Drieëndertigste zondag door het jaar (B)
38. De tweede komst van Christus
-Het verlangen om Gods aanschijn te zien. -Zijn
komst in heerlijkheid. -De hoop op de
dag des Heren.
38.1 Zo spreekt de Heer: Ik ken de plannen die Ik met u heb: Ik wil vrede en
geen onheil. Als gij Mij aanroept, zal Ik u verhoren en u terugvoeren uit de
ballingschap, waar gij ook maar verspreid zijt.1 Woorden van God, die de profeet Jeremia tot ons doet
komen in de Introïtus van de heilige Mis.
Jezus heeft de opdracht die de Vader Hem had
toevertrouwd, vervuld, maar zijn werk is in zekere zin nog niet voltooid. Hij
zal aan het einde der tijden terugkeren om af te maken wat Hij begonnen was.
Vanaf de eerste eeuwen belijdt de Kerk haar geloof in deze tweede, glorievolle komst van Christus, wanneer Hij, roemrijk en
zegevierend, zal komen om te
oordelen levenden en doden.2
«De Heilige Schrift -zo leert de Romeinse Katechismus- bevestigt ons deze twee
komsten van Gods Zoon. De ene, toen Hij omwille van ons heil vlees aannam en
mens werd in de schoot van de Maagd. De andere, wanneer Hij aan het einde van
de wereld zal komen om alle mensen te oordelen; deze laatste komst wordt dag des Heren genoemd.»3
Nu wij bijna aan het einde van het liturgisch
jaar zijn gekomen, brengt de liturgie van de heilige Mis ons deze geloofswaarheid
in herinnering. De eerste lezing4 laat ons zien
hoe de profeet Daniël deze komst aankondigde. In die tijd zal de grote vorst Michaël opstaan om de kinderen van je
volk te beschermen. Want het zal een tijd van nood zijn. Dan zal de volheid van het heil komen, door de verrijzenis van het
lichaam, voor al degenen in je volk,
die in het boek staan opgetekend. En velen van hen die slapen in het land van
het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om de smaad van
een eeuwige schande te ondervinden. De wijzen die
waarlijk de zin van het leven hier op aarde verstonden en trouw zijn gebleven, zullen stralen als de glans van het uitspansel. De profeet kondigt vervolgens de bijzondere glorie aan die ten deel
zal vallen aan al degenen die, door hun apostolaat in welke vorm dan ook,
bijgedragen hebben aan het heil van anderen: degenen die de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht, zullen
schitteren als de sterren voor eeuwig en immer.
De christenen van de eerste tijden, vurig
verlangend om het verheerlijkte aanschijn van Christus te zien, herhaalden
steeds weer de zoete aanroeping: Kom,
Heer Jezus, kom!5 Dit schietgebed is zo dikwijls herhaald, dat het ook is opgenomen in
het Aramees, de taal die Jezus en de apostelen spraken in de eerste
geschriften.6 Thans is het, in de onderscheiden
talen vertaald, een van de in de heilige Mis gebruikte acclamaties, na
consecratie en aanbidding. Wanneer Christus werkelijk tegenwoordig komt op het
altaar, geeft de Kerk Hem haar verlangen te kennen om Hem in verheerlijkte
toestand te zien. Op deze wijze «verbindt de liturgie van de aarde zich met de
liturgie van de hemel. En nu, zoals in iedere heilige Mis, komt tot ons hart,
dat zozeer troost behoeft, het geruststellende antwoord: Hij die hiervan getuigt zegt: Ja, Ik kom aanstonds.7 En ook al is het ogenblik om met Hem
in de hemel te zijn nog niet gekomen, toch loopt Hij op dit gelukzalige moment
vooruit, als Hij kort daarna in onze ziel komt op het ogenblik van de communie.
