Negenentwintigste week. Vrijdag
8. De tekenen des tijds
-Christus herkennen die ons leven doorkruist. -Het
geloof en de zuiverheid van de ziel. -Jezus ontmoeten en Hem aan anderen bekend
maken.
8.1 De mens heeft altijd belangstelling gehad voor de wisselingen van de
seizoenen en de veranderingen van het weer. Zeelieden hebben een heel
begrijpelijke belangstelling voor de weersomstandigheden, voor de richting en de kracht van de wind en voor wolkenformaties. Zij
verdiepen zich daarin om de
weersomstandigheden in hun werkgebied te kunnen voorspellen. In het
evangelie van de Mis van vandaag spreekt de Heer tot vissers en boeren, denkend
aan hun zorg: Wanneer gij een wolk
ziet opkomen in het westen, zegt gij terstond: er komt regen; zo gebeurt het
ook. En wanneer gij ziet dat er een zuidenwind waait, zegt gij: het wordt
gloeiend heet, en het gebeurt.1 Jezus geeft zijn toehoorders iets om over
na te denken -zij kunnen de tekenen van het weer verstaan uit heel kleine
aanwijzingen, maar zij lijken niet in staat de veelvuldige tekenen in de tijd
te verstaan als het om de Messias gaat! Hij vraagt hun: Hoe komt het dat gij niet uit uzelf de juiste gevolgtrekking
maakt? Bij velen ontbrak de goede wil en de juiste
intentie. Hun ogen waren gesloten voor het licht van het evangelie. De tekenen
van de komst van het Koninkrijk waren duidelijk in het Woord van God, in de wonderen die door de Heer verricht
werden en vooral in de Persoon van Christus, vlak voor hun ogen.2 Ondanks al deze
tekenen, waarvan er vele door de profeten voorspeld waren, trokken zij
niet de juiste conclusie. God was midden onder hen en zij herkenden Hem niet.
De Heer blijft ons leven doorkruisen. Hij maakt
ons zijn aanwezigheid duidelijk door verschillende tekenen, maar dikwijls
herkennen wij deze niet. Christus is in ziekte en beproevingen aanwezig die,
als wij Gods wil aanvaarden, kunnen dienen om ons te zuiveren. Hij is aanwezig
in de mensen met wie wij werken, in degenen die onze hulp nodig hebben, in de
leden van ons gezin, de bekenden die wij dagelijks ontmoeten... Jezus is achter
dat stukje goede nieuws. Hij wacht op onze gepaste dankbaarheid. Hij staat
klaar om ons nog meer zegeningen te schenken. Jammer genoeg zijn er veel
gelegenheden waarbij wij Hem niet danken. Wat zou het jammer zijn als wij van
God zouden afdwalen, doordat wij zo mateloos bezig zijn met onze eigen zaken!
Hoe zou ons leven er uitzien als wij echt in
Gods nabijheid zouden leven? Zouden wij niet ontdekken, dat veel van onze
boosheid en veel persoonlijke problemen zouden vervliegen? «Als we leven met
meer vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid, als we leven -en dat met een
sterk geloof!- in de zekerheid van die dagelijkse bescherming, dat het ons
nooit aan iets zal ontbreken, wat zou ons dan een hoop zorgen en ongerustheid
bespaard blijven. Heel wat bezorgdheid zou verdwijnen die naar het woord van
Jezus eigen is aan de heidenen, aan de
mensen in de wereld (Lc 12,30), aan hen die te
weinig gericht zijn op het bovennatuurlijke.»3
Deze zorgen en ongerustheid zijn het vooruitzicht voor degenen die leven alsof
de Meester nooit onder ons gekomen is.
8.2 De kracht
van ons geloof hangt voor een groot gedeelte af van de
instelling van onze wil. De Heer leerde de luisterende menigte: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft. Als iemand bereid is zijn
wil te doen, zal hij van deze leer
weten of zij uit God voortkomt of dat Ik haar uit Mijzelf verkondig. Wie
uit zichzelf spreekt, zoekt eigen eer. Wie
daarentegen de eer zoekt van Degene die Hem zond, hij is geloofwaardig
en er is geen bedrog in hem.4 Wanneer men niet bereid is een
gevaarlijke relatie te verbreken, wanneer men werkt zonder de juiste intentie
God erdoor te eren, dan kan het geweten gemakkelijk vertroebeld raken en de meest voor de hand liggende waarheden
kunnen er niet in doordringen. «Immers, de mens kan, ofwel geleid door vooroordelen
ofwel gedreven door hartstochten en kwade wil, een afwijzende houding aannemen
en zich verzetten niet alleen tegen de in het oog
springende klaarblijkelijkheid van de uitwendige tekenen, maar ook tegen
de bovennatuurlijke inwerkingen van de genade
van God in onze zielen.»5 Als de goede wil ontbreekt,
als iemand niet echt op God gericht is, zal het verstand talloze hindernissen
tegenkomen op de weg tot geloof, tot gehoorzaamheid en tot betrokkenheid op
God.6 Hoeveel gevallen hebben wij niet
meegemaakt, waarbij iemands geloofsproblemen werden opgelost door middel van
een goede biecht! «God geeft zicht aan degenen die in staat zijn Hem te zien.
