2 januari
40. DE VERLOSSER AANROEPEN
-In
vriendschap en vertrouwen met de Heer omgaan. -De naam Jezus. Schietgebeden. -De
omgang met Maria en met Jozef.
40.1 Wanneer in het gewone leven iemand
bij zijn voornaam aangesproken wordt, is dat een blijk van vertrouwelijkheid.
«Er breekt definitief een nieuwe fase aan in een vriendschap -ook in een nog
oppervlakkige-, als twee mensen elkaar als vanzelf en zonder terughoudendheid
bij de voornaam beginnen te noemen. En als wij verliefd worden en al onze
waarnemingen scherper worden, zodat kleine dingen erg veel voor ons gaan
betekenen, is er in de wereld een doopnaam die onze ogen en oren in de ban
houdt op het moment waarop wij die op een pagina van een boek geschreven zien
of in een gesprek opvangen. Wij raken puur door het treffen van die naam
aangenaam aangedaan. Dit gevoel van persoonlijke liefde legden mensen als sint
Bernardus in de heilige naam Jezus.»1 Ook voor ons is de Heer alles en
daarom gaan wij in vol vertrouwen met Hem om. De heilige Jozefmaria Escrivá
raadt ons: «Wees niet bang de Heer bij zijn voornaam -Jezus- te noemen en Hem
te zeggen, dat jij van Hem houdt.»2
Een vriend wordt bij zijn
voornaam genoemd. Waarom zouden wij onze beste Vriend niet bij de zijne noemen?
Hij heet JEZUS; zo heeft de engel Hem genoemd, voordat Hij werd ontvangen in de
moederschoot.3 God
zelf geeft Hem via de engel zijn naam. Met zijn naam wordt ook zijn zending
aangeduid: Jezus betekent Verlosser. Met Hem beginnen onze verlossing, onze
zekerheid en onze echte vrede: God heeft Hem de naam verleend die boven alle
namen is, opdat bij het noemen van zijn naam iedere knie zich zou buigen in de
hemel, op aarde en onder de aarde.4
Met hoeveel eerbied, met
hoeveel vertrouwen zouden wij die naam niet telkens moeten uitspreken! Ook, en
wel in bijzondere mate, als wij ons in ons persoonlijk gebed tot Hem richten.
Zoals nu: 'Jezus, geef mij...', 'Jezus, ik zou U willen vragen...'
De Joden hechtten veel
belang aan een naam. Als een persoon een naam gegeven werd, wilde men daarmee
uitdrukken wat deze persoon in de toekomst zou moeten zijn. Als men de naam van
een persoon niet kende, kende men die persoon in het geheel niet. Een naam
doorstrepen betekende zoveel als een leven uit de weg ruimen. Een naam
veranderen was bedoeld om de bestemming van die mens te wijzigen. De naam was
de uitdrukking van de diepste werkelijkheid van zijn wezen.
Onder alle namen was de
naam van God de enige naam.5 Deze moest gezegend zijn van thans tot in
eeuwigheid, van de opgang van de zon tot haar dalen6, want zijn naam is lofwaardig
van dag tot dag.7 In
een van de smeekbeden van het Onze Vader vragen wij heel duidelijk, dat de naam
van de Heer geheiligd zal worden.
Bij het joodse volk werd
de naam gegeven bij de besnijdenis, een rite die door God ingesteld was om met
een officieel merkteken aan te geven dat iemand tot het uitverkoren volk
behoorde. Het was het teken van het Verbond dat God met Abraham en zijn
nageslacht sloot.8 Hij
schreef voor, dat de besnijdenis voltrokken zou worden op de achtste dag na de
geboorte. Wie niet besneden was, behoorde alleen al daardoor niet tot het
verbond van het volk van God. Ter nakoming van dit voorschrift werd Jezus
besneden op de achtste dag9, zoals het stond in de Wet. Jozef en Maria voldeden aan de
plichten die de Wet hun oplegde. «Om ons zijn deugdzame gehoorzaamheid ten
voorbeeld te stellen -schrijft de heilige Thomas- werd Hij op de achtste dag
besneden, zoals in de wet was voorgeschreven.»10,11 Laten wij dus ook geen
uitzonderingssituaties of privileges zoeken, als daar geen reden toe is.
