Zeventiende week. Dinsdag
23. De Vrienden van God
-Vriendschap met Jezus. -Jezus Christus, het volmaakte model
van echte vriendschap. -Het onderhouden van vriendschap met mensen rondom ons.
Apostolaat en vriendschap.
23.1 Gedurende hun lange tocht door de woestijn placht het uitverkoren volk
de tent van de
samenkomst op te zetten buiten het kampement. Het
was een heilige plaats, weg van aangelegenheden van de wereld. Om de Heer te
bezoeken moest men het kamp verlaten. Mozes ging daarheen om voor zijn volk bij
de Heer te pleiten: Jahwe
sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn
vriend spreekt.1
Er zijn een aantal voorvallen waar de Heilige Schrift God
openbaart als vriend van de mensen. In Jesaja spreekt God van Abraham, mijn vriend.2 Het uitverkoren volk rekent op deze vriendschap om
vergeving en goddelijke bescherming te verkrijgen. Meer dan dat, heel de
openbaring richt zich op de vorming van een volk van mensen die vrienden van
God zijn, met Hem verbonden door een innig Verbond dat voortdurend wordt hernieuwd.
«Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God uit de overvloed van zijn
liefde de mensen aan als zijn vrienden en gaat met hen om, om hen uit te
nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen.»3 Dit goddelijke plan is mettertijd in vervulling
gegaan toen Jezus, de Tweede Persoon van de Heilige Drieëenheid, mens is
geworden. Vriendschap veronderstelt een bepaalde gelijkheid en persoonlijk
contact4, maar de afstand tussen God en de mens
is oneindig. God nam de menselijke natuur aan opdat de mens kon deelnemen aan
zijn godheid door middel van de heiligmakende genade.5
Vriendschap vereist wederzijdse liefde. God kwam naar ons
toe, en zo waren wij in staat met Hem in contact te treden, te antwoorden. Wij houden van Hem omdat Hij ons
het eerst heeft liefgehad.6 De
mens antwoordt door Gods liefde te aanvaarden, zijn ziel voor Hem open te
stellen, zich te laten liefhebben en zijn liefde tot uitdrukking te brengen met
daden.
Het wezenlijke van de vriendschap tussen God en de mensen
moet worden gevonden in de aard van de liefde, die een bovennatuurlijke gave
is. Gods liefde is in ons
hart uitgestort.7 Deze gave stelt
ons in staat God lief te hebben met dezelfde liefde waarmee Hij ons liefheeft.
Jezus zegt ons: Zoals de
Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde.8 Jezus bidt tot zijn Vader: opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in
hen moge zijn en Ik in hen.9 De
vreugde van de christen ligt in de zekerheid dat God hem liefheeft. Want God
zei: Gij zijt mijn
vrienden...10 Wat een grote
vreugde is het dat wij ons 'vrienden van God' mogen noemen!
In de loop van zijn aardse leven stond de Heer altijd open
voor degenen die Hem benaderden. Bij sommige gelegenheden was Hij het die het
initiatief nam mensen naar zich toe te halen, zoals in de gevallen van Zacheüs
en van de Samaritaanse vrouw. Hij was een vriend voor zijn leerlingen, en zij
waren er zich zeer goed van bewust. Als zij iets niet begrepen, gingen zij vol
vertrouwen naar Hem toe, zoals het evangelie van vandaag laat zien. Zij vragen
de Heer: Leg ons de
gelijkenis uit...11 Dus neemt de
Heer ze apart en legt hun de betekenis van zijn onderrichtingen uit. De
leerlingen deelden in Christus' blijdschap en in Christus' bezorgdheid. Wanneer
nodig moedigde Christus hen ook aan.
Op dezelfde wijze biedt de Heer nu vanuit het tabernakel zijn
vriendschap aan ons aan. Daar wil Hij ons troosten, ons aanmoedigen, ons
vergeven. Vanuit het tabernakel, zoals in de tent van de samenkomst, spreekt de Heer met
iedereen van aangezicht
tot aangezicht, zoals een mens met zijn vriend spreekt. Zelfs is
er het grote verschil, dat onze tempels de Mensgeworden God huisvesten, Jezus,
Dezelfde die geboren werd uit de heilige Maagd Maria; Hij die voor ons moest
sterven aan een kruis.