«Moge de hartstochtelijke aanroeping van de Kerk: Kom, Heer Jezus, kom! -zo bad paus Johannes
Paulus II- de spontane ademtocht worden van uw hart, dat nooit voldaan is over
het heden, omdat het neigt naar het 'nog niet' van de beloofde vervulling»8 wanneer wij met ons eigen, reeds verheerlijkt lichaam,
de volheid in God zullen vinden. In het binnenste van onze ziel zeggen we thans
tot Jezus: Vultum tuum, Domine,
requiram9, Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken; Uw aanschijn dat ik ooit, met de
hulp van uw genade, tot mijn grote geluk van aangezicht tot aangezicht zal
mogen zien.
38.2 De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker, Hij heeft mijn lot in
zijn hand. Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer, ik val niet, want Hij
staat naast mij. Daarom ben ik vrolijk en blij van geest, daarom kan ik rustig
gaan slapen. Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over, Gij levert uw
dienaar niet uit aan het graf.10 De tussenzang uit de heilige Mis
verwijst naar Christus, zoals wordt vertolkt in de Handelingen van de Apostelen11, en in Hem wordt de verrijzenis van ons lichaam aan
het einde der tijden aangekondigd. Wij kunnen daadwerkelijk in het binnenste
van ons hart zeggen, dat de Heer mijn
erfdeel is, mijn dronk uit de beker, wat mij ook
overkomt, en dat ik vrolijk en blij
van geest ben en ik rustig kan gaan slapen, nu en
aan het einde van de tijden. Christus is het grote geluk van ons leven. Hij is gezeten aan de rechterhand van God [...] nog
slechts wachtend op de tijd die rest.12
Aan het einde der tijden, zo lezen we in het
evangelie van de heilige Mis13, zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken,
met grote macht en heerlijkheid. Dan zal Hij zijn engelen uitzenden om zijn
uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken, van het einde der aarde
tot het uiteinde des hemels. Terwijl in zijn
menswording zijn Godheid verborgen of onbemerkt en in zijn lijden volkomen
verborgen bleef, zal Hij aan het einde van de eeuwen met grote macht en
heerlijkheid komen, zoals de profeet Daniël aankondigde, met grote tekenen op
aarde en in de hemel: de zon zal
verduisteren en de maan geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel
vallen en de hemelse heerscharen in verwarring geraken. Hij zal komen als Verlosser van de wereld, als Koning, Rechter en Heer
van het heelal, «niet om opnieuw geoordeeld te worden -leren de Kerkvaders-
maar om degenen die Hem ten oordeel riepen voor zijn rechtbank te dagen. Hij
die eertijds, toen Hij veroordeeld werd, het stilzwijgen bewaarde, zal het
geheugen opfrissen van de misdadigers die Hem durfden te beschimpen toen Hij
aan het kruis hing, en Hij zal hun zeggen: Dit hebt gij gedaan en Ik heb gezwegen.
»Toen kwam Hij, omwille van zijn genadige
voorzienigheid, om de mensen met zachte overredingskracht te onderrichten; maar
dan, in de toekomst, zullen de mensen, of zij willen of niet, zich
noodgedwongen moeten onderwerpen aan zijn koninkrijk [...]. Om die reden zeggen
wij in onze geloofsbelijdenis, zoals we die vanuit de traditie hebben
ontvangen, dat wij geloven in Hem die
opgevaren is ten hemel, zit aan de rechterhand van de Vader; die zal wederkomen
in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden en aan zijn rijk komt geen
einde.»14 En Hij zal
in heerlijkheid verschijnen aan degenen die Hem trouw gebleven zijn al de eeuwen
door, en ook aan hen die Hem loochenden, Hem vervolgden of leefden alsof zijn
dood aan het kruis een gebeurtenis zonder enig belang was geweest. Geheel de
mensheid zal zich ervan rekenschap geven hoe God de Vader Hem hoog verheven heeft en Hem de naam verleend heeft die
boven alle namen is, opdat bij het noemen van zijn naam zich iedere knie zou
buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot
eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer.15
Wat zullen we onze inspanningen om Christus te
volgen, al die kleine dingen, al die onbetekenende diensten die we elke dag
voor God proberen te doen en die misschien niemand ziet..., als welbesteed moeten
beschouwen! Jezus zal ons, als we trouw blijven, beschouwen als zijn vrienden
voor altijd. Daarom ben ik vrolijk en
blij van geest, en kan ik rustig gaan slapen.
