Tweede week. Maandag
9. DE VERBEELDING
-Innerlijke versterving nodig voor bovennatuurlijk leven.
-Versterving van de verbeelding. -In ons gebed goed gebruik maken van onze
verbeelding.
9.1 Het evangelie van
de Mis van vandaag1 vertelt
ons over het vertrouwelijk gesprek, dat op een avond tussen Jezus en Nikodemus
plaatshad; deze man is door de prediking en de wonderen van de Meester geraakt
en voelt de behoefte om meer te weten. Hij toont groot respect voor Jezus;
Rabbi, Meester, noemt hij Hem.
Nikodemus ondervraagt Jezus over zijn opdracht, wellicht nog
steeds onzeker of Hij weer een andere profeet is, of dat Hij de Messias is: Rabbi,
zegt hij tegen Hem, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt,
want niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is. En
Jezus antwoordt op een heel onverwachte manier. Nikodemus vraagt naar zijn
opdracht en Jezus openbaart hem een verbazingwekkende waarheid: een mens
moet worden herboren. Hij spreekt van een geestelijke geboorte door water
en de Heilige Geest; voor de ogen van Nikodemus ontvouwt zich een geheel nieuwe
wereld.
De woorden van Jezus openen ook een onbegrensde horizon voor
de geestelijke vooruitgang van elke christen, die ervoor zorgt volgzaam te zijn
en zich laat leiden door de ingevingen en aansporingen van de Heilige Geest.
Immers het innerlijk leven bestaat niet alleen in het verkrijgen van een reeks
van natuurlijke deugden of het in acht nemen van bepaalde vrome praktijken. Het
is een zaak van een volledige ommekeer -van in feite opnieuw geboren worden,
dat de Heer van ons vraagt: gij moet de oude mens van uw vroegere
levenswandel, die te gronde gaat aan zijn bedrieglijke begeerte, afleggen2, zei de heilige
Paulus aan de getrouwen van Efeze.
Deze innerlijke ommekeer is bovenal een werk van de genade in
de ziel. Het vereist echter ook onze medewerking door de versterving van het
verstand, van de herinnering en de verbeelding, om zo onze vermogens te
zuiveren, zodat het leven van Christus zich vrijelijk in ons kan ontwikkelen.
Vele christenen maken geen enkele vooruitgang in hun omgang met God in gebed,
omdat zij de innerlijke versterving verwaarlozen, waardoor de uiterlijke
versterving zijn grondslag verliest.
De verbeelding is ongetwijfeld een zeer bruikbare eigenschap, want de ziel, die verenigd is met het
lichaam, kan niet zonder behulp van beelden denken. Onze Heer sprak tot
de mensen door middel van gelijkenissen, waardoor Hij aan de meest diepgaande
waarheden uitdrukking gaf door middel van beelden. En we hebben gezien, hoe Hij
deze zelfde methode toepast bij Nikodemus. Op gelijke wijze kan de verbeelding
een grote hulp zijn in het innerlijk leven, om het leven van onze Heer of de
geheimen van de rozenkrans te overwegen. «Wil zij echter nuttig zijn, dan moet
de verbeelding geleid worden door de rechte rede voorgelicht door het geloof.