23.2 Jezus hield ervan met iedereen te spreken die Hem kwam bezoeken, en met
degenen die Hij onderweg ontmoette. Hij maakte van die gelegenheden gebruik om
door te dringen tot in de zielen, en harten op te heffen tot een hoger niveau.
Indien de betrokken persoon een goede instelling had, gaf Jezus hem of haar de
genade bekeerd te worden en zijn leven in Zijn dienst te stellen. In de tijd
van gebed wil Hij ook met ons spreken. Om dit te laten gebeuren, moeten we
bereid zijn te praten en open te staan voor echte vriendschap. «Hijzelf heeft
ons van dienstknechten tot zijn vrienden gemaakt, zoals Hij duidelijk
verklaarde: Gij
zijt mijn vrienden, als gij doet wat Ik u gebied
(Joh 15,14). Hij heeft ons een model gegeven dat wij moeten navolgen. Als antwoord
moeten wij bereid zijn om vriend te zijn, Hem te vertellen wat er in onze ziel
leeft en goed op te letten wat Hij in zijn hart draagt. Wanneer wij eenmaal
onze ziel hebben opengesteld, zal Hij de zijne openbaren. De Heer heeft gezegd:
Ik heb u vrienden
genoemd, want Ik heb u alles medegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord (Joh 15,14). De echte vriend verbergt niets voor zijn vriend. Hij
vertelt alles wat hij denkt, zoals Jezus de geheimen van de Vader in de harten
van de apostelen uitstortte.»12
Christenen moeten mannen en vrouwen zijn met een groot
vermogen tot vriendschap, omdat nauw contact met Jezus Christus ons helpt om
ons egoïsme, ons overdreven bezig zijn met persoonlijke problemen opzij te
zetten. Zo kunnen wij open staan voor allen die wij onderweg tegenkomen, zelfs
als zij van een andere leeftijd zijn, andere interesses, culturen of posities
vertegenwoordigen. Echte vriendschap ontstaat niet uit een enkele ontmoeting,
of eenvoudigweg uit een wederkerige behoefte aan hulp. Zelfs een kameraadschap,
een gemeenschappelijke opdracht of hetzelfde onderdak leidt niet noodzakelijk
tot vriendschap. Twee mensen wiens paden elkaar elke dag kruisen in dezelfde
lift of bus, of in hetzelfde kantoor, worden niet geacht vrienden te zijn. Zo
ook is gemeenschappelijke sympathie op zichzelf geen bewijs van echte
vriendschap.
Volgens de heilige Thomas13 is
niet alle liefde gelijk aan vriendschap, maar alleen die liefde die welwillendheid
insluit. Dit is de houding waar wij zo om iemand geven dat we zijn welzijn
willen. De kans op vriendschap is groter als er meer reden is om hetgeen men
heeft, te delen. «Echte vrienden zijn degenen, die iets te geven hebben en,
tegelijkertijd, voldoende nederig zijn om te ontvangen. Dit gedrag is eigen aan
deugdzame mensen. Als ondeugd wordt gedeeld, komt er geen vriendschap uit voort
maar medeplichtigheid, en dat is niet hetzelfde. Kwaad kan nooit gewettigd
worden door een namaakvriendschap.»14 Zonde
bewerkt nooit vriendschap of naastenliefde in mensen.
Wij christenen moeten onze vrienden begrip, aandacht,
bemoediging, troost, optimisme en blijdschap geven, te zamen met veel
dienstbaarheid. Maar, boven alles, moeten wij ze het grootste goed geven dat
wij hebben; dat is Christus zelf, de Beste Vriend van allen. Ware vriendschap brengt
apostolaat met zich mee, we delen de wonderlijke zaken van het geloof.
