Vierentwintigste zondag door het jaar (C)
21. DE VERLOREN ZOON
-De onuitputtelijke barmhartigheid van God. -Herkregen waardigheid. -God dienen is een
eer.
21.1 God, ontferm U over mij in uw
barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen
van mij af, reinig mij van al mijn zonden. Schep in mij een zuiver hart, mijn
God, geef mij weer een vastberaden geest. [...] Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid,
een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af.1
De liturgie geeft ons wederom de onuitputtelijke barmhartigheid
van God ter overweging. Hij is de God die vergeeft en vreugde heeft in de
bekering van een enkele zondaar. Wij zien in de eerste lezing2 hoe Mozes bij God bemiddelde ten gunste van het
uitverkoren volk. Zij waren afgedwaald van het Verbond, zelfs terwijl Mozes in
gesprek was met God op de berg Sinaï. Mozes doet geen enkele poging de zonden
van het volk te vergoelijken. In plaats daarvan vertrouwt hij op de oude
beloften van de Heer en op zijn grote barmhartigheid. Vele eeuwen later zag de
heilige Paulus zijn persoonlijke ervaring in hetzelfde licht. Hij schreef aan
Timotheus deze woorden in de tweede lezing van vandaag: Dit woord is betrouwbaar en volkomen geloofwaardig: Christus
Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden. En de eerste van hen ben
ik. Maar daarom juist is mij barmhartigheid betoond, opdat Jezus Christus
allereerst aan mij zijn gehele lankmoedigheid zou bewijzen, tot voorbeeld voor
allen die Hem hun geloof zouden schenken ten einde het eeuwige leven te winnen.3 God wordt het vergeven nooit moe en blijft ons
helpen dichter bij Hem te komen.
In het evangelie van de Mis van vandaag geeft de heilige
Lucas4 de parabels van Christus weer over
goddelijk medelijden. God is buiten zichzelf van vreugde over de bekering van
een enkele zondaar. De centrale persoon in deze parabels is God zelf. Hij doet
alles wat Hij kan om van zijn kinderen diegenen te redden die voor de
verleiding bezweken zijn. Hij is de goede Herder die op zoek gaat naar het
verloren schaap. Wanneer Hij het gevonden heeft brengt Hij het naar huis op
zijn schouders, omdat het volkomen uitgeput is, doodop door zijn
ongehoorzaamheid. God wordt voorgesteld als de vrouw die een drachme verloren
heeft. Zij steekt de lamp aan en veegt het huis om de munt te kunnen vinden. Tenslotte
wordt Hij gezien als de liefhebbende vader, die iedere dag naar buiten gaat om
de terugkeer van de verloren zoon af te wachten. Hij tuurt naar de horizon om
te zien of die vreemdeling daar in de verte zijn jongste zoon is. Clemens van
Alexandrië heeft geschreven: «Gods liefde voor de mensen is zoals de zorg van
de moedervogel voor haar jong dat uit het nest gevallen is. Als een slang zou
dreigen het diertje te verslinden, blijft ze erboven fladderen en spreidt haar
vleugels om het te beschermen (Dt 32-11). Zo ook zoekt God als een Vader zijn
gevallen schepsel, geneest hem van zijn dwaling, verjaagt het wilde beest dat
hem wil aanvallen en brengt hem weer in veiligheid. God moedigt de ziel aan om
opnieuw uit te vliegen en weer terug te keren naar het nest.»5
Zo zal er in de
hemel vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert. Hoe kunnen
wij met deze hemelse vreugde in het vooruitzicht, nalaten ons best te doen zo
goed mogelijk te biechten? Zouden wij niet ons uiterste best moeten doen onze
vrienden naar dit sacrament van barmhartigheid te brengen? Daar zullen zij hun
verloren vrede, blijdschap en waardigheid hervinden. De ongelooflijke
barmhartigheid van God moet onze grootste motivatie tot berouw zijn, zelfs
wanneer wij ver zijn afgedwaald. Voordat wij onze hand om hulp kunnen
uitstrekken, reikt Gods uitgestrekte hand al naar ons.