40.2 Toen de
besnijdenis van Jezus geschied was, namen zijn ouders, Maria en Jozef, voor het
eerst de naam Jezus in de mond. Zij deden dat vervuld van een geweldige eerbied
en genegenheid.
Zo moeten wij het ook vaak
doen. Het aanroepen van zijn naam betekent gered worden.12 In die naam geloven betekent
kind van God worden.13 Tot
die naam bidden betekent met stelligheid gehoord te worden: Voorwaar, Ik zeg
u: wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in mijn Naam. Tot nu
toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam. Vraagt en gij zult verkrijgen.14 In naam van
Jezus Christus worden de zonden vergeven15 en de zielen gereinigd en geheiligd.16 Het verkondigen
van die naam is de kern van alle apostolaat17, want «de Heer is het doel van de
mensengeschiedenis, het punt waarnaar alle verlangens van de geschiedenis en de
beschaving samenlopen, het middelpunt van de mensheid, de vreugde van alle
harten en de volledige vervulling van al hun verlangens.»18 In Jezus
ontmoeten de mensen Hem die zij het meest nodig hebben en naar dorsten:
verlossing, vrede, blijdschap, vergeving van de zonden, vrijheid, begrip,
vriendschap.
«O Jezus! -riep de heilige
Bernardus uit- hoe lijdt Gij mee met wie U aanroepen; hoe goed zijt Gij voor
wie U zoeken; hoe zult Gij wel niet zijn voor wie U vinden...; Slechts wie dit
heeft meegemaakt, kan weten wat het is opgesloten te zijn in de liefde tot U, o
Jezus...»19
Bij het aanroepen van de
naam van de Heer zien wij ons soms als die leprozen die Hem -van verre- zeggen:
Jezus, Meester, erbarm U over ons. En de Heer zegt hun naderbij te
komen. Door hen naar de priesters te zenden genas Hij hen.20 Of zullen wij,
blind als wij zijn voor zoveel dingen, de woorden gebruiken van de blinde van
Jericho: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij. «En u die nu hier
langs de kant van de weg staat, deze levensweg die zo kort is, krijgt u ook
geen zin om dat te roepen? U die te weinig licht hebt, u die nieuwe genade
nodig hebt om te besluiten op weg te gaan naar de heiligheid, voelt u ook niet
de onweerstaanbare behoefte te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden
met mij. Wat een prachtig schietgebed, om telkens en telkens te herhalen!»21
Door het aanroepen van de
allerheiligste Naam Jezus zullen veel hindernissen verdwijnen en heel wat
ziekten van de ziel genezen waardoor wij dagelijks bezocht worden. «Moge uw
Naam, o Jezus, altijd in het diepst van mijn hart zijn en binnen bereik, opdat
al mijn gevoelens en handelen op U gericht zijn. In uw naam, o Jezus, beschik
ik over een middel om mijn verkeerd handelen weer goed te maken, om mijn
onvolkomenheden te vervolmaken. Het is ook een heilzaam kruid om mijn neigingen
voor bederf te behoeden, of te genezen als zij reeds aangetast waren.»22
Schietgebeden zullen het
vuur van onze liefde voor de Heer hoger doen oplaaien en zullen in de loop van
de dag onze aanwezigheid bij God vermeerderen. Andere keren zullen wij onze
blik richten op de Heer, God die Kind geworden is uit liefde tot ons, en Hem
vol vertrouwen zeggen: Dominus iudex noster, Dominus legifer noster, Dominus
rex noster; ipse salvabit nos23, de Heer is onze rechter, de Heer is onze wetgever, de
Heer is onze koning; Hij zelf zal ons redden. Heer, Jezus, wij vertrouwen op U,
ik vertrouw op U.
40.3 Naast
de naam Jezus hebben wij natuurlijk ook de namen van Maria en Jozef op onze
lippen: de namen die de Heer zelf vaak uitgesproken moet hebben. De vroomheid
van de eerste christenen gaf aan de naam van Maria verscheidene betekenissen: Veelgeliefde,
Sterre der Zee, Vrouwe, Prinses, Licht, Schone Vrouwe... De heilige
Hiëronymus heeft haar Stella Maris, Sterre der Zee, genoemd. Te midden
van de levensstormen leidt zij ons naar de veilige haven.
