Eerste week. Maandag
1. DE ROEPING VAN DE EERSTE LEERLINGEN
-De Heer roept hen
temidden van hun dagelijkse bezigheden. Hij roept ook ons, zodat we onze
bezigheden kunnen heiligen en Hem door ons werk bekend kunnen maken. -De
heiliging van ons werk. Het voorbeeld van Christus. -Werken en gebed.
1.1 Na zijn doop, waarmee Hij zijn openbare leven begint, zoekt Jezus naar
de mensen die Hij deelgenoot zal maken van zijn verlossingswerk. Hij vindt hen
bij hun dagelijks werk. Het zijn doorzetters, gewend aan hard werken en aan een
eenvoudig leven. In het evangelie van vandaag lezen we: Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag
Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl zij bezig waren het net uit
te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: Komt,
volgt Mij; Ik zal maken, dat gij vissers van mensen wordt.1
De apostelen
beantwoordden de oproep van God edelmoedig. Deze vier
apostelen, Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus, kenden de Heer reeds.2 Maar dit is juist
het moment waarop zij, in overeenstemming met de wil van God die hen riep,
besloten hun lot volledig met Hem te delen. Zonder voorwaarden vooraf, zonder
berekening of welke andere reserves dan ook. Ook in onze tijd volgen velen Hem
na op dezelfde manier, midden in de wereld, in totale toewijding en in
apostolisch celibaat. Vanaf dit moment zal Christus het centrale punt in hun
leven zijn. Hij zal een onbeschrijfelijke, steeds sterkere aantrekkingskracht
op hun zielen uitoefenen. Jezus Christus zoekt hen midden tussen de
beslommeringen van het dagelijkse werk. Op eenzelfde manier als Hij deed bij de
Wijzen uit het Oosten (zoals wij nog niet zo lang geleden overwogen hebben): door middel van iets waarmee ze
heel vertrouwd waren, nl. het oplichten van een bijzonder heldere ster.
Hetzelfde gebeurde, toen de engelen de herders naar Bethlehem riepen, terwijl
zij hun plicht deden door de schapen te hoeden. Hij liet hen op weg gaan om het
goddelijk Kind te aanbidden en die nacht bij Maria en Jozef te zijn.
Het is temidden van onze dagelijkse bezigheden
dat Jezus ons uitnodigt Hem te volgen, Hem tot het middelpunt van ons bestaan
te maken en zo met Hem mee te werken aan de evangelisatie van de wereld. «God
haalt ons uit de duisternis van onze onwetendheid. Hij maakt een einde aan ons
weifelend rondtasten, door duizenden toevalligheden in ons leven. Hij roept ons
met krachtige stem, zoals Hij dat eens met Petrus en Andreas deed: Venite post me, et faciam vos fieri piscatores
hominum (Mt 4,19), -Komt, volgt Mij, Ik zal u vissers van
mensen maken, ongeacht de plaats die wij in de wereld innemen.»3 Hij kiest ons
uit, maar Hij laat ons als leken, zoals de meeste christenen zijn, blijven op
de plaats waar wij waren: in ons gezin, op ons werk, bij de cultuur- of
sportvereniging waarvan we lid zijn... In die concrete omstandigheden kunnen wij
Hem liefhebben en Hem bekend maken.
Vanaf het moment, dat we beslissen om Christus
tot middelpunt van ons leven te maken, wordt al ons handelen erdoor beïnvloed.
We moeten ons afvragen of we onze bezigheden
als hulpmiddel gebruiken om onze menselijke en bovennatuurlijke deugden te ontplooien en daardoor te groeien naar
een steeds diepere vriendschap met Jezus.
