Twaalfde week door het jaar. Dinsdag
41. De smalle weg
-De weg die naar de hemel leidt is smal. Onthouding en
versterving. -Behoefte aan versterving. Strijd tegen gemakzucht. -Enkele
voorbeelden van matigheid en versterving.
41.1 Op weg naar Jeruzalem vroeg
iemand Hem, Heer, zijn het er weinig die gered worden?1 Jezus gaf geen direct antwoord, maar reageerde: Spant u in om door de nauwe deur binnen te komen, want Ik zeg u,
velen zullen het proberen, maar er niet in slagen binnen te komen. In
het evangelie van de heilige mis van vandaag spreekt Matteüs ook over deze
uitroep van de Heer: Hoe nauw toch is de poort en hoe smal
de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden.2
Het leven is een weg die bij God eindigt. Het is een korte
weg. Het is belangrijk dat bij het bereiken van ons reisdoel de deur open is en
dat we binnen mogen treden. «Wij zijn op onze tocht op weg naar de voleinding
van de geschiedenis... De Heer zelf zei: Zie, Ik kom spoedig,
en mijn loon breng Ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk... (Apok
22,12-13)».3
Er zijn twee wegen, twee levenshoudingen. De ene is de gemakkelijkste
en meest aangename weg zoeken, het lichaam verwennen en offers en boete
trachten te ontlopen; de andere weg is de wil van God zoeken, zelfs als het
moeite kost, de zintuigen bewaken en het lichaam beteugelen. Het is ofwel leven
als pelgrims die, aangezien ze slechts op doortocht zijn, alleen bij zich
dragen wat ze strikt nodig hebben, die niet veel waarde aan materiële zaken
hechten; of gebonden zijn aan gemakzucht, genot en materiële goederen, die als
doel op zichzelf en niet slechts als middelen worden gezien.
Een van deze twee wegen leidt naar de hemel. De andere naar de ondergang, en velen gaan die laatste weg. We moeten
onszelf vaak afvragen welke van deze twee wegen we volgen, waar we voor kiezen.
Stevenen we rechtstreeks op de hemel af, ondanks onze tekorten en zwakheden?
Volgen we de smalle weg? Beoefenen we voortdurend onthouding en versterving,
brengen we kleine maar niettemin reële offers? Waar richten we ons op? Wat is
werkelijk het onderliggende doel van alles wat we doen?
«Iets willen, maar alleen theoretisch en in beginsel,
betekent echter niet zoveel. [...] Een student die vastbesloten is arts te worden
zal zich niet laten inschrijven bij de Faculteit der Letteren... Zou hij zich
daarentegen wel bij die faculteit laten inschrijven, dan zou hij alleen al door
het feit van deze keuze laten zien dat zijn professionele ambities op
talengebied liggen en niet op dat van de medicijnen, ondanks alles wat hij
zegt. Dit is zo, omdat als we iets willen, we de geëigende middelen moeten
kiezen. Als iemand zegt dat hij naar huis wil, maar met opzet de weg zou kiezen
die hem naar het huis van zijn vijand brengt, dan zou blijken dat hij niet wil
wat hij zegt.»4 En wanneer hij dan als reden
opgeeft dat hij deze weg gekozen heeft omdat die gemakkelijker is, dan gaat het
hem in feite alleen om de weg zelf. Hij bekommert zich er niet om waar de weg
naar toe gaat.
Veel mensen leven met het oog op onmiddellijke doeleinden en
ze maken zich geen zorgen over God, begin en einddoel van ons leven. Om ons tot
Hem te richten zullen we ons moeten zuiveren: «De scherpe kanten moeten er
-zoals bij het bewerken van een stuk steen of hout- elke dag een beetje meer
afgevijld worden, door de gebreken aan ons persoonlijk leven achter te laten,
met een geest van boetvaardigheid, met kleine verstervingen...»5
41.2 We tonen -zelfs wie niet als
'rijk' beschouwd kan worden- een voorkeur voor de brede weg, de minst
oncomfortabele weg door het leven. We kiezen voor de wijde deur, die niet naar
de hemel leidt...
De weg die de Heer ons wijst is een vreugdevolle weg. Toch is
het tegelijkertijd ook de weg van het kruis en het offer, van matiging en versterving.
Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf
te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op zich te nemen.6 Als de graankorrel niet in de
aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft brengt hij rijke
vruchten voort.7
We moeten in dit leven de deugd van de matigheid in praktijk
brengen als we het leven hierna binnen willen gaan. Wij christenen moeten leven
in een geest van onthechting bij het omgaan met de dingen die we bezitten en
gebruiken. We moeten niet overdreven op materiële zaken gericht zijn. We moeten
niet proberen dingen te verwerven of vast te houden die overbodig zijn om in
onze behoeften te voorzien. Waar nodig, zal de manier waarop we ons op dit
gebied versterven een teken zijn waaruit de oprechtheid van onze bedoelingen
blijkt. We kunnen niet zijn als de mensen die door de economie als het ware
overheerst schijnen te worden; bijna geheel hun persoonlijk en maatschappelijk
leven is doordrongen van een geest die we 'economistisch' kunnen noemen.8 Hun doel is het bezit van materiële goederen, en ze
menen dat ze daarmee hun verlangen naar geluk kunnen vervullen. Ze hebben een
dwaze aandrang om die te verkrijgen, en ze vergeten al te gemakkelijk dat ons
leven een weg moet zijn die naar God leidt. Alleen dat: een weg die naar God
leidt. De Heer waarschuwt ons: Weest waakzaam! Zorgt ervoor
dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen
des levens.9 Houdt uw
lenden omgord en de lampen brandend! Gedraagt u als mensen die wachten op de
terugkomst van hun heer, die naar de bruiloft is.10
Op de brede weg van gemak, comfort en het vermijden van
verstervingen, schrompelt de genade die God geeft in elkaar en blijft ze
vruchteloos, zoals het zaad dat tussen de doorns valt. Ze
worden verstikt door de zorgen, de rijkdommen en de genoegens van het leven en
komen niet tot rijpheid.11«Soberheid
echter maakt het ons gemakkelijker tot God te naderen. Met een vol en verzadigd
lichaam is de ziel niet vrij om omhoog te vliegen.»12
We moeten voortmaken, naar God toe, en onze enige zorg zou
moeten zijn dat we op de goede weg zitten. Zijn we echt op de goede weg, de weg
van offer en boetedoening, vreugde en toewijding ten dienste van anderen?
Spannen we ons echt in om de verlangens naar gemakzucht en comfort die ons
steeds lokken te overwinnen?
41.3 Versterving is een zeer
effectief apostolisch wapen, zeker te midden van een al te vaak zo
materialistische omgeving. Het is een van de meest aanlokkelijke kenmerken van
het christelijk leven. Waar we ook zijn, we moeten ons inspannen om het goede
voorbeeld te geven, dat de beoefening van deze deugd bevordert. Het zal een
natuurlijke eigenschap moeten zijn van ons gedrag. Voor veel mensen was het
goede voorbeeld dat een christen gaf, het begin van het vinden van God.
Een sober leven is een leven van versterving en vreugde. We
zullen vaak genoeg gelegenheid vinden om de versterving te beoefenen in de
kleine dingen, die het ons verstand mogelijk maken ons lichaam te beheersen en
die de ziel in staat stellen de zaken die God betreffen te begrijpen.
Innerlijke versterving controleert onze verbeeldingskracht en ons geheugen en
houdt nutteloze of schadelijke gedachten en herinneringen op verre afstand.
Versterving wordt ook beoefend door de tong in bedwang te houden, door de
manier waarop we nutteloze en frivole gesprekken bijvoorbeeld of roddel
vermijden.
Om de smalle weg van matigheid te volgen moeten we ook
versterving van onze uiterlijke zintuigen beoefenen; zien, horen, voelen... «Aan
het lichaam moet men iets minder geven dan het vereiste. Zo niet, dan pleegt
het verraad.»13 We staan onszelf een beetje
minder toe dan we graag aan luxe zouden willen hebben, aan het toegeven aan
onze grillen enz. Er zijn veelvuldige gelegenheden tot versterving in het
gewone, dagelijkse leven, «in hard, constant, geregeld werken, wetend dat de
geest van offerbereidheid het best beleefd wordt door het werk waarmee we
begonnen zijn, perfect af te maken; in punctualiteit door onze dag met
heroïsche minuten te vullen; door zorg te hebben voor de dingen die we bezitten
of gebruiken; door de zorg in de vervulling van de eenvoudigste verplichtingen;
op de specifieke punten van naastenliefde waarmee we de weg naar heiligheid
aantrekkelijk maken voor anderen; soms kan een glimlach het beste teken zijn
van een geest van boetedoening...»14
De smalle weg loopt door alle activiteiten van een christen
heen, van onze houding ten opzichte van de luxe thuis tot de manier waarop we
het materiaal en de werktuigen waarmee we werken gebruiken; of de manier waarop
we ons ontspannen. In onze vrije tijd is het niet nodig veel geld uit te geven
of buitensporig veel tijd te besteden aan het spelen van spelletjes ten nadele
van onze andere verplichtingen. Een goed voorbeeld van matigheid en soberheid
kan men ook tonen door minder gebruik te maken van de televisie en van andere
hulpmiddelen tot ontspanning en plezier die de technologie ons biedt.
De smalle weg is veilig en aantrekkelijk. Langs deze weg, samen
met een zekere mate van soberheid en offerbereidheid, zullen we ook vreugde
vinden, want «dat Kruis is geen schavot meer, maar de troon van waaraf Christus
heerst. Met aan zijn zijde zijn Moeder, die ook onze Moeder is. De heilige
Maagd zal voor u de kracht verkrijgen die nodig is om vastbesloten in de
voetsporen van haar Zoon te lopen.»15
-1. Lc 13,23. -2. Mt 7,14. -3. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 45. -4. F. Suárez, La puerta angosta.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 403. -6. Lc 9,23. -7. Joh 12,24. -8. Vaticanum ii, o.c., 63. -9.
Lc 21,34. -10. Lc 12,35.
-11. Lc 8,14. -12. H. Petrus van
Alcántara, Tratado de la oración y de la
meditación, 11,3. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 196. -14. Idem,
Brief, 24 maart 1930. -15. Idem, Vrienden van God,
141.
|