Palmzondag
40. DE TRIOMFTOCHT IN JERUZALEM
-Plechtige en tegelijk eenvoudige intocht in Jeruzalem. -De
Heer weent over de stad. De genade beantwoorden.-Blijdschap en smart op deze
dag: Christus consequent volgen, tot aan het kruis.
40.1 «Kom, en terwijl we optrekken naar de
Olijfberg, haasten we ons naar de ontmoeting met Christus die vandaag terugkomt
uit Betanië en zich, uit eigen wil, haast naar zijn eerbiedwaardig en
fortuinlijk lijden, om het geheim van de verlossing der mensen te voleinden.»1
Jezus verlaat Betanië in de vroege morgen. Sinds de vorige
avond hebben zich daar veel vurige leerlingen van Hem verzameld. Sommigen waren
uit Galilea op pelgrimstocht naar Jeruzalem om het paasfeest te vieren. Anderen
waren bewoners van Jeruzalem die afgekomen waren op de wonderbare recente
opstanding van Lazarus. Omringd door dit talrijke gezelschap, samen met anderen
die zich onderweg bij Hem voegen, neemt Jezus nogmaals de oude weg van Jericho
naar Jeruzalem in de richting van de lage heuvel van de Olijfberg.
De omstandigheden lenen zich voor een grootse ontvangst, want
het was gewoonte dat de mensen de stad uittrokken om de grotere groepen
pelgrims met zang en vreugdebetoon te begroeten bij hun binnenkomst in de stad.
De Heer laat geen enkel verzet blijken tegen de voorbereidingen van deze
jubeltocht. Hij kiest zelf het rijdier: een simpele ezel die Hij laat halen uit
Betfage dat vlakbij Jeruzalem ligt. De ezel werd in Palestina al sinds de tijd
van Bileam beschouwd als het rijdier voor
aanzienlijke personen.2
De stoet werd spontaan gevormd. Sommigen spreidden hun mantel
over de rug van het dier en hielpen Jezus met opstijgen.
Anderen kwamen aansnellen om hun mantels op de grond uit te spreiden zodat het ezeltje daarover kon gaan als
over een tapijt. En weer veel anderen renden met de stoet mee langs de kant van
de weg en zij legden groene takken langs de hele weg en zwaaiden met palm- en
olijftakken die zij plukten van de bomen die vlak langs de weg stonden. En bij het naderen van de stad begon
heel de menigte van zijn leerlingen, reeds op de helling van de
Olijfberg, opgetogen en met luider stem God te prijzen wegens alle wonderen die
zij gezien hadden, en zij riepen: Gezegend de Koning, die komt in de Naam des
Heren! Vrede in de hemel en eer in den hoge!3 Jezus maakt zijn intocht als Messias in Jeruzalem op een ezeltje, precies zoals
het eeuwen tevoren voorspeld was.4 En de zang van het volk is echte Messiaanse
zang. Dit gewone volk kende -en de farizeeën nog meer- die profetieën goed, en
het was dol van vreugde. Jezus aanvaardt de
eerbetuiging. Hij zegt tegen de farizeeën die deze blijken van geloof en
blijdschap de kop in willen drukken: Ik zeg
u: als zij zwijgen, zullen de stenen roepen.5
Alles bij elkaar is de triomf van Jezus een eenvoudige
triomf: «Zie, hoe Jezus zich tevreden stelt met een arm dier als troon. Ik weet
niet hoe het met u gesteld is, maar mij vernedert het niet, dat ik mij moet
beschouwen als een ezel in de ogen van de
Heer. Toen was ik een redeloos dier in uw bijzijn; en toch,
was ik niet altijd bij U? Gij hield mijn rechterhand vast (Ps 73,22-23). Gij leidt mij bij de halster.»6
Jezus wil ook vandaag in triomf binnentreden in het leven van
de mensen op een nederig rijdier. Hij wil dat wij van Hem getuigenis afleggen
in de eenvoud van ons werk, dat wij goed verrichten: met onze blijdschap, met
onze rustige kalmte, met onze oprechte belangstelling voor anderen. Hij wil
zich in ons aanwezig doen zijn door de omstandigheden van het menselijk leven.