1.2 God roept ons en zendt ons naar onze eigen omgeving en naar ons
beroepsleven. Maar Hij wil dat ons werk nu een diepere betekenis krijgt: «Je
schrijft me terwijl je in de keuken zit, bij het fornuis. Het wordt avond. Het
is koud. Naast je zit je jongere zus aardappelen te schillen. Als laatste van
jullie heeft ook zij de 'goddelijke dwaasheid' ontdekt om haar christelijke
roeping op totale wijze te
beleven. Ogenschijnlijk -denk je- is haar werk hetzelfde als vroeger. En toch
is er zo'n groot verschil! Dat is waar: vroeger deed ze niets anders dan
aardappels schillen; nu heiligt ze zich door aardappels te
schillen...»4
Om naar heiligheid te streven terwijl wij met ons
eigen werk bezig zijn -in de huishouding, op kantoor, of rijdend op een
tractor...- moeten wij aan het voorbeeld van Jezus denken. We hebben onlangs de
jaren van zijn verborgen leven in de werkplaats van Jozef kunnen overwegen. En
in het evangelie van vandaag zien we hoe de apostelen aan het vissen zijn. We
moeten onze aandacht richten op de mensgeworden Zoon van God, terwijl Hij aan
het werk is, en ons vaak afvragen: Wat zou Jezus in mijn plaats doen? Hoe zou
Hij mijn werk doen? Het evangelie leert ons: Hij heeft alles wèl gedaan5, menselijk gezien
volmaakt, met de grootste zorgvuldigheid. Dit betekent: werken in een geest van
dienstbaarheid aan onze naasten, gedisciplineerd, rustig en met een diepe
concentratie. Hij zou zijn opdrachten op tijd af hebben gehad. Met liefde zou
Hij de laatste hand eraan leggen, denkend aan de vreugde van zijn klanten als
dezen zijn eenvoudige, maar perfect gemaakte produkt in ontvangst nemen. Hij
zou moe geweest zijn... Jezus deed zijn werk tevens op een volledig
bovennatuurlijke, doeltreffende manier, in de zin dat Hij door zijn werk de
verlossing van de mensheid verwezenlijkte, door en uit liefde met zijn Vader
verenigd en ook verenigd met de mensen door zijn liefde voor hen.6 En wat men uit
liefde doet, schept verplichtingen.
Geen christen mag ooit denken, dat het geringe
belang of sociale aanzien van de eigen taken een excuus zijn om die niet zo
goed mogelijk te verrichten. Ook als sommigen in hun oppervlakkigheid een
bepaald beroep niet voldoende zouden waarderen -of zelfs minachten-, blijft het
waar dat God ons werk ziet en de waarde ervan kent. En het kan zò belangrijk
worden, dat wij er ons geen voorstelling van kunnen maken. «Je hebt me gevraagd
wat je de Heer kunt aanbieden. Ik hoef niet lang over mijn antwoord na te
denken: hetzelfde als altijd, alleen beter uitgevoerd en met een afwerking vol
liefde, die je meer aan Hem en minder aan jezelf laat denken.»7
1.3 Voor elke christen die veel aan God denkt, wordt arbeid tot gebed. Het
zou erg jammer zijn als we ons beperken tot 'aardappelen schillen', in plaats
van ons te heiligen door ze 'goed te schillen'. Het werk is een manier om
gedurende de dag bij God te zijn en een grote gelegenheid om de deugden te
beoefenen. Zonder deze deugden kan de christen de heiligheid waartoe Hij ons
opgeroepen heeft nooit bereiken. Tegelijkertijd is het een goede mogelijkheid
om op een effectieve manier apostolaat te beoefenen.
Bidden is spreken met God: ons hart en onze
ziel voor Hem openen met het doel Hem te
prijzen, Hem te danken, Hem eerherstel te geven en Hem om meer hulp te
vragen. Dit kan gebeuren door middel van gedachten, woorden en gevoelens.
Bidden kan zowel mèt als zònder woorden. Maar
men kan ook bidden door middel van activiteiten die een communicatie met
God tot stand brengen, die Hem laten zien hoeveel we van Hem houden en hoezeer
we Hem nodig hebben. Zo wordt «elk werk dat goed wordt afgemaakt en gedaan is
met bovennatuurlijke visie»8 een gebed, doordat wij dan op een gewetensvolle manier met God
meewerken in het vervolmaken van de dingen die Hij heeft geschapen. Laten we
proberen ze met de liefde van God vruchtbaar te maken, zodat ze bijdragen aan
de voltooiing van zijn verlossingswerk. Dit vond niet alleen op Calvarië
plaats, maar ook in de jaren van arbeid in Nazareth.
