Zesde week. Dinsdag
47. De verlossingsopdracht van de Kerk
-De Kerk, plaats van onze verlossing, door
Jezus Christus ingesteld. -Bidden voor de Kerk. -Door de doop zijn we
instrumenten van de Verlossing geworden.
47.1 Het boek Genesis vermeldt dat God zag hoe de boosaardigheid van de
mens steeds groter werd en zijn denkwijze verdorven was. Hij kreeg spijt de
mens geschapen te hebben en overwoog hem van de oppervlakte van de aarde weg te
vagen.1 Maar opnieuw bleek dat God geduldig was en Hij besloot het menselijk
geslacht te redden in de persoon van Noach. De Heer sprak tot Noach: Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit
geslacht zijt gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is. Toen kwam de zondvloed, waarmee God de rest van de mensheid strafte
voor hun slecht gedrag.
De kerkvaders hebben in Noach de persoon van
Jezus gezien, die het begin van een nieuwe schepping zal zijn. In de ark zagen
ze een voorafbeelding van de Kerk, die op het water van deze wereld dobbert en allen die gered willen worden2 in haar schoot
opneemt. «In het symbool van de zondvloed -zegt de heilige Augustinus- waarbij
de rechtvaardigen gered werden in de ark, wordt de toekomstige Kerk voorspeld.
Ze redt ons van de dood in deze wereld door Christus en het mysterie van het
kruis.»3 De ark van Noach was de plaats van het heil. En de heilige Augustinus
zegt verder, dat «degenen die gered werden in de ark het mysterie
vertegenwoordigen van de toekomstige Kerk, die van de schipbreuk wordt gered
door het kruishout.»4 De groep rechtvaardigen die in de ark gered werden van de zondvloed,
is een voorafbeelding van de toekomstige gemeenschap van Christus.5
De Heer zelf droeg, voor zijn hemelvaart, zijn
eigen macht over aan de apostelen voor het heil van de wereld.6 De Meester sprak
tot hen met de aan God eigen majesteit: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt
alle volkeren tot mijn leerlingen...; en de Kerk
begon aanstonds, met goddelijk gezag, haar heilsmacht uit te oefenen.
Door het leven van Christus na te volgen, die weldoende rondtrok7, troostend,
genezend, onderrichtend, tracht de Kerk goed te doen waar zij zich bevindt. In
de loop van de geschiedenis zijn er zeer veel initiatieven door de christenen
en de meest verschillende kerkelijke instellingen genomen om de kwalen van de
mensen te herstellen, om menselijke hulp te geven aan noodlijdenden, zieken,
ontheemden enz. Deze menselijke hulp is en zal altijd groot zijn, maar zij is
tegelijkertijd iets bijkomstigs. Vanwege de zending die ze van Christus heeft
gekregen streeft de Kerk naar veel
meer: de mensen de leer van Christus brengen en hen tot het heil leiden. «En aan allen -aan
degenen die op een of andere wijze in nood verkeren, maar ook aan hen die de
volheid van de aardse goederen menen te genieten- komt de Kerk één wezenlijke,
definitieve zaak verkondigen: dat onze bestemming in de eeuwigheid ligt
en van bovennatuurlijke aard is, dat wij alleen in Jezus Christus voor altijd
gered worden, en dat wij alleen in Hem, op enigerlei wijze reeds in dit leven,
de waarachtige vrede en geluk zullen bereiken.»8
47.2 Elke dag dient in onze gebeden een belangrijke plaats ingeruimd te
worden voor de paus, zijn taak ten dienste van de wereldkerk en de hulp die hij
van zijn naaste medewerkers ontvangt: Dominus
conservet eum, et vivificet eum, et beatum faciat eum in terra, et non tradat
eum in animam inimicorum eius9, leert de liturgie ons bidden. Loodzwaar
is de last die de plaatsvervanger van Christus moet dragen in zijn vaderlijke
zorg voor ons. Via de pers en andere communicatiemiddelen zien wij hoe groot
het verzet is, waarmee de vijanden van het geloof hem bestrijden. We zien de
druk die uitgeoefend wordt door degenen die de apostolische ijver van de
christenen verafschuwen en zich verzetten tegen de evangelische taak waartoe de
paus voortdurend aanspoort en dan zullen wij vurig tot de Heer bidden, dat Hij
de paus mag behoeden, dat Hij hem in
leven houdt met zijn goddelijke adem, hem heilig maakt en hem met zijn gaven
vervult, dat Hij hem op heel bijzondere wijze moge beschermen.
