20 januari. Derde dag van de Bidweek
6. DE SCHAT VAN HET GELOOF
-Onvoorwaardelijke trouw aan de geopenbaarde
leer. De oecumenische dialoog dient zich te baseren op de oprechte liefde voor
de goddelijke waarheid. -De leer helder uiteenzetten. -Veritatem facientes in caritate, de waarheid altijd met liefde en begrip jegens de mensen verkondigen.
6.1 De Heilige Geest spoort alle
christenen aan zich op velerlei wijzen in te
spannen om tot de door Christus gewenste eenheid te komen.1 De Heilige Geest is het die het verlangen naar het
oecumenisch gesprek om deze vereniging te bereiken bevordert. Maar opdat deze
dialoog bestaansreden heeft, dient hij naar de waarheid te neigen en zich
daarop te baseren. De dialoog bestaat derhalve niet in een simpele uitwisseling
van meningen of een wederzijds akkoord over de eigen visie die ieder heeft ten
aanzien van de problemen die zich voordoen en de mogelijke oplossingen daarvan.
Integendeel, de dialoog dient duidelijk en helder de waarheden te verklaren die
Christus in bewaring heeft gegeven aan het leergezag van de Kerk, de enige
waarheden die redden kunnen; de dialoog moet de inhoud en betekenis van de
dogma's uitleggen en tegelijkertijd in de zielen een groter verlangen
bevorderen om Christus van nabij te volgen, een verlangen naar persoonlijke
heiliging.
De waarheid van de
christen is juist daarom reddend, omdat zij niet het resultaat is van
diepzinnige menselijke overwegingen, maar de vrucht van de Openbaring van Jezus
Christus, toevertrouwd aan de apostelen en hun opvolgers -paus en bisschoppen-
en door de Kerk overgeleverd als via een goddelijk kanaal, met voortdurende
bijstand van de Heilige Geest. Ieder geslacht ontvangt de schat van het geloof,
het geheel van de door Christus geopenbaarde waarheden, en zij geeft deze
onverkort door aan de volgende generatie, tot het einde der tijden.
Bewaar wat u is toevertrouwd2, schreef sint Paulus aan Timóteüs. En de heilige Vincentius van Lerins verklaart: «Wat is de geloofsschat? Dat is wat ge hebt
geloofd, niet wat ge hebt aangetroffen; wat ge hebt ontvangen, niet wat
ge hebt gedacht; iets dat niet voortkomt uit uw persoonlijke gedachtenwereld,
maar van de leer; niet de vrucht van eigen rooftocht, maar van de openbare
traditie. Het is iets dat tot u is gekomen, dat niet door u is uitgevonden;
iets waarvan gij niet de maker bent, maar de bewaker; niet de schepper, maar de
bewaarder; niet de leider, maar de geleide. Bewaar wat u is toevertrouwd:
houd het talent van het katholieke geloof schoon en onaangetast. Laat
wat ge geloofd hebt in u blijven, overhandig het aan de overigen. Goud hebt ge ontvangen, geef dan ook goud terug;
vervang het ene niet door het andere,
zet geen lood in de plaats van goud, vermeng niets op bedrieglijke
wijze. Ik wil niet iets dat op goud lijkt, maar zuiver goud.»3
De oecumenische dialoog bestaat niet in het
uitvinden van nieuwe waarheden of in het
bereiken van een overeenstemming van gedachten, een geheel van
doctrines dat door allen aanvaard wordt, nadat iedereen een beetje water bij de
wijn heeft gedaan. Inzake de geopenbaarde leer kan men niet toegeven, omdat zij
van Christus is en de enige die redding
brengt. Het verlangen naar vereniging met allen en de liefde kan ons
niet ertoe brengen -het zou dan geen liefde
meer zijn- «om het geloof te doen afzwakken, de lijnen die het afbakenen
weg te nemen, het te verzachten totdat het,
zoals sommigen nastreven, verwordt tot iets vormloos dat niet meer de
kracht en macht van God bezit.»4
Het verlangen naar dialoog met de afgescheiden
broeders en met allen die binnen de Kerk ver van Christus verwijderd zijn, moet ons ertoe brengen vaak na te
denken over de ijver die wij aan onze eigen vorming geven, aan een passende
kennis van de geopenbaarde leer. Vandaag kunnen wij in ons gebed denken aan het
benutten van de middelen die ons ter beschikking staan voor een intense en
voortdurende vorming: geestelijke lezing, geestelijke leiding, retraites...