38.3 Gij zult mij de weg van het leven wijzen, om heel mijn vreugde te
vinden bij U, bestendig geluk aan uw zijde16, vervolgt de
tussenpsalm.
De tweede komst van Christus wordt in de
Heilige Schrift dikwijls aangeduid met de Griekse term parousia, dat in
profaan taalgebruik betekende: de plechtige intocht van een keizer in een stad
of provincie, waar hij werd begroet als redder van dat land. Het ogenblik van
de intocht, dat altijd iets onverwachts had, werd als een feestdag beschouwd en
was soms het beginpunt van een nieuwe tijdrekening17:
men wilde daarmee aangeven dat met die gebeurtenis iets nieuws begon. Voor ons
zal de komst van Christus het grote feest zijn, want de ziel zal zich opnieuw
met het lichaam verenigen en er zal een «nieuwe tijdrekening» beginnen, een
nieuwe vorm van bestaan, waarin eenieder -lichaam en ziel- God voor eeuwig en
altijd eer zal brengen.
De hoop op die dag des Heren was voor de eerste christenen
een prikkel om te volharden en geduld te bewaren tegenover tegenslagen. De
heilige Paulus herinnert hier talloze malen aan. Ook voor ons zal het een grote
hulp zijn trouw te blijven aan de Heer, met name als de ons omringende kringen
soms vijandig tegenover ons staan en vol moeilijkheden zijn. De apostel
schrijft aan de christenen van Tessalonica: Broeders, wij voelen ons verplicht God telkens opnieuw voor u te
danken. En niet zonder reden: uw geloof groeit krachtig, steeds groter wordt
onder u de liefde van allen voor allen. Wij roemen dan ook over u in de
gemeenten van God, omdat uw geloof stand houdt onder al de vervolgingen en
verdrukkingen die gij moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u
zijn koninkrijk, waarvoor gij nu lijdt, zal waardig keuren.18
De Heer staat toe, dat wij soms wat moeten
lijden om trouw te zijn aan zijn onderricht, of dat ziekte of pijn ons treffen,
opdat wij ons vertrouwen op Hem vermeerderen, meer onthecht zijn van eer,
gezondheid, geld..., om zo het koninkrijk dat Hij ons bereid heeft, waardig te
worden. Eveneens opdat wij, op onze plaats te midden van de wereld, bedenken
dat «het koninkrijk van God, dat hier beneden in de Kerk van Christus is
begonnen, niet van deze wereld is, want die zal voorbijgaan, en dat we de groei
ervan niet mogen verwarren met het voortschrijden van menselijke beschaving,
wetenschap of techniek, maar dat dit koninkrijk erin bestaat, dat wij steeds
dieper de onpeilbare rijkdommen van Christus leren kennen, steeds krachtiger
het eeuwig goed verhopen, steeds vuriger Gods liefde beantwoorden, steeds overvloediger
de genade en heiligheid onder de mensen uitstrooien.»19
-1. Introïtus, Jer 29,11-12;14. -2. Symbolum van Nicea-Constantinopel. -3. Romeinse Katechismus, 1,8, n.2. -4. Dan 12,1-3. -5.
Apok 22,20. -6. Vgl. 1 Kor 16,22; Didache, 10,6. -7. Johannes Paulus ii, Homilie, 18 mei 1980. -8. Ibidem. -9. Ps 26,8. -10. Tussenzang, Ps 15,5;8-9. -11. Vgl. Hnd 2,25-32;13,35. -12. Tweede
lezing. Heb 10,11-14;18. -13. Mc 13,24-32. -14. H. Cyrillus van
Jeruzalem, Cathechesis 15, over de komsten van Christus. -15. Fil 2,9-11. -16. Tussenzang, Ps 15,10. -17. Vgl. M. Schmaus, Katholische Dogmatik, VII. -18. 2 Tes 1,3-5. -19. Paulus vi, Credo van het volk Gods, 27.
|