21.2 «De
zonde, zo duidelijk beschreven in het gedrag van de verloren zoon, bestaat in
opstandigheid tegen God, of althans in onverschilligheid of het vergeten van
Hem en zijn liefde.»6 Dit roekeloze verlangen om
onafhankelijk van God te leven wordt gesymboliseerd door de zucht naar «een ver
land. Deze 'vlucht weg van God' heeft voor de mens een situatie van diepe
verwarring over zijn eigen identiteit tot gevolg en tevens een pijnlijk gevoel
van armoede en wanhoop; de verloren zoon, zoals de parabel ons vertelt, begon
na dit alles te voelen, dat hij in uiterste nood was en hij, die in vrijheid
geboren was, verhuurde zich als knecht aan een van de plaatselijke bewoners.»7 Wat is het verschrikkelijk om ver van God te zijn!
De heilige Augustinus vraagt zich af: «Hoe zal men het goed kunnen maken zonder
Christus? Wat zal er mis gaan als we bij Hem zijn?»8
De parabel van de verloren zoon is voor ons een uitnodiging
om na te denken over de grote liefde van God voor ons. Wanneer de jongste zoon
uiteindelijk de beslissing neemt om naar huis terug te keren als extra dagloner
op de boererij van zijn vader, snelt zijn vader hem tegemoet. De vader geeft
vele tekenen van zijn liefde aan zijn deemoedige zoon. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen en hij werd door
medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem
hartelijk. Hij verspilt geen tijd om de verloren zoon weer thuis
te verwelkomen als zijn echte zoon. «Dit zijn de woorden uit de Heilige
Schrift: Zijn vader viel hem om de
hals en kuste hem hartelijk. Valt er nog menselijker te spreken?
Kan met een nog duidelijker beeld de vaderlijke liefde beschreven worden die
God voor de mensen heeft?
»Wij kunnen onmogelijk
zwijgen tegenover een God die naar ons toe vliegt, en wij zullen Hem dus
zeggen: Abba, Pater. Vader! mijn Vader! Want al is Hij de Schepper van het
heelal, het kan Hem niet schelen, dat wij geen hoogdravende titels gebruiken en
Hij mist totaal niet de erkenning van zijn heerschappij die Hem toekomt. Hij
wil dat wij hem Vader noemen, dat wij dat woord proeven en zo onze ziel met
vreugde wordt vervuld.»9 Vader, onze Vader, wij
hebben U al zo vaak aangeroepen en toch heeft U ons steeds vervuld met uw vrede
en troost...