6.2 De blijde boodschap die de Kerk verkondigt is juist daarom bron van
redding, omdat zij dezelfde waarheid is die door Christus gepredikt wordt.
«Zich hiervan bewust wil Paulus zijn eigen
verkondiging vergelijken met die van de
andere apostelen om zich te verzekeren van de authenticiteit van zijn
prediking (Gal 2,10); heel zijn leven lang heeft hij onophoudelijk aangedrongen op trouw
aan het ontvangen onderricht, omdat niemand een ander fundament kan leggen dan
het fundament dat reeds gelegd was, namelijk Jezus Christus (1 Kor 3,11).»5
De waarheid die wij van de Heer hebben
ontvangen is één, onveranderlijk, onverkort bewaard vanaf het begin door de eeuwen heen, en men zal haar nooit mogen
relativeren of slechts iets eruit nemen, want «elke aanslag op de eenheid van het geloof is een aanslag
op Christus zelf.»6 Sint Paulus is zo diep overtuigd van deze waarheid, dat hij voortdurend de kleine verdeeldheden die zich
destijds voordeden, bestrijdt. Broeders, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u
heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop
gij gegrondvest zijt en waardoor gij ook gered wordt [...]. In de eerste plaats dan
heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus
gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en
dat Hij is opgestaan op de derde dag,
volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan
de Twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer
dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn,
hoewel sommigen zijn gestorven.7
De apostel verkondigt aan deze eerste
christenen, dat de leer die zij moeten geloven geen persoonlijke theorie van
hemzelf of iemand anders is, maar de gemeenschappelijke leer van de Twaalf, de getuigen van
het leven, de dood en de verrijzenis van Christus, van wie zij deze op hun
beurt hebben ontvangen. De inhoud van het geloof -in die eerste tijden en ook
nu nog- is samengevat in het Credo,
dat zijn oorsprong heeft in het onderricht van Jezus en zoals het, onder
voortdurende bijstand van de Heilige Geest, door de apostelen is doorgegeven.
Deze inhoud is geen abstracte theorie over God, maar de reddende, door de Heer
geopenbaarde waarheid, die praktische en werkelijke gevolgen heeft in onze
wijze van zijn, denken, werken, optreden... Aangezien het geen overeenstemming
van mensen is of een door mensen uitgedachte leer, «is het beslist nodig, dat
de volledige leer helder wordt uiteengezet. Niets staat zo ver af van de
oecumenische beweging -zo leert het Tweede Vaticaans Concilie- als een vals
irenisme, dat de zuiverheid van de katholieke leer schaadt en de authentieke,
vaststaande zin ervan verduistert.»8
Het doel van de
oecumenische dialoog, evenals van iedere apostolische dialoog, is derhalve
daarin gelegen, dat men de meest volmaakte gemeenschap met de reddende waarheid van Christus zoekt. De
vooruitgang in de kennis en aanvaarding van deze waarheid hebben de
voortdurende bijstand van de Heilige Geest nodig, die wij deze dagen om zijn
licht bidden; nodig zijn evenzo studie en overweging
om steeds duidelijker juist datgene te verstaan en uiteen te zetten, wat
Jezus Christus ons heeft geopenbaard en dat als een schat bewaard ligt in de
schoot van de katholieke Kerk. Dan kunnen wij begrijpen -aldus Paulus vi- waarom de Kerk «gisteren en vandaag
zoveel belang hecht aan het strikt bewaren van de authentieke openbaring,
waarom zij haar als een onschendbare schat beschouwt en zich zo streng bewust
is van haar fundamentele plicht om de geloofsleer te verdedigen en deze in niet
mis te verstane bewoordingen door te geven; orthodoxie is haar eerste zorg;
het pastorale leerambt, haar eerste en tijdelijke taak [...]; en het wachtwoord
van de apostel Paulus: depositum
custodi (1 Tim 6,20; 2 Tim 1,14) vormt voor haar een dusdanige verplichting, dat een schending daarvan
verraad zou betekenen.