23.3 Jahwe sprak dan tot Mozes van
aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn vriend spreekt. Wie in vriendschap met God leeft, zal eerder de waarde van vriendschap
op zichzelf begrijpen en, zonder het alleen een vriendschap voor de vorm te
laten zijn, zal het de oorzaak van een levendig apostolaat zijn.
Een
trouwe vriend is een machtige schutsmuur; wie hem vindt, heeft een schat
gevonden. Een trouwe vriend is niet te betalen: het is een heerlijkheid waar
niets tegen opweegt.15 Vriendschap
moet worden beschermd en verdedigd tegen de vergeetachtigheid die komt na
verloop van tijd. Zij moet ook worden beveiligd tegen afgunst die zo vaak de
vriendschap doet wankelen.16 Mogen wij ook in
staat zijn deze woorden uit het eind van een autobiografie na te zeggen:
Vrienden worden verondersteld iets voor elkaar over te
hebben, trouw te zijn in tijden van moeilijkheden, de tand des tijds en tekenen
van tegenspraak te overwinnen, elkaar te verdedigen als het nodig is. Zoals de
heilige Ambrosius aanraadt: «Wees standvastig in echte vriendschap, omdat er
niets zo kostbaar is in menselijke betrekkingen. Het is een grote troost in dit
leven een vriend te hebben voor wie wij ons hart kunnen openstellen. Het helpt
heel veel een vriend te hebben om onze blijdschap en smart mee te delen en die
ons in moeilijke tijden tot steun is.»17
Wij behoren oprechte vriendschap aan te kweken met onze
buren, met onze collega's op het werk, met de personen die wij geregeld zien.
We moeten ernaar streven vrienden te zijn met onze engelbewaarder. «We hebben
allemaal veel gezelschap nodig: gezelschap uit de hemel en van de aarde. Wees
verknocht aan de heilige engelen! Vriendschap is zeer menselijk, maar ook zeer
goddelijk, net als ons leven dat goddelijk en menselijk is.»18 Onze engelbewaarder zal niet worden afgeschrikt
door onze luimen en gebreken. Hij kent onze zwakheden, en desondanks houdt hij
erg veel van ons.19
Boven alle vriendschappen uit moeten we eraan werken onze
banden te versterken met «die grote Vriend die je nooit verraadt.»20 We kunnen Hem gemakkelijk vinden. Hij staat altijd
klaar om ons te ontvangen, bij ons te blijven zolang als wij willen. «Ga door
de wereld zoals je wilt, verander je thuis zo vaak je wilt, in de dichtstbijzijnde
katholieke kerk is je Vriend altijd aanwezig, en dag in dag uit is Hij voor jou
thuis.»21 Daar kunnen wij met Hem van aangezicht
tot aangezicht praten, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Aldoor wacht
Hij op ons. Hij wil dat wij Hem komen opzoeken... en naar Hem luisteren. Door
Hem zullen we echt leren hoe vrienden met onze vrienden te zijn. Wij zullen
open staan voor elke oprechte vriendschap, wetend dat dit de natuurlijke weg is
van Christus, onze Vriend, om in zielen binnen te gaan.
-1. Eerste
lezing, Jaar I, Ex 33,11. -2. Vgl. Jes 41,8. -3. Vaticanum ii, Dei Verbum, 2. -4.
Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q
23, a 1. -5. Ibidem.
-6. 1 Joh
4,19. -7. Vgl. Rom
5,5. -8. Joh
15,9. -9. Joh
17,26. -10. Joh
15,13-14. -11. Mt
13,36-43. -12. H. Ambrosius,
Over het werk van dienaren,
3,135. -13. H.
Thomas van Aquino, o.c. -14. J. Abad, Fidelidad, Madrid 1987. -15. Sir 6,14-17. -16.
Vgl. H. Basilius, Homilie over de afgunst.
-17. H. Ambrosius, o.c., 3,134. -18. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 315. -19. Vgl. A. Vázquez de Prada, Estudio
sobre la amistad, Madrid 1956, bl. 259. -20. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 88. -21. R.A. Knox, Pastoral Sermons,
280.
|