De christen die
door de genade verenigd is met Christus, zet zijn werkzaamheden om in gebed. Daarom is 's-morgens de
devotie van het opdragen van het dagelijks werk zo belangrijk. Elke morgen als
we opstaan, vertellen we de Heer in enkele woorden dat onze hele dag voor Hem
is. Het is heel belangrijk voor ons innerlijk leven dat we dit verschillende
keren in de loop van de dag herhalen, vooral tijdens de heilige mis. Maar de
waarde van dit gebed dat het werk van de christen is, zal afhangen van de
liefde die we erin leggen, van de eerlijkheid van onze intenties, van de
beoefening van de naastenliefde, van de inspanning om het met vakbekwaamheid te
voltooien. Hoe meer we ons bewust zijn van onze intentie om ons werk tot een
instrument van de verlossing te maken, des te beter zullen we het verrichten.
En des te groter is de hulp die we aan geheel de Kerk zullen geven. De aard van
ons werk vraagt soms een grote mate van concentratie en maakt het moeilijk onze
gedachten vaak op God te richten. Maar als we de gewoonte hebben om met Hem te
spreken en we ons inspannen om Hem te vinden, zal Hij als het ware 'een
achtergrondmuziek' zijn bij alles wat we doen. Als we op deze manier te werk
gaan, zullen arbeid en innerlijk leven elkaar niet onderbreken, «precies zoals
onze hartslag onze aandacht voor al onze bezigheden niet onderbreekt.»9 Integendeel, werk
en gebed vullen elkaar aan, precies zoals stemmen en instrumenten zich in de
muziek tot een harmonieus geheel vermengen. Werk verstoort het gebedsleven
niet, maar wordt tot voertuig daarvan. Dan zal werkelijkheid worden wat we in
dit prachtige gebed10 vragen: Actiones nostras,
quaesumus, Domine, aspirando praeveni et adiuvando prosequere: ut cuncta nostra
oratio et operatio a te semper incipiat, et per te coepta finiatur: Mogen onze handelingen, zo smeken wij Heer, door uw ingevingen worden
voorafgegaan en door uw bijstand vergezeld worden, opdat al onze gebeden en
werken steeds bij U beginnen en -bij U begonnen- tot een goed einde gebracht
worden.11
Als Jezus, die we tot middelpunt van ons
bestaan gemaakt hebben, achter alles staat wat we doen, zal het meer en meer
vanzelfsprekend worden om de rustpauzes, die tijdens alle arbeid voorkomen, te
gebruiken om die 'achtergrondmuziek' tot een echte lofzang te maken. Als we
iets anders gaan doen, in de auto voor een rood stoplicht wachten, een
studie-onderdeel afronden, als we op een telefoontje zitten te wachten of het
gereedschap op zijn plaats terugzetten..., dan zal dat schietgebedje bij ons
opkomen, die blik op een beeltenis van Onze Lieve Vrouw of op een kruisbeeld,
een gebed zonder woorden tot onze engelbewaarder, die ons van binnen sterken en
ons helpen met onze taak verder te gaan.
Omdat de liefde altijd de juiste middelen weet
te vinden, omdat zij vindingrijk is, zullen we enkele «menselijke
hulpmiddelen» weten aan te wenden, geheugensteuntjes, die ons helpen niet te
vergeten dat we via alles wat menselijk is,
tot God dienen te komen. «Zorg voor een afbeelding van Onze Lieve Vrouw
op je werktafel, in je kamer, in je agenda... en kijk ernaar aan het begin van je
werk, tijdens je werk en aan het einde van
je werk. Zij zal voor jou -ik verzeker het je- de kracht verkrijgen om
van je werk een liefdevol gesprek met God te maken.»12
-1. Mc 1,16-17. -2. Joh 1,35-42. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 45. -4. Idem, De Voor, 498. -5. Vgl. Mc 7,37. -6. Vgl. J.L. Illanes, On the Theology of Work. -7. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 495. -8. R. Gómez Pérez, Faith and Life. -9. H. Jozefmaria
Escrivá, Brief, 15 september 1948. -10. Enchiridion
Indulgentiarum, 1. -11. Vgl. S. Canals, Jesus as friend. -12.
H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 531.
|