Ook wij kunnen Hem vandaag zeggen: Ut iumentum factus sum apud te... «Als
een ezeltje sta ik voor U. En Gij bent altijd met mij. Gij hebt mij bij de
teugel genomen en mij uw wil doen vervullen. Et cum gloria suscepisti me,
en daarna hebt Gij mij krachtig in uw armen gesloten.»7 Ut iumentum... ik ben voor U
als een ezeltje, Heer... als een lastezel, en ik blijf altijd bij U. Dat kan een schietgebed voor ons zijn vandaag.
De Heer is Jeruzalem in triomf binnengetrokken. Een paar
dagen later zal Hij aan de rand van die stad aan het kruis genageld worden.
40.2 De triomfstoet van
Jezus heeft de top van de Olijfberg bereikt en daalt aan de westzijde ervan af
naar de Tempel die de stad daar beheerst. Van daaraf kan Jezus de hele stad
zien liggen. Bij dit uitzicht weent Jezus.8
Tussen zoveel kreten van blijdschap en een zo plechtige
intocht moeten deze tranen wel voor een complete verrassing gezorgd hebben. De
leerlingen stonden daar ontmoedigd bij het zien van Jezus. Al hun vreugde was
met één klap de grond in geboord.
Jezus ziet hoe Jeruzalem ondergedompeld is in zonde, in
onwetendheid, in blindheid: Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede
strekt. Maar nu is dat voor uw ogen verborgen.9 De Heer ziet hoe er andere dagen over
haar op zullen gaan, niet langer dagen van blijdschap en heil zoals deze, maar dagen van onheil en verwoesting. Jaren
later zal de stad met de grond gelijk gemaakt worden. Jezus beweent het
gebrek aan rouwmoedigheid van Jeruzalem. De tranen van Christus zijn
welsprekender dan woorden: in groot leed toont Hij zijn mededogen met de stad
die Hem verstoot.
Niets heeft geholpen: wonderen, daden, noch woorden, soms op
scherpe toon gesproken, andere vergevensgezind... Jezus heeft alles met iedereen
geprobeerd: in de stad, op het land, met eenvoudige mensen, met wijze geleerden,
in Galilea, in Judea... Ook nu en in elk tijdperk deelt Jezus de rijkdom van zijn
genade uit aan elke mens. Zijn wil is altijd gericht op ons heil.
Ook in ons leven heeft Hij geen middel onbeproefd gelaten. Zo
vaak heeft Hij die kleine ontmoetingen met ons gezocht. Zoveel gewone en
buitengewone genade heeft Hij over ons uitgestort. «Hij heeft zich immers, als
Zoon van God, door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd. Met menselijke handen heeft Hij werk
verricht, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil
heeft Hij gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad. Geboren uit de
maagd Maria, is Hij werkelijk één van de onzen geworden, in alles aan ons
gelijk, behalve in de zonde. Als een onschuldig lam heeft Hij vrijwillig zijn
bloed gestort en daarmee voor ons het leven verdiend; in Hem heeft God ons met
zichzelf en met elkaar verzoend en ons van de dienstbaarheid aan duivel en
zonde bevrijd, zodat ieder van ons met de apostel kan zeggen: de Zoon van God heeft
mij liefgehad en zichzelf voor mij overgeleverd (Gal 2,20).»10
De geschiedenis van iedere mens afzonderlijk is de
geschiedenis van de ononderbroken bezorgdheid van God om die mens. Elke mens is
het voorwerp van de uitverkiezing van God. Jezus probeert alles met Jeruzalem.
De stad laat haar poorten gesloten voor die barmhartigheid. Het is het grote
geheim van de vrijheid van de mens, waarin ook de trieste mogelijkheid besloten
ligt de genade van God te verwerpen. «Vrije mens, onderwerp je om vrijwillig te
dienen, zodat Jezus van jou niet hoeft te zeggen wat Hij van anderen aan de
heilige Theresia van Avila gezegd zou hebben:
'Theresia, Ik wilde wel... Maar de mensen wilden niet'.»11
Hoe staat het met ons beantwoorden van de telkens weer door
de Heilige Geest gestelde vraag heilig te zijn middenin onze werkzaamheden, in
onze omgeving? Hoe vaak zeggen we, zonder een dag over te slaan, 'ja' tot God
en 'nee' op het egoïsme, op de traagheid, op alles, al is het nog zo gering,
wat liefdeloosheid is?