»De Kerk als leermeesteres is niet de
uitvindster van haar leer; zij is getuige, bewaarster, tolk, middel; en ten aanzien van de christelijke boodschap kan men
zeggen dat zij behoedster is, ontoegeeflijk; en als iemand haar vraagt haar geloof wat gemakkelijker te maken, meer in
overeenstemming met de smaak van de zo sterk wisselende tijdgeest, dan antwoordt zij hem met de
apostelen: non possumus,
het is voor ons onmogelijk (Hnd 4,20).»9 Dit onderricht kan voor ons ook van
nut zijn in het apostolaat met die
katholieken die de, soms veeleisende, leer zouden willen aanpassen aan
een concrete situatie, zonder veeleisend met zichzelf te zijn en zonder
bereidheid tot offers, wat zo eigen is aan het volgen van de Heer.
6.3 Sint Paulus herinnerde de eerste christenen van Efese eraan, dat zij de waarheid in liefde moesten
verkondigen: veritatem facientes in caritate.10 Dàt
dienen ook wij te doen: ten aanzien van hen die reeds
dicht bij de volle geloofsgemeenschap staan en van hen die nog slechts een vaag
godsdienstig besef hebben. Veritatem facientes in caritate jegens hen die wij elke dag zien en diegenen die
wij slechts zo nu en dan bij gelegenheid ontmoeten. Begripsvol en
hartelijk jegens de mensen, zonder te wijken in de leer. Meer nog, indien wij
door welke omstandigheid ook in een omgeving terecht komen of bij iemand moeten
vertoeven die ons kil behandelt, dan moeten wij de wijze raad van de heilige
Johannes van het Kruis opvolgen: «Bedenk
uitsluitend -zo spoorde de heilige iemand aan die hem in zijn zorgen en
moeilijkheden om licht vroeg- dat God alles verordent; en waar geen liefde is,
breng daar liefde, en gij zult liefde vinden...»11
We zullen meer dan voldoende kansen hebben om
deze raad in praktijk te brengen. En we zullen vaak zien, bijna zonder dat we ons daarvan bewust zijn, hoe wij die
vijandige of onverschillige sfeer hebben veranderd.
De waarheid moet volledig en onverkort getoond
worden, zonder valse schikkingen, maar wel op beminnelijke wijze; nooit bitter
of hinderlijk, en ook niet met kracht of geweld opgelegd. Los van het feit of
iemand zich vergist of niet, ook wanneer men
hem terecht kritiek levert, iedereen heeft er recht op met respect
behandeld te worden, op waardering van de nog altijd positieve kanten van zijn
ideeën of gedrag. We mogen niemand oordelen, laat staan veroordelen. Dezelfde
liefde die ons aanzet tot trouw blijven in
het geloof, brengt ons ook ertoe de mensen te beminnen, te begrijpen,
te verontschuldigen, om Gods genade te laten werken, die nooit de vrijheid van
de zielen dwingt of wegneemt.
Begrip leidt ertoe, dat wij de grootste
behoefte van het menselijk hart willen verzadigen: het streven naar de waarheid
en het geluk, dat God in ieder schepsel heeft gelegd. De omstandigheden waarin
ieder zich bevindt en de graad van waarheid die hij heeft bereikt zijn verschillend;
en opdat allen tot de volheid van het geloof komen, kunnen onze liefde en onze
vriendschap tot brug dienen, waarvan God zich dikwijls bedient om dieper in deze
zielen binnen te treden.
Als wij Onze Lieve Vrouw om hulp bidden, zal
zij ons leren hoe wij met iedereen naar behoren moeten omgaan: met oneindige
liefde en respect jegens zijn persoon, met immense liefde voor de waarheid,
zonder dat wij, uit vals begrip, ertoe gebracht worden van de leer af te
wijken.
-1. Vgl. Vaticanum ii, Decr. Unitatis redintegratio, 4. -2. 1 Tim 6,20. -3. H. Vincentius van Lerins, Commonitorium, 22. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 456. -5. Johannes Paulus ii, Homilie 25-I-1987. -6. Ibidem. -7. 1 Kor 15,1-6. -8. Vaticanum ii, loc. cit. 11. -9. Paulus vi, Algemene audiëntie 19-I-1972. -10. Ef 4,15. -11. H. Johannes van het Kruis, A la M. María de la Encarnación,
6-VI-1591.