Deze reddende naam moeten
wij vaak op onze lippen hebben, maar vooral als wij in nood of moeilijkheden
verkeren. Tijdens onze tocht naar God zullen
er stormen komen die God toelaat om onze bedoeling te zuiveren en opdat
wij zullen groeien in deugden. En het is mogelijk, dat wij ons onnodig
blindstaren op hinderpalen waardoor wanhoop en vermoeidheid in de strijd komen
opdagen. Dat is het moment onze toevlucht te nemen tot Maria door haar naam aan
te roepen. «Wanneer de wind opsteekt van de beproeving en gij op de klippen van
de ellende loopt, zie naar de ster en roep Maria aan. Wanneer gij wordt
geslingerd op de golven der hovaardigheid, der eerzucht, der kwaadsprekerij,
der jalouzie, zie naar de ster en roep Maria aan. Wanneer de gramschap of de
gierigheid of de ontucht van het vlees de hulk der ziel doen slingeren, zie
naar de ster en roep Maria aan. Wanneer gij geschokt door de geweldigheid uwer
zonden, verbijsterd door de walgelijkheid van uw
geweten, stuurloos geworden door angst voor het oordeel, dreigt
opgeslokt te worden door de draaikolk van de droefheid, in de afgrond van de
wanhoop, denk dan aan Maria. In gevaar, in benauwdheid, in twijfel: denk aan
Maria, roep haar aan. Laat haar niet wijken uit uw mond, niet wijken uit uw hart, en opdat gij de voorspraak van haar
gebed moogt verkrijgen, laat niet af het voorbeeld van haar gedrag na te
volgen. Als gij haar volgt, verdwaalt gij niet; als gij haar smeekt, wanhoopt
gij niet; als gij haar in gedachten hebt, vergist gij u niet. Als zij u
vasthoudt, valt gij niet; als zij u beschermt, wordt gij niet bang; als zij u
geleidt, vermoeit gij u niet; als zij welgezind is, bereikt gij de veilige
haven en dan zult gij ervaren aan u zelf, hoe juist het is, wat er staat: en
de naam van de maagd was Maria.»24
Laten wij haar naam vooral
aanroepen in het Weesgegroet en ook in de andere gebeden en schietgebeden die
de katholieke vroomheid in de loop van de eeuwen heeft weten te scheppen en die
onze moeders ons misschien geleerd hebben. En naast Jezus en Maria: Jozef. «De
hele Kerk staat in de schuld bij Maria, omdat de Kerk middels haar Christus
ontving. Op dezelfde wijze is zij aan de heilige Jozef een bijzondere dank en
eerbied verschuldigd.»25 Jezus, Maria en Jozef, U geef ik hart en ziel. Jezus,
Maria en Jozef, sta mij bij in mijn laatste strijd. Hoeveel gelovigen
hebben van de lippen van hun moeders dit of andere, soortgelijke schietgebeden
geleerd die zij vervolgens tot het einde van hun dagen hebben gebeden. Laten
wij niet vergeten dagelijks, heel vaak, de hulp in te roepen van deze aardse
drieëenheid.
-1. R.A. Knox, Sermon on The Divine Name,
1956. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 303. -3. Vgl. Lc 1,31. -4. Fil 2,9-10. -5. Zach
14,9. -6. Ps 113,2-3. -7. Ps 96,2. -8. Vgl. Gn 17,10-14.
-9. Vgl. Lc 2,21. -10. H. Thomas
van Aquino, Summa Theologiae, III,
q37, a1. -11. Vgl. Hnd 15,1. -12. Vgl. Rom 10,9. -13. Vgl. Joh
1,12. -14. Joh 16,23-24. -15. Vgl. 1 Joh 2,12. -16. Vgl. 1 Kor
6,11. -17. Vgl. Hnd 8,12. -18. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 45. -19. H.
Bernardus, Sermones in Cantica canticorum, 15. -20. Vgl. Lc
17,13. -21. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 195. -22. H.
Bernardus, Sermones in Canticum canticorum, 15. -23. Romeins
Brevier, Antifoon van de Terts van het Hoogfeest van Christus Koning van
het Heelal. -24. H. Bernardus, Mariapreeken,
2,17. -25. H. Bernardinus van Siena,
Sermo 2.
|