zekerheid in de hemel zouden
komen en heel veel anderen gelukkig zouden maken.
De Heer doet bijzondere
oproepen; ook tegenwoordig. Hij heeft ons nodig. Bovendien trekt Hij aan ons
met een heilige roeping: een uitnodiging Hem te volgen in een nieuw leven
waarvan Hij het geheim bezit: wie mijn volgeling wil zijn...8 Alle gedoopten
hebben door dat sacrament de roeping ontvangen God in volle liefde te zoeken.
«Want het alledaagse gewone leven onder onze medemensen is niet afgestompt en
plat. Juist hier is 't de plaats, waar volgens de wil van de Heer de meesten
van zijn kinderen zich moeten heiligen.
»Men moet steeds weer
onderstrepen dat Jezus zich niet wendde tot enige bevoorrechten. Hij kwam op de
eerste plaats om de allesomvattende liefde Gods te openbaren. Alle mensen
worden door God bemind. Van allen verwacht Hij liefde. Van allen, welke
persoonlijke eigenschappen, welke maatschappelijke rang, welk beroep of welk
ambt ieder ook heeft. Het gewone, alledaagse leven is geen onbeduidende zaak.
Alle wegen op aarde kunnen aanleiding zijn tot een ontmoeting met Christus, die
ons oproept om één te worden met Hem, om zijn goddelijke opdracht te vervullen,
waar wij ons ook bevinden.
»God roept ons door alles
wat er in 't dagelijks leven gebeurt, door de vreugde en het leed van onze
medemensen, door de aardse zorgen van onze vrienden en kennissen, door de vele
kleine dingen van het gezinsleven. En God roept ons ook door de grote
problemen, conflicten en taken die een stempel zetten op de geschiedenis, die
de hoop en de inspanning van een groot deel van de mensheid gevangen houden.»9
De roep van de Heer zweept
ons op, onder andere, tot een grotere
overgave, want de oogst is groot, maar arbeiders zijn er
weinig.10 Dagelijks
zijn er oogsten die verloren gaan omdat er geen mensen zijn om de oogst binnen
te halen.
Mij geschiede naar uw
woord, zegt de heilige Maagd.11 En wij beschouwen haar zoals zij schittert van vreugde.
Tijdens ons gebed zouden wij ons kunnen afvragen: Zoek ik God in mijn werk, in
mijn studie, in mijn gezin, op straat... in alles? Ben ik moedig in het apostolaat?
Zoek ik God meer dan mijzelf?
25.3
Tegenover de wil van God heeft de heilige Maria maar één antwoord: zij omhelst
die. Zij roept zichzelf uit tot de dienstmaagd des Heren, zij aanvaardt
zijn plannen zonder enig voorbehoud. In de Oudheid, toen slavernij nog in volle
hevigheid van kracht was, werd deze uitdrukking van Maria -een dienstmaagd was
een slavin- volledig op de juiste waarde en intensiteit geschat. Een slaaf had,
zou men kunnen zeggen, geen eigen wil, hij kende geen ander streven dan dat van
zijn meester. Het was Maria's opperste blijdschap geen ander verlangen te
kennen dan dat van haar Meester en Heer. Zij gaf zich over aan de Heer zonder
enige restrictie, zonder voorwaarden.
Door Maria na te volgen
willen wij geen andere wil en andere vooruitzichten hebben dan die van God. Dat
geldt voor zaken die voor ons belangrijk zijn, in onze eigen roeping en in de
kleine gewone dingen in ons werk, gezin, kennissenkring.
Een van de geheimen van de
advent is datgene wat wij als tweede blijde geheim van de rozenkrans overwegen:
Maria bezoekt haar nicht Elisabeth. Laten we nu vooral kijken naar een concreet
aspect van de dienstbaarheid aan anderen die een onderdeel is van onze roeping:
de opdracht tot naastenliefde.
Dit bezoek van onze Moeder
aan haar nicht Elisabeth is een perfect voorbeeld van naastenliefde. Wij moeten
iedere mens liefhebben, want iedere mens is een kind van God, of kan het
worden. Maar wel, op de eerste plaats, hen liefhebben die ons het meest nabij
zijn, met wie we bijzondere banden hebben: onze familie. Onze naastenliefde
moet zich ook uiten in daden en niet slechts in gevoelens van verbondenheid en
genegenheid blijven steken. Laten we daarbij denken aan de omgang met onze
familie, aan de duizend gelegenheden die ons worden geboden om op een heel
natuurlijke manier de naastenliefde, de geest van dienstvaardigheid te
beoefenen.
Laten we trachten deze
adventsdagen door te brengen met dezelfde geest van dienstvaardigheid als
Maria. Laten we, naar haar voorbeeld van nederige zelfverloochening, als goede
kinderen haar vragen ons te willen helpen zodat, als de Heer komt, onze harten
gereed mogen zijn in volledige overgave zijn wil te volbrengen en zijn influisteringen
en goede raad zonder mankeren op te volgen.
«Laten wij vandaag de
heilige Maria vragen ons tot contemplatieve mensen te maken en ons steeds meer
bewust te maken van het voortdurend kloppen van de Heer op de deur van ons
hart. Zo moeten wij bidden: Onze Moeder, gij hebt ons Jezus op deze aarde gebracht,
Hem, die ons de liefde van God onze Vader openbaart. Help ons Hem te ontdekken
in onze dagelijkse bezigheden. Leer ons verstand en onze wil te luisteren naar
de stem van God. Leer ons de impuls van zijn genade volgen.»12
-1. Eerste lezing
uit de Mis, Jes 7,14. -2. Gal 4,4. -3. Spr 8,23. -4. Sir
24,17-20. -5. Lc 1,26-38. -6. Lc 1,38. -7. Pius ix, Dogmatische bul Ineffabilis
Deus, 8 december 1854. -8. Mt 16,24. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
110. -10. Mt 9,37. -11. Lc 1,38. -12. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 174.
|