Vierde zondag door het jaar (B)
26. De slavernij van de zonde
-Christus is ons komen bevrijden van de duivel
en van de zonde. -De kwaadaardigheid van zonde. -Het bevrijdende karakter van
de biecht. De strijd om dagelijkse zonden te vermijden.
26.1 In het evangelie van de mis van deze zondag1 wordt het verhaal
verteld van de genezing van een man die bezeten is door de duivel. De
overwinning op de onreine geest -want dat is de betekenis van de naam Belial of
Beëlzebub, waarmee in de Schrift de duivel wordt aangeduid2- is een van de
tekenen van de aanwezigheid van de Messias, die de mens is komen bevrijden van
de meest geduchte slavernij: die van de duivel en de zonde.
Deze gekwelde man uit Kafarnaüm schreeuwde het
uit: Jezus van Nazaret, wat hebt Gij
met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet wie
Gij zijt: de heilige Gods. En Jezus voegde hem dreigend toe: Zwijg stil en ga uit hem
weg. En allen stonden verbaasd.
Paus Johannes Paulus ii leert ons dat
het niet uit te sluiten is, dat in bepaalde gevallen de boze geest erin slaagt
zijn invloed niet alleen uit te oefenen op materiële zaken, maar ook op het
lichaam van de mens; we spreken dan van «bezetenheid door de duivel.»3 Het is niet
altijd gemakkelijk te onderscheiden wat er aan buitennatuurlijks in zulke
gevallen is. De Kerk is hierin terughoudend en zal niet gemakkelijk de tendens
bevorderen om veel gebeurtenissen toe te schrijven aan rechtstreeks ingrijpen
van de duivel. Maar in principe kan men niet ontkennen dat de satan in zijn
streven ons schade toe te brengen en naar het kwade te voeren, tot deze extreme
uitdrukking van zijn superioriteit kan komen.4
De bezetenheid in de evangelies wordt meestal
begeleid door pathologische uitingen: epilepsie, stomheid, doofheid... De
bezetene verliest vaak de beheersing over zichzelf, over zijn handelingen en
woorden; in sommige gevallen is hij een instrument van de duivel. Daarom tonen
deze wonderen die de Heer verricht, de komst van het koninkrijk van God en de
verdrijving van de duivel uit dit rijk aan: Nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen.5 Als de
tweeënzeventig leerlingen terugkomen, vervuld van vreugde over de resultaten
van hun apostolische zending, zeggen ze tot Jezus: Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam! En de Meester antwoordt hun: Ik
zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.6
Vanaf Christus' komst moet de duivel
achterhoedegevechten voeren, ook al heeft hij grote macht en «wordt zijn
aanwezigheid sterker naarmate mens en samenleving zich van God verwijderen.»7 Door de doodzonde
worden veel mensen onderworpen aan de slavernij van de duivel.8 Ze verwijderen
zich van het koninkrijk Gods en treden aldus binnen in het rijk van de
duisternis, van het kwaad. In meerdere of mindere mate worden ze instrumenten
van het kwaad in de wereld, en worden ze onderworpen aan de ergste slavernij
die er is. Voorwaar, voorwaar Ik zeg
u: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde.9 De heerschappij
van de duivel kan zich ook openbaren op andere, meer normale, minder opvallende
manieren.
We moeten waakzaam blijven, om de listen van de
verleider te herkennen en af te wijzen. Hij zal ons onophoudelijk kwaad
proberen te doen, want wij zijn als gevolg van de erfzonde onderhevig aan onze
hartstochten, en blootgesteld aan de aanvallen van de begeerte en van de
duivel: wij zijn verkocht als slaven
aan de zonde.10 «Het hele individuele en collectieve leven van de mens vertoont zich
als een echt dramatische worsteling tussen goed en kwaad, tussen licht en
duisternis. Ja, de mens doet de bevinding op, dat hij niet in staat is uit
eigen kracht het offensief van het kwaad effectief te bestrijden; en zo voelt
iedereen zich als het ware geketend.»11 We moeten daarom de volle
betekenis geven aan de laatste bede die Christus ons heeft
geleerd in het Onze Vader: verlos ons
van het kwaad. We moeten de begeerlijkheid in toom
houden en met Gods hulp strijden tegen de invloed van de duivel, die altijd op
de loer ligt, en ons tot zondigen aanzet.