In het evangelie van de mis van vandaag10 waarschuwt de
Heer zijn leerlingen waakzaam te zijn en zich te hoeden voor het zuurdeeg van de Farizeeën en van Herodes. Hij verwijst hier niet naar het goede zuurdeeg dat zijn leerlingen
moeten zijn, maar naar een ander, dat evenzo in staat is om het baksel van
binnenuit om te vormen, maar dan ten kwade. De huichelachtigheid van de
Farizeeën en het ongeordende leven van Herodes, die slechts door persoonlijke
ambities gedreven werd, waren een slecht zuurdesem dat het volk van Israël
besmette en ten bederf leidde.
We hebben de dankbare plicht om elke dag te
bidden dat wij, alle christengelovigen, waarlijk zuurdesem mogen zijn midden in
de wereld die zich van God afgekeerd heeft, maar door de Kerk gered kan worden.
«Dit zijn tijden van beproeving, en we moeten God met onophoudelijk geroep
(vgl. Is 58,1)
bidden, dat Hij deze bekort, dat Hij vol erbarming neerziet op zijn Kerk en
opnieuw het bovennatuurlijk licht aan de zielen
van de herders en van alle gelovigen schenkt.»11 We kunnen deze kinderplicht ten opzichte
van onze moeder de Kerk, in haar mysterieuze behoefte aan hulp en bescherming,
niet terzijde schuiven. «Zij is een Moeder... een moeder moet bemind worden.»12
Groot is de schade, die in de zielen wordt
aangericht door het slechte zuurdeeg van de vervalste leer en de slechte
voorbeelden, die vermeerderd en geventileerd worden door sektarische
mentaliteiten. Als we in aanraking komen met een verkeerde leer of wellicht
aanstoot gevende situaties, dan moeten we onszelf onderzoeken en ons afvragen:
Wat heb ík gedaan om de goede leer te verspreiden? Hoe vervul ik mijn
beroepsplicht? Wat doe ik om mijn kinderen, mijn familieleden, mijn vrienden te
helpen de leer van Christus te leren kennen? Hoe is het gesteld met mijn gebed
en versterving voor de Kerk?
Ook wij moeten bidden voor alle herders van
Gods Kerk, voor paus en bisschoppen, zoals veel mensen dagelijks doen in de
mis, bij het bidden van de rozenkrans en bij andere gelegenheden. Zeer oud is
het gebed, waarmee de gelovigen de plaatselijke bisschop bij de Heer
aanbevelen: Stet et pascat in
fortitudine tua, Domine, in sublimitate nominis tui. De herders van de Kerk hebben altijd de goddelijke begunstiging ten
zeerste nodig om hun zending te volbrengen. Wij hebben de verantwoordelijkheid
hen te steunen, en daarom bidden wij tot de Heer, dat Hij hen steunt en helpt
om zijn kudde te weiden met de goddelijke kracht en met de zachtheid en
hoogverheven wijsheid die uit de hemel komt.
Elke dag bidt de priester, met deze of
dergelijke woorden, in de eucharistische gebeden: U dan, algoede Vader, vragen wij nederig [...] allereerst voor uw heilige
katholieke Kerk -geef haar genadig vrede, bescherming en eenheid en geleid haar
over de gehele wereld- en voor uw dienaar, onze paus N., voor onze bisschop N.
en voor allen die, rechtzinnig en trouw, de behoeders zijn van het katholieke
en apostolische geloof.13 Zo gedenken wij de intenties van de paus en de bisschoppen; we bidden
voor de priesters en de religieuzen en voor het hele volk van God, ook voor
degenen die in het Mystieke Lichaam van Christus het meest in nood verkeren.