Dat wil zeggen: omdat de ogen van hun geest open zijn voor Hem. Iedereen heeft
ogen, maar sommigen hebben ze afgeschermd tegen het licht van de zon. Zij
kunnen de zon helemaal niet zien. Maar zelfs, ofschoon de blinden de zon niet
kunnen zien, gaat deze door met schijnen. De mensen dus, die niet kunnen zien,
moeten hun onvermogen om te zien wijten aan hun eigen onvolkomen gezichtsvermogen.»7
Om het geloof in al
zijn volheid te ontvangen moeten wij een deemoedige houding hebben, «eigen aan
een christelijke ziel, en niet het streven de grootheid Gods terug te brengen
tot het armzalige vlak van het menselijke begrijpen en uitleggen... Door deze
houding zullen wij leren begrijpen en beminnen, en het geheim zal voor ons een
heerlijke les zijn, meer overtuigend dan ieder menselijk argument.»8
Onze morele instelling is heel belangrijk voor
onze vriendschap met God, vooral wat betreft nederigheid en zuiverheid van
hart. Het is mogelijk, dat de onzekerheid of de twijfels in het geestelijk
leven de oorzaak hebben niet in louter verstandelijke kwesties maar in een houding
van verzet tegen de goddelijke wil.9 De heilige
Augustinus vertelt zijn persoonlijke ervaring vóór zijn bekering: «Want er was
een honger binnen in mij door een gebrek aan dat innerlijke voedsel, dat
Gijzelf bent, God. Toch, terwijl ik hongerig was, had ik geen honger, ik had
geen verlangen naar onvergankelijk voedsel, niet omdat ik daarmee al verzadigd
was, maar omdat ik, hoe leger ik was, ik er des te meer afkeer van kreeg.»10 Laten wij onze bedoelingen zuiveren door als
gewoonte ons tot God te richten in kleine zaken. Alle eer aan God! Zo zullen wij bewerken
dat wij in zijn tegenwoordigheid zijn.
8.3 Het evangelie van vandaag eindigt met
deze woorden van de Heer: Wanneer gij
met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg nog moeite u van hem
te bevrijden; anders zou hij u wel eens voor de rechter kunnen slepen; de
rechter zal u aan de gerechtsdienaar overleveren en de gerechtsdienaar zal u in
de gevangenis werpen. Iedereen reist langs de weg
die leidt tot oordeel. Laten wij besluiten om belangrijke klachten en wrok
opzij te zetten nu wij er nog de tijd voor hebben. Laten wij de tekenen van de
tijd ontdekken, zoals zij zich in ons leven voordoen. Wanneer wij aan het einde
van de weg gekomen zijn, zal het te laat zijn deze tekortkomingen te verhelpen.
Nu is het de tijd voor ons om de zaak recht te zetten, om lief te hebben en
eerherstel te geven. De Heer nodigt ons uit om de ware betekenis van de tijd
opnieuw te ontdekken. Misschien hebben wij nog wat schulden uitstaan: schulden
bestaande uit dankbaarheid, vergiffenis, zelfs in rechtvaardigheid...
Natuurlijk moeten wij ook anderen helpen die
samen met ons op weg zijn om de tekenen des tijds te verstaan, om de voetstappen van de Heer te herkennen...
Misschien willen sommigen de Meester niet volgen, omdat zij kortzichtig
zijn. Dat was de moeilijkheid met velen in Palestina die Jezus hoorden preken.
«De God die door veel mensen bestreden wordt, is niet de ware God zelf, maar de
verkeerde voorstelling die men zich van Hem maakt: een God die de rijken
beschermt, die alleen maar vraagt en eisen stelt, die afgunstig zou zijn op
onze vooruitgang in de welvaart, die boven voortdurend zit te letten op onze
zonden, om het genoegen te smaken ons te straffen! ... Zo is God niet, Hij is
rechtvaardig en goed tegelijkertijd. Hij is ook Vader van de verloren zonen.
Hij wil ze niet zielig en ellendig zien, maar groots en vrij, als scheppers van
hun eigen bestemming. Niet alleen is God niet de rivaal van de mens, maar Hij
heeft de mens zelfs tot vriend willen hebben. Hij heeft hem geroepen om
deelachtig te worden aan Zijn eigen goddelijke natuur en aan Zijn eigen eeuwig
geluk. Het is niet waar, dat Hij overdreven eisen stelt: Hij is met weinig tevreden,
omdat Hij goed weet, dat we niet veel hebben... Die God zal zich steeds meer
gekend en bemind maken, bij allen, ook bij degenen die Hem nu verwerpen:
verwerpen, niet omdat ze slechte mensen zijn (misschien zijn het betere mensen
dan jij en ik) maar omdat zij naar Hem kijken vanuit een verkeerd standpunt!
Blijven zij daarom voortgaan niet in Hem te
geloven? Hij, God zelf antwoordt dan: 'Ik geloof wel degelijk in
jullie'.»11
God is een liefdevolle Vader. Hij wil zijn
kinderen niet van zich afstoten. Laten wij nooit onze hoop op Hem verliezen.
Laten wij anderen helpen de tekenen des tijds te verstaan. Zoals de boer het
weer voor morgen kan voorspellen, zo behoort de christen in staat te zijn het
gelaat van Christus, de Heer van de geschiedenis, te ontdekken in de grote en
kleine gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid. Met deze geweldige
kennis kan de christen anderen tot de waarheid brengen.
-1. Lc 12,54-59. -2. Vgl. Vaticanum ii, Lumen gentium, 5. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 116. -4. Joh 7,16-18. -5. Pius xii, Enc. Humani generis, 12
augustus 1950, 4. -6. Vgl. J. Pieper, La fe, hoy, Palabra,
Madrid 1968, bl. 107-117. -7. H. Theophilus
van Anthiochië, Boek 1, 2, 7. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 13. -9. Vgl. J. Pieper, l.c. -10. H.
Augustinus, Belijdenissen, 3,1,1. -11. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen, Haarlem 1978, p 24-25.
|