Naast de concrete historische gebeurtenis
waarover het evangelie verhaalt, kunnen we, in het licht van het geloof, in die
bezetene elke zondaar zien die zich tot God wil bekeren, door zich van de satan
en de zonde te bevrijden. Jezus is immers niet gekomen om ons te bevrijden «van
overheersende volkeren, maar van de duivel; niet van de gevangenschap van ons
lichaam, maar van de boosheid van de ziel.»12
«Bevrijd ons, Heer, van het kwaad, van de boze;
leid ons niet in bekoring. Geef in uw
oneindige barmhartigheid, dat wij niet toegeven aan de ontrouw waartoe
degene die vanaf het begin ontrouw is geweest, ons wil verleiden.»13
26.2 De ervaring van het beledigen van God is een reëel gegeven. De
christen kan dit diepe spoor van het kwaad gemakkelijk ontdekken, en hij ziet
een wereld die door de zonde is geknecht.14 De Kerk leert ons, dat er zonden zijn
die, van nature, 'doodzonden' zijn: deze veroorzaken de geestelijke dood, het
verlies van het bovennatuurlijke leven. Daarnaast zijn er 'dagelijkse zonden',
die zich weliswaar niet volledig tegen God keren, maar niettemin een hindernis
vormen om de bovennatuurlijke deugden te beoefenen, en de ziel makkelijker tot
het begaan van zware zonden brengen.
De heilige Paulus herinnert ons eraan, dat we
zijn vrijgekocht tegen een zeer hoge prijs.15 Hij spoort ons krachtig aan niet opnieuw
in de slavernij te vervallen: we moeten oprecht zijn tegenover onszelf, om het
terugvallen in de zonde te vermijden, en tegelijkertijd in onze ziel het
streven naar heiligheid aan te wakkeren. «Het eerste vereiste om het kwaad [...]
uit te roeien is zorgen bij onszelf een duidelijke, tot gewoonte geworden,
blijvende aversie tegen de zonde aan te kweken. Stevig en oprecht, met hart en
hoofd moeten we de doodzonde verafschuwen. Maar ook moet onze houding getuigen
van een diep ingewortelde weerzin tegen de vrijwillig bedreven dagelijkse
zonde, een afkeer van die misstappen die ons niet beroven van de goddelijke genade, maar wel een bedreiging
vormen voor de kanalen waarlangs die genade ons toestroomt.»16
De doodzonde is de ergste ramp die een christen
kan overkomen. Als hij zich door de liefde laat leiden, dan dient alles tot
glorie van God en dienstbaarheid aan zijn broeders, de mensen; de aardse
werkelijkheden worden dan geheiligd: gezin, beroep, sport, politiek... Wanneer
hij zich daarentegen door de duivel laat verleiden, introduceert zijn zonde in
de wereld een begin van radicale wanorde, die hem scheidt van zijn Schepper en
de diepe oorzaak is van alle gruwelen die er in de wereld zijn. Laten we God
bidden om die zuiverheid van geweten die ons
ertoe zal brengen dat we elke belediging van God verafschuwen, zonder ze ook te
vergoelijken of eraan te wennen; we moeten het klaaglied van de profeet Jeremia
-met zo'n sterke zin voor eerherstel- tot het onze maken: Hemel, sta hierover
ontsteld, huiver en sidder -godsspraak van Jahwe- want
mijn volk heeft dubbel misdreven: Mij hebben ze verlaten, de bron van levend
water, en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden.17 Hierin schuilt
de kwaadaardigheid van de zonde: dat de mensen, ofschoon zij God kenden, God niet de Hem toekomende eer en dank hebben
gebracht. Al hun denken is op niets uitgelopen en hun geest die het inzicht
verwierp werd verduisterd [...] Zij hebben [...] in plaats van de Schepper, de
schepping geëerd en aanbeden.18
De zonde, één enkele zonde, heeft op een soms
verborgen, soms zicht- en tastbare manier, een mysterieuze en verderfelijke
invloed op het gezin, de vrienden, de Kerk en op de gehele mensheid. Als een
rank ziek wordt, zal dat invloed hebben op de hele plant; als een rank
onvruchtbaar wordt, zal de wijnstok niet meer de vruchten voortbrengen die
ervan verwacht werden; erger nog, andere ranken kunnen dan ook ziek worden.