Aldus beleven we als vanzelf het dogma van de gemeenschap van de heiligen.
47.3 In een brief van de heilige Johannes Leonardi aan paus Paulus V, die
hem om advies gevraagd had om het volk van God opnieuw te bezielen, schreef de
heilige: «Ten aanzien van die middelen die immers voor heel de Kerk moeten
gelden [...] zou vooreerst de aandacht gericht moeten worden op al degenen die
aan het hoofd staan, opdat de hervorming aldus begint op het punt van waaruit
zij zich over de andere delen van het lichaam kan uitstrekken. Men zou er alles
aan moeten doen, opdat kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen
en pastoors, aan wie de zielzorg rechtstreeks is toevertrouwd, dusdanig zijn,
dat men hun met volkomen zekerheid
de leiding over de kudde van de Heer kan toevertrouwen.»14 Laten wij iedere dag voor hun heiligheid blijven bidden: dat zij Jezus, die aanwezig is in de heilige eucharistie, meer en meer beminnen en dat zij
met steeds grotere godsvrucht tot Maria mogen bidden.
Laten wij erom vragen dat zij sterk en liefdevol zijn, dat zij een grote liefde
tot de zieken koesteren, zeer veel zorg besteden aan het onderrichten van de
catechismus, dat zij een helder getuigenis afleggen van onthechting en
soberheid...
Maar de Kerk, dat zijn ook wij, alle gedoopten.
En wij zijn allen heilsinstrumenten voor anderen, wanneer we met Christus
verenigd pogen te blijven in de trouwe vervulling van onze godsdienstige
plichten: heilige mis, gebed, God voor ogen houden tijdens de dag...; wanneer we
verenigd zijn met de persoon en de intenties van de paus en de bisschop van het
bisdom; als we onze beroeps-, gezins- en burgerplichten voorbeeldig vervullen;
met een doeltreffend apostolaat in het netwerk van betrekkingen waarin ons
leven zich afspeelt. Dit apostolaat wordt des te dringender naarmate we meer
tweedracht op onze weg ontmoeten, wanneer we de gevolgen merken van het slechte
zuurdeeg waarover de Heer spreekt.
Laten we ons geloof versterken. Het volk van
God -zo leert het Tweede Vaticaans Concilie- moet de hele wereld omvatten,
allen die verstrooid en in verwarring zijn samenbrengen. Daartoe heeft God zijn
Zoon gezonden, die Hij tot universeel erfgenaam aanstelde om onze Meester,
Priester en Koning te zijn.15 Vandaag kunnen we ons psalm ii in herinnering roepen, waarin het koningschap van Christus verkondigd
wordt. En we bidden tot God de Vader, dat er veel zielen zullen zijn waarin
Christus onze Heer mag heersen, vele volkeren het heilswoord aanvaarden dat
door de Kerk verkondigd wordt, aangezien haar -zoals de constitutie 'Lumen
gentium' ons in herinnering brengt- alle naties tot erfenis zijn gegeven.16
-1. Eerste lezing, Jaar I, Gen 6,5-8; 7,5-10. -2. Hnd 2,40. -3. H. Augustinus, De catechizandis rudibus, 18. -4. Ibidem, 27. -5. M. Schmaus, Katholische Dogmatik, IV. -6. Mt 28,18-20. -7. Hnd 10,38. -8. H. Jozefmaria
Escrivá, De liefde tot de Kerk, 10. -9. Enchiridion
Indulgentiarum, 1986, Aliae concessiones, n. 39. -10. Mc 8,14-21. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk,
28. -12. Johannes. Paulus ii, Homilie, 7 november 1982. -13. Romeinse
Canon. -14. H.
Johannes Leonardi, Brieven aan paus Paulus V over de hervorming van de Kerk. -15. Cfr. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 13. -16. Ibidem.
|