Drieëntwintigste week. Donderdag
16. De verdienste van goede werken
-Bovennatuurlijke beloning voor goede werken. -De
verdiensten van Christus en Maria. -Het dagelijkse leven aan God offeren.
Verdiensten verkrijgen voor de anderen.
16.1 De
Heer spreekt ons vaak over de verdienste die zelfs de kleinste van onze daden
heeft als we deze voor Hem verrichten. Zelfs een omwille van zijn zaak
aangeboden beker water zal niet onbeloond blijven.1
Als we trouw zijn aan Christus zullen we schatten vinden in de hemel als
beloning voor een leven dat dag in dag uit aan de Heer werd opgedragen. Het
leven is echt een tijd waarin we verdiensten moeten verwerven, want in de hemel
kunnen we dat niet meer; daar oogsten we alleen de beloning. Ook in het vagevuur,
waar onze zielen gezuiverd worden van de resten van onze zonden, kunnen we geen
verdiensten verwerven. Dit is de enige tijd waarin we verdiensten kunnen
verwerven: de dagen die ons hier op aarde resten, misschien nog maar een paar.
In het evangelie van vandaag leert de Heer dat onze werken,
om deze bovennatuurlijke beloning te verkrijgen, boven die van de heidenen
moeten staan. Als gij bemint wie u
beminnen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen
liefhebben. Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank
hebt ge dan? [...] Ook de zondaars lenen aan zondaars met de bedoeling evenveel
terug te krijgen.2 Liefde moet
alle mensen omvatten: ze moet zich niet alleen uitstrekken tot degenen die ons
weldaden bewijzen, want dan zou de hulp van de genade onnodig zijn. Zelfs
heidenen beminnen hen die hen liefhebben. De daden van een christen moeten niet
alleen menselijk goed en voorbeeldig zijn, maar overvloedig geïnspireerd door
de liefde tot God om ze bovennatuurlijk verdienstelijk te maken.
God heeft ons door de profeet Jesaja verzekerd: Electi mei non laborabunt frustra3, mijn uitverkorenen zullen niet tevergeefs arbeiden.
Niets wat voor God gedaan wordt zal vruchteloos zijn. Veel verdiensten zullen
we vast en zeker hier op aarde zien. Er zullen zegeningen zijn. De rest,
misschien het grootste deel, zullen we pas in Gods hemelse tegenwoordigheid
ontvangen. De heilige Paulus hield de eerste christenen voor: ieder ontvangt loon naar eigen arbeid.4 Ieder
ontvangt het loon voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad.5 Nu is het de tijd voor verdiensten. De heilige
Ignatius van Antiochië spoort ons aan: «Uw goede werken moeten investeringen
zijn waarvan u op een dag de rente zult ontvangen».6
Zelfs in dit leven betaalt God ons overvloedig terug.
16.2 Electi mei non laborabunt frustra.
De daden van elke dag -ons werk, de kleine diensten die we de anderen bewijzen,
blijdschap, ontspanning, verdriet en vermoeidheid die blijmoedig voor de Heer
worden gedragen en aan Hem worden opgedragen- zijn verdienstelijk, dank zij de
oneindige verdiensten die Christus zelf tijdens zijn aardse leven voor ons
verworven heeft. Van zijn volheid
hebben wij allen ontvangen; genade op genade.7 Aan bepaalde gaven worden andere toegevoegd, in de
mate waarin wij eraan beantwoorden; en alle gaven komen van Christus, die hun
enige bron is en wiens volheid van genade nooit uitgeput raakt. «Niet door haar
met ons te delen bezit Christus de gave [van de genade], maar Hijzelf is zowel
bron als wortel van alle deugden. Hij zelf is het leven, en het licht, en de
waarheid, en Hij houdt de overvloed van deze zegeningen niet in zich, maar
stort haar uit over alle anderen, en is ook na deze uitstortingen nog geheel
vol. Hij raakt op geen enkele wijze iets kwijt als Hij zijn weelde aan anderen
geeft, maar Hij blijft, terwijl Hij deze deugden kwistig uitdeelt onder en
deelt met alle mensen, in dezelfde staat van volmaaktheid.»8
De Kerk leert dat een enkele druppel van Christus' bloed
voldoende zou zijn geweest voor de verlossing van de hele mensheid. De heilige
Thomas drukt dit uit in zijn hymne Adoro
te devote, waarover veel christenen mediteren om hun liefde en
devotie tot de heilige eucharistie te doen groeien: Pie pellicane, Iesu Domine, me immundum munda tuo sanguine...