Tot op dit ogenblik heeft de vader geen woord gezegd. Hij is
nu vervuld van blijdschap. Hij stelt geen voorwaarden aan zijn zoon. Hij wil
niet bij het verleden blijven stilstaan. Hij denkt al aan de toekomst. Hij wil
meteen de verloren waardigheid van zijn zoon herstellen. Daarom staat hij hem
zelfs niet toe alle schuld te bekennen. Haalt vlug het mooiste
kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt
hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten wij eten en
feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden; hij
was verloren en is teruggevonden. De beste mantel zou van zijn
zoon de eregast maken. De ring zou het herstel symboliseren van de waardigheid
van een geliefde en geëerde zoon. De sandalen zouden laten zien dat hij een
vrij man is.10 «Deze liefde is in staat zich te
buigen naar iedere verloren zoon, naar elke menselijke ellende en bovenal naar
elke vorm van zedelijke ellende, naar de zonde. Wanneer dit gebeurt voelt de
persoon die het onderwerp is van barmhartigheid, zich niet vernederd, maar
eerder hervonden en hersteld in zijn waarde.»11
In het sacrament van de biecht handelt God door middel van de
priester om ons weer in staat van genade te brengen en tot de waardigheid van
kinderen van God. Christus stelde dit sacrament in, zodat wij telkens weer
zouden terugkeren naar het vaderhuis. De Heer vervult ons met zijn genade en
plaatst ons, als ons berouw eerlijk is en oprecht, zelfs hoger in zijn gunst
dan wij tevoren waren. «Hij brengt uit onze armetierigheid rijkdom, uit onze
zwakte kracht te voorschijn. Wat zal Hij ons niet bereiden, als wij Hem niet
links laten liggen, als wij elke dag veelvuldig met Hem omgaan, als wij de
liefde die wij in woorden uitspreken met daden bewijzen, als we overtuigd van
zijn almacht en barmhartigheid alles aan Hem vragen? Alleen al omdat zijn zoon,
na hem in de steek gelaten te hebben, terugkomt, bereidt hij een feest; waarmee
zal Hij ons dan wel niet verblijden, als wij zorgen altijd aan zijn zijde te
verkeren?»12
21.3 Ze begonnen dus feest te vieren...
Het lijkt of met deze verzoening tussen vader en zoon de parabel eindigt. Maar
op dit ogenblik verkiest de Heer een nieuwe persoon het verhaal binnen te
voeren. Het is de oudste zoon. Intussen
was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis
naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechts en vroeg hem
wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuis gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf
laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Zijn broer was thuisgekomen!
Maar hij werd
kwaad en wilde niet naar binnen. De heilige Augustinus vertelt
hier: «Ben je niet blij met de viering in je vaders huis? Stemt het feest met
het gemeste kalf niet tot nadenken? Niemand wil jou uitsluiten van het feest.
Alles is echter tevergeefs. De oudste zoon wordt boos en wil niet naar binnen
gaan.»13 In zijn opwelling van wrok onthult hij
zijn diepste beweegredenen: Al
zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, en toch hebt gij
mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden een feest te vieren. En
nu die zoon van u is gekomen, die uw vermogen heeft verbrast met slechte
vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten!
De vader is God. Hij heeft altijd zijn armen uitgestrekt,
omdat Hij vol barmhartigheid is. De jongste zoon is de afbeelding van de
zondaar die zich tot God bekeert. En de oudste zoon? Hij is de werker die op
het veld heeft gewerkt, maar zonder vreugde. Hij heeft gediend omdat hij moest
dienen. In de loop der jaren is zijn hart verkild. Zijn gevoel voor
medemenselijkheid is verdwenen. Zijn broer is die zoon van u geworden. Wat een treffend
verschil is er tussen de grootmoedigheid van de vader en de bekrompenheid van
de oudste zoon! Het dienen van God en het genieten van zijn vriendschap zou een
voortdurend feest moeten zijn. «Dienen is heersen.»14
De oudste zoon vertegenwoordigt degenen die vergeten zijn dat God dienen een
geweldige eer is. In de dienstverlening zelf wordt een deel van de beloning
gevonden: Jongen, jij bent altijd
bij me en alles wat van mij is, is ook van jou... «Daarom, alle eer
en glorie zijn van ons, als wij werkelijk van God zijn.»15 God zelf wil ons geven van zijn rijkdom. Wat kunnen
wij verder vragen?
Laat ieder wat
hij in zijn hart besloten heeft, ten uitvoer brengen, zonder pijn en zonder
dwang, want God houdt van een blijmoedige gever.16 Er zijn altijd vele redenen om feest te vieren als
wij werkelijk leven in Gods nabijheid. Wij hebben een bijzondere kans om
grootmoedig te zijn in onze omgang met onze naasten. «Wat een zoete vreugde is
het eraan te denken dat God rechtvaardig is; dat Hij dus rekening houdt met
onze zwakheid en de kwetsbaarheid van ons menszijn volkomen begrijpt! Dus, waarvoor
zou ik bang zijn? Als God, die volmaakt rechtvaardig is, zoveel barmhartigheid
toont door de verloren zoon te vergeven, zou Hij dan ook niet rechtvaardig zijn
voor mij die altijd bij Hem ben?»17
-1. Tussenzang,
Ps 51,3-4;12;19. -2. Ex
32,7-11;13-14. -3. 1 Tim 1,15-16. -4. Lc 15,1-32. -5. Clemens van
Alexandrië, Protrepticus, 10. -6. Johannes
Paulus ii, Homilie, 17
september 1989. -7. Ibidem.
-8. H. Augustinus, Commentaar over het evangelie van Johannes,
51,11. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
64. -10. Vgl. H. Augustinus, Preek 11, 7. -11. Johannes Paulus ii, Enc. Dives in misericordia, 30 november 1980, 6.
-12. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 309.
-13. H. Augustinus, Preek 11, 10. -14. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 36. -15. H. Augustinus, Preek 11,13. -16. 2 Kor 9,7. -17. H. Theresia
van het Kind Jezus, Geschiedenis
ener ziel, 8.
|