Twaalfde week door het jaar. Maandag
40. De splinter in het oog van onze naaste
-Trots leidt tot het overdrijven van de fouten van onze
naasten en tot onderschatting en vergoelijken van onze eigen fouten. Wij moeten
negatieve oordelen over anderen vermijden. -Mensen nemen zoals ze zijn, met hun
gebreken. Hen helpen door middel van de broederlijke vermaning. -Positieve
kritiek.
40.1 Bij een bepaalde gelegenheid
zei de Heer tegen degenen die naar Hem aan het luisteren waren: Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en
merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder
zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de
balk nog! Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge
scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw
broeder.1
De geringste fouten van anderen worden overdreven als gevolg
van onze hoogmoed, terwijl onze eigen, misschien veel grotere gebreken
gereduceerd en goedgepraat worden. Meer nog, trots heeft altijd de neiging in
anderen te zien, wat in feite onze eigen fouten en onvolkomenheden zijn.
Vandaar dat de heilige Augustinus de wijze raad geeft: «Span je in om de
deugden te verwerven die je naaste volgens jou niet heeft, en dan zul je niet
langer hun tekorten zien, omdat jij ze zelf niet hebt.»2
De nederigheid heeft daarentegen een positieve invloed op een
reeks deugden die een goede menselijke en christelijke sfeer in het
maatschappelijk leven bevorderen. Alleen de nederige mens is in staat te
vergeven, te begrijpen en te helpen, omdat alleen hij beseft dat hij alles van
God ontvangen heeft. Hij is zich bewust van zijn eigen ondeugden, en hoezeer
hij zelf de goddelijke barmhartigheid nodig heeft. Aldus heeft hij, zelfs als
hij een oordeel moet vellen, begrip voor zijn naasten. Hij vindt excuses voor
hen en vergeeft wanneer het nodig is. Daarnaast hebben we slechts een zeer
beperkt zicht op de motieven die ten grondslag liggen aan het handelen van
anderen. Alleen God kan binnendringen in het diepste innerlijk van het hart,
gedachten lezen en de werkelijke waarde doorzien van alle omstandigheden die
elk handelen beïnvloeden en vergezellen.
We moeten leren verontschuldigingen te zoeken voor de overduidelijke
en onmiskenbare fouten van mensen met wie wij dagelijks te maken hebben, zodat
we ons niet van hen afkeren of onze achting voor hen verliezen vanwege hun
misstappen of incorrect gedrag. Laten we leren van de Heer, die «geenszins de
zonde kon excuseren van degenen die Hem gekruisigd hadden, maar die de
kwaadwilligheid afzwakte door hun onwetendheid als verontschuldiging aan te
voeren. Als we een zonde niet kunnen excuseren, laten we die dan op zijn minst
tot een reden van medelijden maken door ze toe te schrijven aan de meest
gunstige oorzaak die maar mogelijk is, zoals onwetendheid of zwakheid.»3
Als we ons inspannen om de goede kwaliteiten van onze naaste
te ontdekken, zullen we zien dat zijn karaktergebreken en gedragsfouten niets
zijn in vergelijking met zijn deugden. Deze positieve, juiste houding ten
opzichte van degenen met wie we voortdurend contact hebben, zal ons dichter bij
God brengen. We zullen groeien door innerlijke verstervingen, naastenliefde en
nederigheid. «Laten we ons altijd inspannen om naar de deugden en goede daden
van anderen te kijken -zegt de heilige Theresia ons- en hun fouten te bedekken
door aan onze eigen grote fouten te denken. Dit is de handelwijze die, hoewel
we daarin zeker niet aanstonds volmaakt zullen zijn, langzamerhand een grote
deugd voor ons zal verwerven: die van het inzicht dat alle andere mensen beter
zijn dan wijzelf. Op zulke wijze begint iemand, met Gods hulp, deze deugd te
verwerven.»4
We moeten een positieve houding aannemen ten opzichte van de
tekortkomingen van anderen, zelfs als het uiterlijke zonden zijn zoals roddel
en het slecht verrichten van het werk. In de eerste plaats moeten we voor hen
bidden, God om verzoening voor hen vragen en geduldig en sterk zijn. We moeten
hen meer beminnen en achten, omdat zij juist liefde en achting nodig hebben. We
moeten trouw zijn en hen helpen door onze broederlijke vermaning.