O liefhebbende pelikaan! O, Jezus,
Heer! / Onzuiver ben ik, maar zuiver mij in uw Bloed / Waarvan een enkele
druppel, vergoten voor de zondaars / De hele wereld kan zuiveren van al haar
schuld.
De kleinste daad van liefde die Jezus tijdens zijn kindertijd
verrichtte of tijdens zijn leven van arbeid in Nazareth, of op welk moment dan
ook van zijn aardse leven, had een oneindige waarde voor de mensheid -vroeger,
nu, en in de toekomst- om haar te helpen heiligmakende genade en het eeuwig leven
te verkrijgen.9
Niemand had zo volledig deel aan de verdiensten van Christus
als de heilige Maagd Maria, zijn Moeder en onze Moeder. Haar zondeloosheid
maakte haar verdiensten groter en haar daden verdienstelijker dan die van wie
ook. Omdat zij niet ten prooi was aan zondige begeerte en niet gehinderd werd
door andere belemmeringen voor de genade, was haar vrijheid groter, en
vrijheid is het fundamentele beginsel van de verdienste. Alle offers die zij
deed, alle zorgen die zij verdroeg, waren verdienstelijk, van de armoede van Bethlehem en de zorgen van de
vlucht naar Egypte tot het zwaard dat haar hart doorboorde bij het
aanschouwen van haar gekruisigde Zoon. En verdienstelijk waren alle blijdschap
en vreugden die voortsproten uit haar immens geloof en uit een liefde die alles
in haar leven doordrenkte. Het is ook niet de moeilijkheidsgraad die een daad
verdienstelijk maakt, maar meer de liefde waarmee ze gesteld wordt. Zoals de
heilige Thomas van Aquino zei: «De moeilijkheid die overwonnen wordt door het
liefhebben van je vijand is alleen verdienstelijk in de mate waarin de
volmaakte liefde die over die moeilijkheid triomfeert, erin blijkt.»10 Zo was de liefde van Maria.
Het moet ons blij maken regelmatig de oneindige verdiensten
van Christus te beschouwen, die de bron vormen van ons hele geestelijke leven.
Ons beschouwen van de genade die Maria voor ons verkregen heeft, zal onze hoop
ook sterken en onze geest doen herleven in tijden van moeheid of ontmoediging,
of als zij die we naar Christus willen brengen, ondanks het feit dat wij de
noodzaak van onze verdiensten voor hen blijven beseffen, niet lijken te
antwoorden. «Je zei me: 'Ik voel niet alleen, dat ik niet in staat ben om op de
weg vooruit te komen, maar ook om het heil te bereiken -och, mijn arme ziel-
zonder een wonder van de genade. Ik ben koud en -erger nog- gevoelloos: net
alsof ik iemand ben die 'mijn geval' bekijkt, die het niets kan schelen wat hij
ziet. Zouden deze dagen onvruchtbaar zijn? En toch is mijn Moeder mijn Moeder,
is Jezus -durf ik te zeggen- mijn Jezus. En er zijn heilige zielen die voor mij
bidden.'