Anders zou zij wat men noemt 'la folle du logis' (Vgl. H. Theresia van Avila,
Vijfde verblijf, 4) kunnen worden. Zij zou ons van de goddelijke dingen
afleiden en ons voeren tot ijdele en onbestendige, fantastische en verboden
zaken. Minstens zou ze ons tot dromerijen brengen, waaruit een sentimentaliteit
voortkomt, die met iedere ware vroomheid in strijd is.»3
Gegeven onze toestand na de erfzonde kan de onderworpenheid
van de verbeelding gewoonlijk niet worden bereikt zonder versterving, «zonder
een ware discipline van de verbeelding. Want zij kan dan niet de 'folle du
logis' blijven en dient dan werkelijk in dienst gesteld te worden van het
verstand dat door het geloof wordt voorgelicht.»4
9.2 Toestaan dat onze verbeelding vrijelijk
rondzwalkt betekent in de eerste plaats het verknoeien van de tijd, die een
gave is van God en deel van de erfenis, geschonken door onze Heer. «Zet die
nutteloze gedachten van je af; je verdoet er immers alleen je tijd maar mee»5 is de raad van de
schrijver van De Weg. En daar komt nog bij dat de verbeelding die zich
zo verliest in fantasierijke en onvruchtbare dromen, een vruchtbare bodem is
waarin een groot aantal vrijwillige bekoringen zeker zullen opkomen om onze
nutteloze gedachten om te zetten in een echte gelegenheid tot zonde.6
Als deze innerlijke versterving ontbreekt, zijn de dromen van
de verbeelding vaak gericht op onze eigen talenten, en hoe goed we een bepaald
ding hebben gedaan, op de bewondering -hoe onwerkelijk ook, wellicht- die we in
onze eigen omgeving of bij bepaalde mensen opriepen ... En wat aldus begon als
een nutteloze gedachte, ontwikkelt zich tot een verlies van oprechtheid van
bedoeling, die tot dan toe ongerept was gebleven. Dan krijgt de hoogmoed, die
altijd klaar staat, vorm vanuit iets dat eerst geheel onschuldig leek. En als
de hoogmoed niet op tijd wordt gestopt, dan wordt al het goede vernietigd dat
men tegenkomt: in het bijzonder een groot deel van de aandacht die de anderen
verdienen om hun noden op te kunnen merken en de naastenliefde te beoefenen.
«De horizon van de trots is verschrikkelijk beperkt: het houdt op bij zichzelf.
Wie hoogmoedig is, kan niet verder kijken dan zichzelf: zijn kwaliteiten, zijn
deugden, zijn talent. Zijn horizon is zonder God. Zelfs andere mensen hebben
geen plaats in zijn beperkte horizon: er is geen ruimte voor hen.»7
Op andere ogenblikken houdt de verbeelding zich bezig met het
beoordelen van het gedrag van andere mensen, en het oordeelt vaak negatief en
weinig objectief. Want, als je niet naar anderen kijkt met begrip en met het
verlangen hen te helpen, krijg je een onrechtvaardige en gedeeltelijke kijk op
hen. Dan wordt hun gedrag beoordeeld zonder rekening te houden met de beweegredenen
die ze misschien hadden om zich op die wijze te gedragen. Alleen God kan
doordringen in het verborgene, de waarheid in 't hart lezen en de juiste
betekenis aan alle omstandigheden geven. Door een laakbare oppervlakkigheid
leiden die nutteloze gedachten tot een overhaast oordeel, dat voortkomt uit een
weinig oprecht hart en zonder dat God tegenwoordig is. Innerlijke versterving
ten aanzien van deze nutteloze gedachten zou dit inwendig gebrek aan
naastenliefde, dat iemand van God en van anderen afzondert, hebben vermeden.
«De reden voor zoveel overijlde oordelen is, dat zij van weinig belang worden
geacht. Desondanks is het een ernstige zaak, die tot zware zonde kan leiden».8
Het gebeurt vaak, als we niet alert zijn om nutteloze
gedachten af te kappen en dit als versterving aan onze Heer op te dragen, dat
onze verbeelding om onszelf draait. Zij schept dan illusies en situaties, die
niet passen bij de christelijke roeping van een kind van God, dat zijn hart op
Hem gericht behoort te hebben. Die gedachten verkoelen het hart; zij zonderen
ons van God af en maken het nadien moeilijk om het juiste klimaat voor de
dialoog met onze Heer te behouden te midden van onze bezigheden.
Laten wij vandaag onszelf in ons gebed onderzoeken hoe we
voortgang maken met deze innerlijke versterving, die zozeer helpt om de
aanwezigheid van onze Heer in ons leven te behouden en zoveel onjuiste zaken,
bekoringen en zonden te vermijden. Het is de moeite waard ernstig hierover te
mediteren, op een diepgaande wijze, met het verlangen doeltreffende voornemens
te maken.