40.2 De Heer zond de apostelen
niet weg en Hij keek niet op hen neer vanwege hun gebreken, die overduidelijk
en helder in de evangeliën zijn weergegeven. Wanneer de apostelen zich aan God
wijden, worden ze in het begin soms bewogen door afgunst of woede, en zij
wedijveren zelfs om de voornaamste plaats onder hen. Op zo'n moment corrigeert
de Meester hen op fijngevoelige wijze, Hij is geduldig met hen en blijft van
hen houden. Hij leert diegenen van zijn navolgers die zijn leer zouden doorgeven,
iets dat wezenlijk is in het gezinsleven, in een werkomgeving, in persoonlijke
relaties, ja zelfs in de hele Kerk: naastenliefde door daden te beoefenen.
Anderen beminnen, ondanks al hun fouten, dát is de vervulling
van de Wet van Christus. Want de hele wet is vervat in dit
ene woord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.5 Dit gebod van Jezus leert ons, dat wij niet alleen
moeten houden van degenen die geen fouten hebben, of van hen die bepaalde
deugden bezitten. Omdat naastenliefde een opgelegde deugd is, vraagt de Heer
ons in de eerste plaats achting te hebben voor degenen die God naast ons heeft
geplaatst door bloedverwantschap of familiebanden, vervolgens degenen die samen
met ons werken en hen die onze vrienden en buren zijn... Deze naastenliefde zal
zijn eigen bijzondere kenmerken hebben, overeenkomstig de banden die ons verenigen.
Maar we moeten altijd een open, uitnodigende houding hebben en het verlangen om
iedereen te helpen. Het gaat hierbij niet om het beoefenen van deze deugd bij
denkbeeldige personen, maar bij degenen die thans met ons leven en werken, met
hen die we op straat tegenkomen tijdens het spitsuur, als het verkeer op z'n
drukst is en het openbaar vervoer overvol. Misschien dat we thuis of op kantoor
dwarsliggers tegenkomen of mensen die prikkelbaar of slecht gehumeurd zijn, die
zich ziek voelen of vermoeid zijn, die zelfzuchtig en jaloers zijn. Het gaat
erom, dat we kunnen omgaan met deze werkelijke, concrete mensen, dat wij
welwillend tegenover hen staan en hen helpen.
De fouten van onze naasten vragen om het antwoord van een
christen. We moeten begripvol zijn. We moeten voor hen bidden en hen indien
nodig helpen met een broederlijke vermaning. De Heer beveelt niets minders aan6, en de Kerk heeft dit altijd beoefend.
Deze broederlijke hulp is de vrucht van de naastenliefde. Ze
moet nederig beoefend worden, zonder te verwonden. De vermaning moet onder vier
ogen gegeven worden, op vriendelijke en positieve wijze en ze moet de vriend of
collega helpen om in te zien, dat het punt waar het om gaat zijn ziel of zijn
werk schade berokkent, of het anderen moeilijk maakt verder met hem om te gaan.
Het zou afbreuk kunnen doen aan de achting en het prestige onder de mensen,
waarop hij zou mogen rekenen. Het evangelische voorschrift gaat veel verder dan
het louter menselijke niveau, van maatschappelijke gebruiken en zelfs verder
dan vriendschap, als deze gebaseerd zou zijn op zuiver menselijke criteria. Het
is een teken van menselijke loyaliteit en het vermijdt elke kritiek of roddel
achter de rug van iemand om. Gedragen wij ons zo? Volbrengen we daadwerkelijk
dit gebod dat Christus zelf ons geeft?