Laten we vandaag het vaste voornemen
hernieuwen, ons verre te houden van alles (shows, ongeschikte boeken, plaatsen
waar een man of vrouw die Christus wil volgen, niet hoort te komen...) wat
aanleiding kan geven tot belediging van God. Laten we echt houden van het
sacrament van boete en verzoening, en anderen leren het evenzo te beminnen door
een diepgaand onderricht over dit sacrament. Laten we vaak het lijdensverhaal
van de Heer overwegen, om het slechte van de zonde beter te kunnen begrijpen.
Laten we God bidden, dat het zo betekenisrijke volksgezegde: 'liever doodgaan
dan zonde doen' werkelijkheid in ons leven moge zijn.
26.3 We kunnen nooit ver genoeg doordringen in de realiteit van het mysterium iniquitatis,
de zonde. Maar als we de kwaadaardigheid van elke belediging van God beseffen,
dan zullen we ons nooit tevreden stellen met te strijden in het grensgebied
tussen de doodzonde en de dagelijkse zonde. De grootste zonde bestaat juist
hierin, «de dagelijkse schermutselingen te minimaliseren, die langzamerhand hun
sporen in de ziel achterlaten en haar ten slotte slap en broos maken,
onverschillig en onontvankelijk voor de stem van God.»19 Dagelijkse
zonden hebben deze verderfelijke invloed op zielen die niet krachtig strijden
om ze te vermijden, en ze vormen een voortreffelijke bondgenoot van de duivel,
die altijd erop uit is schade toe te brengen. Hoewel het genadeleven er niet
door vernietigd wordt, verzwakken zij dit wel. Zij bemoeilijken de beoefening
van de deugden, en de ingevingen van de Heilige Geest worden nauwelijks nog
gehoord. Als we niet krachtig reageren, zullen ze ons onvermijdelijk brengen
tot zware fouten en zonden. «Hoe bedroevend vind ik het, dat je geen verdriet
hebt over je dagelijkse zonden! -Want zolang je dat niet hebt, zul je geen
waarachtig innerlijk leven kunnen beginnen.»20 Laten we God bidden om zijn licht, zijn
liefde en zijn vuur om ons te zuiveren, opdat wij nooit de grootsheid van onze
roeping verminderen, opdat we nooit verstrikt raken in de geestelijke
middelmatigheid, waartoe een halfslachtige, slappe strijd tegen de dagelijkse
zonden leidt.
Om tegen de dagelijkse zonden te strijden moet
de christen het juiste belang eraan geven: ze zijn de oorzaak van geestelijke
middelmatigheid en lauwheid, en ze maken de weg van het innerlijk leven
wérkelijk moeilijk. De heiligen hebben altijd de biecht aanbevolen, die -veelvuldig,
oprecht en berouwvol beleefd- een effectief middel is tegen deze fouten en
zonden, en een zekere weg om vooruitgang te maken. De heilige Franciscus van
Sales gaf het volgende advies: «Zorg altijd voor een echt berouw over de zonden
die je biecht, hoe onbeduidend ze ook mogen zijn, en maak het krachtige
voornemen ze in de toekomst te vermijden. Velen verliezen grote weldaden en
veel geestelijk heil, omdat zij hun dagelijkse zonden uit gewoonte en als het
ware uit routine biechten, zonder te bedenken dat zij hun leven moeten beteren,
en er aldus de rest van hun leven onder gebukt blijven gaan.»21
Luistert heden dan naar
zijn stem: Weest niet halsstarrig,22 zo spoort de tussenzang in de heilige
mis ons aan. Laten we de Heilige Geest bidden, ons te helpen een hart te
krijgen dat steeds zuiverder en sterker is, in staat om elke knellende band af
te werpen en zich te openen voor God, zoals Hij van elke christen verwacht.
-1. Mc 1,21-28. -2. Vgl. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 13
augustus 1986. -3. Vgl. Mc 5,2-9. -4. Vgl. Ibidem. -5. Joh 12,31. -6. Lc 10,17-18. -7. Johannes
Paulus ii, o.c. -8. Vgl. Concilie van Trente, XIV
Sessie, 1. -9. Joh 8,34. -10. Vgl. Rom 7,14. -11. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 13. -12. H. Augustinus, Preek 48. -13. Johannes. Paulus ii,
Algemene audiëntie, 13 augustus 1986. -14. Vgl. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 2. -15. Vgl.
1 Kor
7,23. -16. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 243. -17.
Jer
2,12-13. -18. Rom 1,21-25. -19. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs
komt, 77. -20. Idem, De Weg, 330. -21. H. Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven, II, 19. -22. Tussenzang, Ps 95,7-8.
|