9.3 Versterving van de verbeelding levert talloze
voordelen voor de ziel op. Het gaat niet alleen om bestrijding van het kwaad,
maar is positief gericht op het beleven van Gods tegenwoordigheid en de werking
van zijn liefde. Op de eerste plaats zuivert het de ziel en richt het die beter
op de levende tegenwoordigheid van God. Het helpt ons een goed gebruik te maken
van de tijd toegewijd aan gebed, omdat het de verbeelding en zijn fantasieën
zijn die vaak de dialoog met onze Heer afremmen en ons verstrooien, wanneer we
meer oplettend zouden moeten zijn -bij voorbeeld in de Mis en bij de communie.
Versterving van de verbeelding maakt het ons mogelijk in ons werk beter onze
tijd te gebruiken, het gewetensvol te doen en het te heiligen. Op het gebied
van de naastenliefde vergemakkelijkt het aandacht te hebben voor anderen in
plaats van in onszelf gekeerd te zijn, in dromen verzonken.
De verbeelding die door voortdurende versterving is
gezuiverd, en waarin nutteloze gedachten onmiddellijk worden verworpen, heeft
een belangrijke rol te spelen in het inwendige leven, in onze betrekkingen met
God. Het helpt ons de taferelen van het evangelie te overwegen, Jezus te
vergezellen in zijn jaren te Nazareth met Jozef en Maria en in zijn openbaar
leven met de apostelen. In het bijzonder is het een grote hulp bij de
overweging van het Lijden en de Dood van onze Heer en de geheimen van de
rozenkrans.
«Meng u vaak onder de personen van het Nieuwe Testament.
Geniet met volle teugen van die roerende taferelen waarin de Meester met
goddelijke en menselijke gebaren handelt, of met menselijke en goddelijke
toespelingen het prachtige verhaal van de vergeving vertelt, het verhaal van
zijn ononderbroken Liefde voor zijn kinderen. Deze flitsen van de hemel kunnen
wij ook nu zien, op het huidige moment, in de eeuwigheid van het evangelie.»9
«Als u bij gelegenheid niet de kracht kunt opbrengen in de
voetsporen van Christus te treden, wissel dan een paar woorden vol vriendschap
met hen die Hem van nabij hebben gekend tijdens zijn verblijf op deze, onze
wereld. In de eerste plaats met Maria, die Hem voor ons ter wereld heeft
gebracht. En met de apostelen. Onder degenen die bij gelegenheid van het
feest optrokken ter aanbidding waren ook enige Grieken. Deze nu klampten
Filippus van Betsaïda in Galilea aan en vroegen hem: Heer, wij zouden Jezus
graag spreken. Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten
Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over. (Joh 12,20-22). Is dit
niet bemoedigend? Die vreemdelingen durfden zich niet rechtstreeks tot de
Meester te wenden en ze zochten een goede tussenpersoon...
»Ik raad u aan in zo'n passage uit het evangelie op te
treden: één personage meer. Vorm u eerst een beeld van het tafereel of het
geheim, dat u zal helpen uw gedachten te verzamelen en te mediteren. Laat
daarna uw verstand zijn werk doen bij het beschouwen van een aspect van het
leven van de Meester: zijn vertederd Hart, zijn nederigheid, zijn zuiverheid,
zijn onderworpenheid aan de Wil van de Vader. Zeg Hem daarna, wat u gewoonlijk
op dit gebied overkomt, wat er bij u gebeurt, wat er aan de hand is. Blijf
opletten. Hij probeert u misschien ergens op te wijzen. Zo komen ook die
inwendige roerselen, die ontdekkingen en vermaningen te voorschijn.»10
En zo zullen wij Onze Lieve Vrouw nadoen die al deze
dingen -de gebeurtenissen in het leven van onze Heer- in haar hart
bewaarde en bij zichzelf overwoog.11
-1. Joh 3,1-8. -2. Ef 4,22. -3. R. Garrigou-Lagrange O.P., Het
zieleleven van den christen. I, bl. 268. -4. Ibidem. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
13. -6. Idem, De Voor,
135. -7. S. Canals, Ascética
meditada. -8. H. Jean-Baptiste Marie
Vianney, Preek over overijld oordelen. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 216. -10. Ibidem, 252-253. -11. Lc 2,19.
|