»Blijf voortgaan aan de hand van je Moeder, antwoordde ik
je, en 'durf' Jezus te zeggen dat Hij jouw Jezus is. Uit goedheid zal Hij
heldere lichten in je ziel plaatsen.»11
16.3 Electi mei non laborabunt frustra.
Een verdienste is een recht op een beloning voor de werken die we doen, en
letterlijk al onze werken kunnen verdienstelijk zijn, omdat ze ons in staat
stellen ons hele leven tot een tijd van verdienste te maken. De theologie leert
ons12 dat verdienste, in de eigen betekenis van
het woord, «de condigno», dat is waarvoor rechtens of tenminste krachtens een
belofte, een vergoeding verschuldigd is. Zo verdient in de natuurlijke orde de
arbeider zijn loon. Er is ook een ander soort verdienste die «gepast», «de
congruo», genoemd wordt, waarvoor een vergoeding verschuldigd is, niet strikt
van rechtswege of uit hoofde van een belofte, maar om redenen van vriendschap
of waardering, of eenvoudigweg uit vrijgevigheid. Zo zal in de natuurlijke orde
de soldaat die zich door dapperheid in de strijd onderscheiden heeft, «de
congruo», een decoratie verdienen. Moed wordt van hem, als soldaat, vereist;
maar als hij had kunnen opgeven en het niet deed, of als hij zich beperkt zou
kunnen hebben tot het louter vervullen van zijn plichten en hij verrichtte een
buitengewone inspanning, dan zal zijn commandant zo'n handelwijze willen
belonen met een hogere toelage dan gebruikelijk is.
In de bovennatuurlijke orde verwerven onze daden door de wil
van God een vergoeding die alle eer en roem die de wereld kan bieden, ver te
boven gaat. Door in zijn dagelijks leven zijn plichten te vervullen, verdient
de christen in staat van genade meer genade in zijn ziel en het eeuwige leven.
«Want deze kleine kortstondige kwelling bereidt voor ons een eeuwig gewicht aan
glorie dat met niets te vergelijken is.»13
De werken die we elke dag doen zijn verdienstelijk als we ze
goed en met oprechtheid van bedoeling verrichten, als we ze bij het begin van
de dag en in de heilige Mis aan God opdragen, als we een taak met een juiste
intentie beginnen en afmaken. Onze werken
zullen vooral verdienstelijk zijn als we ze verenigen met de
verdiensten van Christus en die van Maria. Op deze wijze verkrijgen we de
genade die Jezus voor ons verdiend heeft, met name aan het kruis, en die ook
Maria voor ons verworven heeft, doordat zij op buitengewone wijze mede-verlost
heeft met haar Zoon. God, onze Vader, ziet
onze werken dan bekleed met een nieuw en oneindig merkteken, daar we
deelgenoot zijn geworden van de verdiensten van Christus.
Als we ons bewust zijn van deze bovennatuurlijke
werkelijkheid, moeten we ons dan niet afvragen of we proberen alles aan de Heer
op te dragen -de gewone dingen van elke dag en de buitengewone of moeilijke
dingen, zoals ziekte, vervolging of laster? Vooral op deze zeer moeilijke
momenten moeten we denken aan de woorden uit het evangelie van de Mis: Dan zal uw loon groot zijn.14 Want dit zijn de gelegenheden om de Heer dieper te
beminnen en ons nader met Hem te verenigen.
Er is nog iets wat ons kan helpen onze taken volmaakter te
verrichten. Dat is het besef dat we hierdoor «gepaste» verdiensten kunnen
verwerven -vertrouwend op onze vriendschap met de Heer- de bekering van een
zoon, een broer of een vriend, zolang wij zelf in staat van genade zijn en
proberen ons werk volmaakt te verrichten, enkel tot eer van God. Zo deden de
heiligen het.
Laten we daarom elke gelegenheid om anderen te helpen langs
de weg naar de hemel, ten volle benutten. En laten we met nog meer vuur en
volharding zo handelen bij degenen die God dichtbij ons geplaatst heeft en bij
degenen aan wie je kunt zien dat ze grote behoefte hebben aan geestelijke hulp.
-1. Vgl. Mt
10,42. -2. Lc
6,32-34. -3. Jes
65,23. -4. 1 Kor 3,8.
-5. 2 Kor 5,10; vgl.
Rom 2,5-6. -6. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de heilige Polycarpus van Smyrna, I.
-7. Joh 1,16. -8. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Johannes, 14,1. -9. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., Le Sauveur et son amour pour nous,
Parijs 1952. -10. H. Thomas van Aquino, Quaestiones disputatae de caritate, q8, ad 17.
-11. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 251. -12. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., o.c. -13. Vgl. Lc 6,20-26. -14. Vgl. Lc 6,35.
|