Eenendertigste week. Woensdag
24. De vruchten van het kruis
-Zin van het lijden. De vruchten ervan in het
christenleven. -Tot Jezus en Maria gaan bij ziekte en tegenslag.
24.1 Het kruis is het symbool en teken van
de christen, omdat aan het kruis de verlossing van de wereld is volbracht. De
Heer gebruikte de uitdrukking zijn
kruis opnemen verscheidene malen om aan te geven
welke houding zijn leerlingen tegenover lijden en tegenslag moesten aannemen.
In het evangelie van de heilige Mis zegt Jezus tot ons: Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan
hij mijn leerling niet zijn.1 En bij een andere gelegenheid wendde Hij zich tot de
aanwezigen en vermaande hen: Wie mijn
volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag
opnieuw zijn kruis op te nemen.2
Lijden, in zijn diverse verschijningsvormen, is
een algemeen gegeven. De heilige Paulus vergelijkt het lijden met de weeën van
een moeder bij de bevalling: Wij weten
immers, dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door.3 De ervaring leert
ons, dat alle schepselen -arm en rijk, jong
en oud, man en vrouw- om verscheidene redenen en oorzaken met lijden te
doen krijgen. Daarom vermaande de heilige Petrus de eerste christenen: Dierbare vrienden, verwondert u niet over de brand
die in uw midden woedt om u te louteren, alsof u iets ongewoons overkomt.4 Het lijkt wel alsof lijden uit de
natuur van de mens zelf voortkomt. Niettemin leert het geloof ons, dat het
lijden in de wereld is doorgedrongen door de zonde. God had de mens voor het
lijden behoed door een daad van oneindige goedheid. Geschapen in een oord van
zaligheden zou hij, als hij trouw aan God was gebleven, vanuit dit aards
paradijs naar de hemel zijn gevoerd om daar voor eeuwig het zuiverste geluk te
genieten.
De zonde van Adam, die op zijn afstammelingen
is overgegaan, heeft de goddelijke plannen gewijzigd. Met de zonde deden pijn
en dood hun intrede in de wereld. Maar de Heer nam het menselijk lijden op zich
door de ontberingen van een gewoon leven -Hij leed honger en dorst, Hij werd
moe van het werken...- en van zijn lijden en dood aan het kruis. Zo veranderde
Hij de pijnen en smarten van dit leven in een onmetelijk goed. Meer nog, wij
allen zijn geroepen om door lijden en vrijwillige versterving in ons lichaam
Jezus' lijden aan te vullen.5
Het geloof in deze geheimvolle deelname aan het
kruis brengt met zich mee «de innerlijke zekerheid, dat de lijdende mens aanvult wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van
de Christus; krachtens de geestelijke dimensie van
het verlossingswerk dient het lijden, naar de wil van Christus, tot heil van
zijn broeders en zusters. Het komt daarom niet alleen anderen ten goede maar
het vervult ook, en nog meer een onvervangbare opdracht. In het Lichaam van
Christus [...] speelt het lijden [...] een absoluut noodzakelijke en eigen rol om
al het goede tot stand te brengen dat in zich een absolute voorwaarde is voor
het heil van de wereld. Dit lijden maakt meer dan wat ook de weg vrij voor de
genade, die het hart van de mensen verandert. Het zorgt er vooral voor, dat de
krachten van de Verlossing in de menselijke geschiedenis levend en werkzaam
blijven.»6
Het is aan ons om edelmoedig met Christus mee
te werken in het liefdevol aanvaarden van lijden, tegenslagen, de normale moeilijkheden
van het leven, ziekte... die Hij toestaat omwille van onze persoonlijke heiliging
en die van geheel de Kerk. Het lijden heeft dan zin en wij worden
daadwerkelijke medewerkers van de Heer in het heilswerk van de zielen en, als
wij delen in zijn lijden op aarde, zullen wij ooit zijn heerlijkheid delen en
zal het werk van onze heiliging aldus volledig zijn.7
24.2 De boom van het kruis hangt vol
vruchten. Het lijden helpt ons meer onthecht te zijn van de goederen van de
aarde, van gezondheid... «Deus meus et omnia!», Mijn God en mijn alles!8, riep de heilige Franciscus van Sales uit. Als wij
Hem bezitten, verliezen we niet veel. Daarentegen «gelukkig wie uit geheel zijn
hart kan zeggen: mijn Jezus, U alleen bent mij genoeg!»9
Tegenslagen zijn een prachtige kans om onze
fouten en zonden uit het voorbije leven beter uit te boeten. De heilige
Augustinus leert, dat de Heer met name in die gevallen als geneesheer optreedt
om de wonden te genezen die de zonden hebben achtergelaten en het medicijn van
de tegenslagen aanwendt.10 Moeilijkheden en
pijnen die wij ondergaan brengen ons ertoe bereidwilliger en standvastiger onze
toevlucht te zoeken tot de goddelijke barmhartigheid: In hun nood zullen zij naar Mij uitzien11, zegt de Heer
bij monde van de profeet Hosea.
En Jezus nodigt ons uit om in moeilijke
omstandigheden tot Hem te komen: Komt
allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en
verlichting schenken.12
Hoe vaak hebben we deze verlichting niet ondervonden! Waarlijk, Hij is een toevlucht en sterkte13 te midden van
alle stormen van het leven, Hij is de deur waar we in allerijl naar toe moeten
gaan.