40.3 Toen de Heer de
heilige stad binnentrok, kondigden de kinderen der Hebreeën de verrijzenis van
het leven aan. Zij riepen uit, met palmtakken in de hand: Hosanna in den hoge!12
Wij weten nu, dat deze triomftocht, voor velen, al snel in
het niets oploste. Het geestdriftige hosanna zal in vijf dagen omslaan
in de hysterische woede van het kruisigt Hem! Hoe kan dat, die
plotselinge ommezwaai, die onstandvastigheid? Om dat te begrijpen hoeven we
misschien niets anders te doen dan in ons eigen hart te kijken.
«Hoe anders klinken die stemmen -is het commentaar van de
heilige Bernardus- weg met Hem, weg met Hem, kruisigt Hem en hosanna,
gezegend Hij die komt in de naam des Heren, hosanna in den hoge. Wat een
verschil tussen de stemmen die Hem Koning van Israël noemen en die een
paar dagen later zeggen wij hebben geen andere koning dan de keizer. Wat
een verschil tussen de groene palmen en het kruishout, tussen bloemen en
doornen. Eerst doen ze hun eigen mantels uit en spreiden die als een tapijt
voor Hem, niet veel later ontdoen ze Hem van zijn kleren en werpen er het lot
over.»13
De triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem vraagt van
ieder van ons consequent en volhardend te zijn, onze trouw te vergroten opdat onze voornemens geen lichten zijn die een moment helder oplichten en weer
onmiddellijk uitdoven. In het diepst van ons hart bevinden zich vreemde
tegenstellingen: wij zijn in staat tot het beste en tot het slechtste. Als wij
het goddelijk leven willen behouden, als wij met Christus willen zegevieren,
wordt van ons standvastigheid gevraagd, wordt
ons gevraagd alles wat ons scheidt van de Heer en ons verhindert met de
Heer op te trekken naar het kruis, te laten afsterven door boetedoening.
«De liturgie van Palmzondag legt de katholieken dit gezang in
de mond: Verheft dan, poorten, uw hoofd, verhoogt u, deuren aloud, hier komt
de Koning der Eer (Ps 24,7) gezongen
tijdens de palmprocessie). Wie opgesloten zit in de burcht van zijn eigen
egoïsme zal niet afdalen naar het slagveld. Als hij echter de poorten van zijn
sterkte opent en de Koning der vrede laat binnentreden, zal hij met Hem ten
strijde trekken tegen alle misère die de blik verduistert en het geweten
afstompt.»14
Maria is ook in Jeruzalem, bij haar Zoon, voor het Paasfeest. Het laatste Joodse Pasen, het eerste Pasen
waarin haar Zoon Priester en Offer is.
Laten we niet van haar weggaan. Onze Lieve Vrouw leert ons standvastig
te zijn, te strijden in het kleine, zonder ophouden te geloven in de liefde van
Christus. Laten we het lijden en sterven van haar Zoon overwegen aan haar
zijde. Geen plaats is meer bevoorrecht.
-1. H. Andreas
van Kreta, Sermo 9 in Dominica in palmis. -2. Vgl. Num
22,21 e.v. -3. Lc 19,37-38. -4. Vgl. Zach 9,9. -5. Lc
19,40. -6. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 181. -7. Idem,
geciteerd door A. Vázquez de Prada,
El fundador del Opus Dei, bl. 124. -8. Vgl. Lc 19,41. -9. Lc
19,41. -10. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, n. 22. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 761. -12. Liturgie
van Palmzondag, responsorie bij de binnenkomst van de palmprocessie. -13. H. Bernardus van Clairvaux, Sermo in
Dominica in Palmis, 2,4. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 82.
|