Vierde zondag van de veertigdagentijd.
26.
DE VREUGDE VAN HET KRUIS
-Vreugde, versterving en lijden zijn onderling
verwisselbaar. Vreugde is het tegenovergestelde van verdriet, niet van berouw.
-Vreugde vindt haar oorsprong in de geest, komt voort uit een hart dat mint en
voelt bemind te worden door God. -God houdt van een blijmoedige gever.
26.1 Verheug u,
Jeruzalem. Komt allen samen die haar liefhebt. Juicht van vreugde..., bidden
we in de introïtus van de Mis: Verheug u, Jeruzalem... 1
Vreugde is een van de wezenlijke karaktertrekken van de
christen, en de Kerk laat niet na ons deze periode van het liturgisch jaar
daaraan te herinneren om ons niet te laten vergeten, dat alle stukjes van ons
leven doordrenkt moeten zijn van vreugde. Er is een vreugde die past bij de
verwachting van de advent, een andere, levendige en stralende vreugde in de
kersttijd. Later komt de vreugde naast de verrezen Christus te staan. Vandaag,
nu de vastentijd voortschrijdt, overwegen we de vreugde van het kruis. Het is
altijd dezelfde blijdschap van het verbonden zijn met Christus: «alleen van Hem
kan iedereen naar volle waarheid met de apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij
liefgehad en zichzelf voor mij overgeleverd (Gal 2,20). Daaruit moet uw allergrootste vreugde voortkomen, daaruit
zult u ook uw sterkte en doorzettingsvermogen putten. Als u ongelukkigerwijs
geconfronteerd wordt met bitterheid, als u lijden moet dulden, onbegrip moet
ondergaan, tot zonde vervalt, richt uw gedachten dan op Diegene die ons altijd
liefheeft en Die ons met zijn oneindige liefde, want Hij is God, alle
beproevingen te boven doet komen, onze leegten vult, al onze zonden vergeeft en
vol geestdrift een nieuwe, veilige en vreugdevolle weg opstuwt.»2
Volgens de traditie wordt deze zondag aangeduid als zondag
'Laetare', naar het eerste woord van de introïtus. De gestrengheid van de
vastenliturgie wordt op deze zondag, die ons spreekt over vreugde, doorbroken.
Vandaag is het -voor wie erover beschikt- toegestaan roze in plaats van paarse
paramenten te gebruiken3, en mag het altaar met bloemen versierd worden, wat op de
overige dagen van de vasten niet gedaan wordt.4
De Kerk wil ons er op die wijze aan herinneren dat de vreugde
volledig uitwisselbaar is met versterving en lijden. Wat niet verenigbaar is
met vreugde is droefheid; berouw wel. Door deze liturgische tijd die
uitmondt in het Lijden -en dus lijden met zich brengt- ten volle te beleven,
zullen we begrijpen dat wat ons dichter bij het Kruis brengt ook het moment van
onze Verlossing dichterbij brengt. Die komt elke keer dichterbij en daarom zijn
de Kerk en al haar kinderen vervuld van vreugde: Verheugt u, juicht,
Jeruzalem, en gij verheugt u samen met allen die haar liefhebben.
De versterving die we bij het beleven van deze dagen willen
doen, moet onze inwendige vreugde niet verduisteren, integendeel: zij moet die
vreugde doen groeien, omdat onze verlossing nabij is, de overvloed van liefde
voor de mensen -dat is het Lijden- komt nader, de vreugde van Pasen is
ophanden. Daarom willen we meer vereend zijn met de Heer, opdat ook in ons
leven zich eens te meer datzelfde proces opnieuw voltrekt: door zijn lijden en
kruis deelhebben aan zijn verrijzenis.
26.2 Verheugt u in
de Heer, te allen tijde. Nog eens: verheugt u!5 Met een vreugde die samenvalt met geluk
en innerlijke blijdschap en zich vanzelfsprekend ook toont in het uiterlijk van
de persoon.
«In dit 'geluk' zijn, zoals iedereen wel weet, verscheidene
graden. Het beleeft zijn edelste uitdrukking in de vreugde, of het 'geluk' in
de strikte zin van het woord, wanneer de mens, op het niveau van zijn hogere
vermogens, voldoening vindt in een goed dat hij kent en bemint (Lumen Gentium, 7) [...] Met des te meer reden voelt hij vreugde
of geestelijk geluk, wanneer zijn geest in het bezit komt van God: gekend en
bemind als het hoogste en onveranderlijke goed.»6 En paus Paulus vi zegt even verderop: «De technische
maatschappij heeft wel een veelvoud aan gelegenheden tot genot kunnen scheppen,
maar het kost haar heel wat moeite vreugde voort te brengen. Aan geld, comfort,
hygiëne, materiële zekerheid is er vaak geen gebrek; en toch blijven verveling,
somberheid, droefheid, jammer genoeg het lot van velen.»7
De christen begrijpt deze woorden van de paus zeer goed. Hij
weet, dat de vreugde voortkomt uit een hart dat weet door God bemind te worden
en dat op zijn beurt God hartstochtelijk bemint. Een hart dat vervolgens ervoor
zorgt dat die liefde van God vertaald wordt in daden, omdat hij -met het
Castiliaanse spreekwoord- weet dat «liefde bestaat in daden, niet in zoete
woorden». Een hart dat in eenheid en vrede met God verkeert, kan, ofschoon het
zich zondaar weet, naar de bron van vergiffenis gaan: Christus in het sacrament
van boete en verzoening, de biecht.