40.3 Als we erop staan onze
aandacht niet te richten op de splinter in het oog van onze
naaste, zal het gemakkelijk zijn om kwaadsprekerij over iemand te
vermijden. Als we bij een gegeven gelegenheid de plicht hebben een oordeel over
een bepaald optreden uit te spreken, of kritisch te bezien wat iemand gedaan
heeft, dan moeten we altijd aldus handelen en in gedachten houden, dat we het
doen in aanwezigheid van God. We moeten bidden en onze bedoelingen zuiver
maken. We moeten de elementaire normen van voorzichtigheid en rechtvaardigheid
eerbiedigen. «Ik zal niet moe worden erop te wijzen», zou de H. Jozefmaria
Escrivá herhalen, «dat degene die de plicht heeft te oordelen, naar beide
partijen moet luisteren. Veroordeelt de wet soms iemand
zonder hem eerst te verhoren en te vernemen wat hij gedaan heeft? Zo
bracht die edele, getrouwe en oprechte man, Nicodemus, de priesters en
Farizeëen die Jezus zochten te veroordelen dit in herinnering.»7
Als we kritiek moeten geven, dan moet die kritiek altijd constructief
en passend zijn. We moeten altijd respect koesteren jegens de 'dader' en zijn
bedoelingen, die we slechts voor een deel kunnen weten. De christen uit zijn
kritiek op een zeer humane wijze, zonder te verwonden. Hij spant zich in de
vriendschappelijke betrekkingen te handhaven zelfs met hen die tegen hem zijn,
omdat hij respect en begrip toont.
In alle eerlijkheid oordeelt de christen niet over wat hij
niet kent. Als hij oordeelt, weet hij dat hij rekening moet houden met tijd en
plaats en met alle andere geldige omstandigheden, en dat hij zich zorgvuldig
moet uitdrukken. Anders kan hij gemakkkelijk vervallen tot laster of roddel.
Naastenliefde en eerlijkheid betekenen, dat we geen onherroepelijk oordeel
vormen op basis van een eerste simpele indruk. We mogen staaltjes van roddel
niet voor de waarheid houden, of die onbevestigde nieuwtjes -misschien worden
die wel nooit bevestigd!- die de goede naam van iemand of een instelling schade
berokkenen.
Naastenliefde helpt ons de fouten van anderen uitsluitend te
zien binnen de context van hun motieven en hun positieve kwaliteiten.
Nederigheid echter stelt ons in staat zoveel eigen zwakheden en fouten in
onszelf te ontdekken, dat wij, zonder pessimistisch te zijn, ertoe gebracht
worden God te vragen om óns te vergeven. We moeten begrijpen dat anderen hun
fouten hebben en we zullen ons inspannen om die te verbeteren door onze eigen
fouten te verbeteren. Om dit te kunnen bereiken moeten we leren, de eerlijke en
goed bedoelde kritiek van degenen die ons kennen en die voor ons zorgen, te ontvangen
en aan te nemen. «Een duidelijk teken van geestelijke grootheid is het
luisteren naar een raadgeving, die aannemen en er dankbaar voor zijn.»8 Het is typerend voor mensen die overstelpt zijn door
trots, dat ze geen raad willen accepteren. Ze hebben steeds een excuus achter
de hand of reageren verkeerd op hen die uit liefde of vriendschap hen willen
helpen een gebrek te overwinnen of willen voorkomen dat een slechte gedragslijn
zich herhaalt.
We hebben veel redenen om God te danken. Hierbij hopen we
mensen aan onze zijde te hebben die ons op tijd zullen waarschuwen als we iets
fout doen, en die ons adviseren wat we beter kunnen en moeten doen. Dit is
vriendelijke, eerlijke kritiek, die meer waard is dan zijn gewicht in goud.
De heilige Maagd Maria had steeds een passend woord. Ze
roddelde nooit en hield vaak het stilzwijgen.
-1. Mt 7,3-5. -2. H. Augustinus, Commentaar op de
Psalmen 30,2,7. -3. H. Franciscus van Sales,
Inleiding tot het devote leven, III, 28. -4. H. Theresia van Ávila, Het boek
van haar leven, 13,10. -5. Gal 5,14. -6. Mt 18,15-17. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, Brief, 29 september 1957. -8. S. Canals,
Ascética meditada.
|