Tegenslagen, ziekte, pijn... geven ons de kans
vele deugden te beoefenen -geloof, sterkte, vreugde, nederigheid,
vereenzelviging met de goddelijke wil...- en stellen ons in staat vele
verdiensten te verkrijgen. «Als je denkt aan alles in je leven dat zonder
waarde zal blijven, omdat je het niet aan God hebt opgedragen, zou jij je
eigenlijk als een vrek moeten voelen: begerig in het verzamelen van alle
gelegenheden om een offertje te brengen, in het niet onbenut laten van welk
lijden dan ook. -Immers, nu het eenmaal zo is, dat het lijden de metgezel is
van het schepsel, is het toch dwaasheid om daar niets mee te doen?»15 En er bestaan perioden in het leven, waarin het
lijden zich overvloedig aandient... Laten we het niet voorbijgaan zonder dat het
overvloedige weldaden in de ziel achterlaat.
Lijden dat in christelijke zin wordt gedragen,
is een machtig middel tot heiligheid. Ons innerlijk leven heeft ook tegenslagen
en hindernissen nodig om te groeien. De heilige Alfonsus de Liguori verzekerde
dat, zoals een vlam opflakkert als deze in aanraking komt met lucht, de ziel
evenzo vervolmaakt wordt in contact met tegenslagen.15
Zelfs bekoringen helpen om voort te schrijden in de liefde tot de Heer. God is getrouw. Hij zal niet toelaten dat gij boven
uw krachten beproefd wordt. Met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat
gij ze kunt doorstaan.16
En de beproeving die wij bij de Heer hebben doorstaan, brengt ons nieuwe gaven
en zegeningen.
24.3 Wanneer wij in droefenis verkeren,
laten we dan tot Jezus gaan, bij wie wij steeds troost en bijstand zullen
vinden. Zoals de psalmist, zo kunnen ook wij zeggen: Tot de Heer in al mijn benardheid riep Ik -en Hij heeft
mij geantwoord17, want wij zijn
machteloos tegenover de grote menigte die op ons afkomt; wij weten niet wat we
moeten doen, maar op U zijn onze ogen gevestigd.18
In het barmhartige hart van Jezus vinden wij altijd vrede en hulp. Tot Hem
moeten we allereerst gaan, in alle gemoedsrust om niet de woorden te horen te
krijgen die de Meester ooit tot Petrus richtte: Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?19 «Oh, moge God
mij behoeden! -riep de heilige Teresia uit-. Wanneer Gij, Heer, moed wilt
schenken, wat maken al die tegenslagen dan uit!»20
Bidden wij altijd tot Jezus om die «moed», wanneer lijden of tegenslagen zich
aandienen.
Bij de Heer vermogen wij alles; ver van Hem
verwijderd, zullen wij niet lang tegenstand bieden. «Met zo'n goede Vriend bij
ons -onze Heer Jezus Christus-, met zo'n goede Leidsman, die zich als eerste in
het lijden stortte, kunnen we alles verdragen. Hij helpt en geeft kracht, Hij
is er altijd, Hij is een echte vriend.»21 Met
Hem zullen we opgewekt weten te zijn, goedgehumeurd, te midden van de
moeilijkheden, zoals de heiligen dat gedaan hebben. Zij hebben ons overvloedige
voorbeelden daarvan nagelaten.
De Heer zal ons ook leren om beproevingen en
pijnen objectiever te bezien, zodat we geen belang hechten aan iets wat geen
belang heeft en we geen pijnen gaan bedenken die geboren worden uit de
verbeelding, bij gebrek aan nederigheid; en we zullen ze ook niet in aantal en
omvang gaan vermeerderen, wanneer we ze met een beetje goede wil kunnen
verdragen en er geen drama of tragedie van maken.
Aan het einde van ons gebed keren wij ons tot
onze Vrouwe, opdat zij ons leert vruchten te plukken uit alle moeilijkheden die
we zullen moeten ondergaan of die we in deze dagen doormaken. «Cor Mariae perdolentis, miserere nobis!, Hart vol smarten van Maria, ontferm u over ons -roep het hart van de
heilige Maagd aan, met de vaste wil om je met haar lijden te verenigen, als
eerherstel voor je zonden en voor die van de mensen van alle tijden. -En vraag
haar voor iedere ziel, dat haar lijden onze afkeer van de zonde mag versterken
en dat we van de lichamelijke en geestelijke tegenslagen van iedere dag kunnen
houden als een manier om boete te doen.»22
-1. Lc 14,27. -2. Lc 9,23. -3. Rom 8,22. -4. 1 Pe 4,12. -5. Vgl. Kol 1,24. -6. Johannes Paulus ii,
Apost. brief Salvifici doloris, 2 februari 1984, 27. -7. Vgl. A.
Tanquerey, Het lijden
vergoddelijkt, Doornik 1943. -8. H. Franciscus van Assisi, Opuscula, Pedeponti, 1739, vol. I, bl. 20. -9. Vgl. H. Alfonsus M. van Liguori, Beknopte sermoonen, voor al de zondagen des jaers, Gent 1847. -10. Vgl. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen, 21,2,4. -11. Hos 5,15. -12. Mt 11,28. -13. Ps 45,2. -14. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 997. -15. H. Alfonsus Maria van Liguori, o.c., bl. 823. -16. 1 Kor 10,13. -17. Ps 119,1. -18. 2 Kron 20,12. -19.
Mt 14,31. -20.
H. Teresia van Avila, Stichtingen, 3,4. -21. Idem, Leven, 22. -22. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 258.
|