Heer, met vreugde brengen wij U deze gaven, die Gij voor ons eeuwig heil hebt bestemd...8 Lijden en tegenspoed zijn de vaste gezellen van iedere mens op aarde. Lijden als
zodanig echter brengt geen verandering teweeg, zuivert niet. Het kan
zelfs leiden tot opstandigheid en liefdeloosheid. Sommige christenen verlaten
de Heer als zij op het kruis stuiten, omdat zij een zuiver menselijk geluk
verwachten, vrij van pijnen en vergezeld van de goederen van deze wereld.
De Heer vraagt ons de vrees voor pijn en tegenspoed kwijt te
raken en ons te verenigen met Hem die op ons wacht aan het kruis. Onze ziel zal
meer gezuiverd worden, onze liefde sterker. Dan zullen we begrijpen dat er zeer
dicht rond het kruis vreugde heerst. En wat nog meer is, dat we nooit zullen
kunnen beminnen, als we niet tegelijkertijd het offer liefhebben. Die
tegenslagen die naar hun eigen aard onrechtvaardig en zinloos lijken, zijn
noodzakelijk voor onze persoonlijke heiliging en voor het heil van veel zielen.
In het mysterie van de medeverlossing zal onze pijn, verenigd met het lijden
van Christus, een onvergelijkelijke waarde verwerven voor de gehele Kerk en de
mensheid in zijn totaliteit. De Heer laat ons, als we met nederigheid naar Hem
toegaan, zien dat alles -ook die dingen waarbij het menselijkerwijs niet verklaarbaar
is- samenwerkt ten gunste van hen die God beminnen.9 Wanneer pijn haar betekenis krijgt, als
zij dient om meer lief te hebben, dan is zij de oorzaak van een intieme vrede
en de grootst mogelijke vreugde. Daarom zegent de Heer in veel gevallen met het
kruis.
Zo moeten we voortgaan «de weg van de overgave te volgen: het
Kruis op je schouders, een glimlach op je lippen en een licht in je ziel».10
26.3 De christen geeft
zich aan God en aan de anderen. Hij versterft zich, eist veel van zichzelf, verdraagt
tegenwerking... en dat alles doet hij met vreugde. Hij begrijpt dat al die dingen veel van hun waarde verliezen als
ze alleen maar tegenzin oproepen: God houdt van een blijmoedige gever.1 We moeten niet
verbaasd zijn als versterving en boete pijn doen. Waar het om gaat is dat we er
welbewust op afgaan, met de vreugde God,
die ons ziet, te behagen.
«Tevreden? -Die vraag stemde me tot nadenken. -Er zijn nog
geen woorden gevonden om alles uit te drukken wat je voelt -in je hart en in je
wil- als je beseft dat je een kind van God bent.»12 Het is logisch dat wie zich kind van
God voelt deze innerlijke blijdschap in zijn ziel ervaart.
De ervaring die de heiligen ons hebben doorgegeven zijn wat
dit betreft unaniem. Het is voldoende de bekentenis te vermelden die de apostel
Paulus aan de Korintiërs doet: ... Dit vervult mij met troost en doet mij
overvloeien van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden.13 Het is goed
daaraan toe te voegen dat het leven van de heilige Paulus niet gemakkelijk en
gladjes verlopen was: Vijf maal kreeg ik van de Joden de veertig-min-een.
Drie maal ben ik met stokken geslagen, eenmaal gestenigd. Drie maal heb ik
schipbreuk geleden, eens een heel etmaal doorgebracht in volle zee.
Altijd op reis, gevaren van rivieren en gevaren van rovers,
gevaren van de kant van mijn eigen volk en van de heidenen, gevaren in steden
en in de woestijn, gevaren op zee, gevaren te midden van valse broeders, met
zwoegen en tobben, veel slapeloze nachten, honger en dorst, vaak zonder eten in
koude en naaktheid.14 Na alles wat hij zojuist opgesomd heeft, kan de heilige
Paulus toch heel goed naar waarheid zeggen: Dit vervult mij met troost en
doet mij overvloeien van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden.
De goede week en pasen komen naderbij, vergiffenis, barmhartigheid,
goddelijk medelijden, de overvloed aan genade ook. Nog een paar dagen en het
geheim van ons heil zal voltrokken worden. Als we ooit bang geweest zijn voor
biecht, boete en verzoening, zullen we nu met moed vervuld worden door te
bedenken dat er niet veel tijd meer is en de beloning groot, in geen enkele
verhouding tot de moeite die wij moeten doen. Kom, we volgen de Heer vol
vreugde naar Jeruzalem, naar Calvarië, naar het kruis. En dan: «Is het niet zo,
dat zodra je ophoudt bang te zijn voor het Kruis, voor wat de mensen een kruis
noemen, zodra je je ertoe aanzet de goddelijke wil te aanvaarden, dat je dan
gelukkig bent, en dat dan alle zorgen, alle lichamelijk en geestelijk lijden
voorbijgaan?»15
-1. Jes 66,10-11. -2. Johannes Paulus ii, Toespraak, 1 maart 1980. -3. Romeins
Missaal, Algemene inleiding, 308. -4. Cæremoniale Episcoporum,
(Rome 1984) 48, 3. -5. Fil 4,4. -6. Paulus vi,
Apost. exhort. Gaudete in Domino, Analecta aartsbisdom Utrecht, 9 mei
1975, bl. 234-235. -7. Ibidem, bl. 235. -8. Gebed over de gaven
van de vierde zondag in de Veertigdagentijd. -9. Vgl. Rom 8,28. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg,
tweede statie, 3. -11. 2 Kor 9,7. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 61. -13. 2 Kor
7,4. -14. 2 Kor 11,24-27.-15. H.
Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, tweede statie.
|