Negenentwintigste week. Dinsdag
5. de waakzaamheid in de liefde
-Zijn lampen brandend houden. -De waarde van
waakzaamheid in zaken die ogenschijnlijk van weinig belang zijn. -Waakzaam zijn
voor het gevaar van lauwheid.
5.1 Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend! Gedraagt u als mensen
die wachten op de terugkomst van hun heer, die naar de bruiloft is, om als hij
aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.1 Deze woorden
richt de Heer in het evangelie van vandaag tot ons. De uitdrukking zijn lendenen omgorden
is een beeldspraak die ontleend is aan de gewoonten van de Hebreeën en de volkeren
van het Midden-Oosten in het algemeen. Men was gewoon zijn lange gewaad op te
hijsen voordat men vertrok voor een reis, om makkelijker over de stoffige wegen
te reizen. In het boek Exodus wordt verteld, hoe God de Israëlieten
onderrichtte in de ritus van het Joodse paasfeest: En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw
voeten geschoeid, en uw stok in de hand.2 De Israëlieten moesten zich kleden alsof
zij klaarstonden om door de woestijn te trekken op weg naar het Beloofde Land.
Op dezelfde wijze is lampen brandend
houden een symbool voor het klaar staan en
afwachten dat past bij iemand die wacht op de komst van een ander.
Weer herinnert de
Heer ons eraan, dat onze houding moet zijn als van iemand die op het punt staat een belangrijke
reis te ondernemen, of als van iemand die helemaal voorbereid is op de komst
van een belangrijke gast. Christelijk leven
kan niet worden gekenmerkt door slaperigheid en onachtzaamheid. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste: de
vijand neemt geen rust. Hij is voortdurend tegen ons aan het werk. Uw vijand de duivel zwerft rond als een brullende
leeuw, op zoek naar een prooi om te verslinden.3 Ten tweede,
niemand die liefheeft, is lusteloos en slaperig.4
«Waakzaamheid hoort bij liefde. Wanneer men iemand liefheeft, is het hart
altijd waakzaam, vol verlangen wachtend. Geen minuut gaat voorbij, zonder dat
wij aan de geliefde denken. Jezus vraagt om onze liefde. Daarom roept Hij ons
op om waakzaam te zijn.»5 Dichtbij Castelgandolfo
in Italië staat een beeld van Maria langs de weg, waarop geschreven staat: Cor meum vigilat. Het
hart van de heilige Maagd is uit liefde altijd waakzaam. Wij kunnen dit
opschrift voor ons zelf gebruiken. Wij moeten uit liefde waakzaam zijn, om de
Liefde te ontdekken die zo dicht bij ons langs komt. De heilige Ambrosius
leert, dat als de ziel slaapt, Jezus langs zal komen zonder zelfs maar te kloppen.
Maar als het hart oplettend is, zal Hij aankloppen om binnengelaten te worden.6 Jezus komt langs in de loop van de dag. Wat zou het
jammer zijn als wij Hem niet zouden begroeten omdat wij slaperig zijn!
«Hoezeer heb ik U lief, Heer, mijn sterkte! De Heer
is mijn steenrots, mijn burcht, gevaren doet Hij mij ontkomen (Ps 18,2-3). Het allerkostbaarste en meest beminnelijke dat ik mij kan
voorstellen, bent U. Help mij, mijn God! Ik heb U lief met alle vurigheid die
in mij is en die Gij mij gegeven hebt. Dit is veel minder dan ik U zou moeten
liefhebben, maar het is niet minder dan waartoe ik in staat ben U te beminnen...
Ik kan U meer liefhebben, als U mijn vermogen om lief te hebben vergroot; maar
ik weet zeker, dat ik U nooit kan beminnen zoals U verdient.»7 Laten wij nooit toelaten dat door ons gebrek aan
waakzaamheid andere zaken de plaats in ons hart innemen, die bestemd is voor de
Heer. Jezus, leer mij om mijn hart voor U vrij te houden. Ik wil dat mijn hart
klaar is voor U wanneer U komt.
5.2 Ik zal mijn wachtpost betrekken, ik ga op de wallen staan; ik wil
uitkijken om te zien, wat Hij mij zeggen zal, het antwoord, dat ik te horen
krijg op mijn bezwaren.8 De heilige Bernardus merkt bij deze woorden van de profeet Habakuk op: «Deze oplettende houding geldt ook
voor ons, mijn broeders, omdat het uur van de strijd nu is.»9 Wij moeten bereid
zijn iedere dag te strijden, dikwijls in kleine zaken, omdat vele hindernissen ons van God kunnen scheiden. Onze vastberadenheid
om waakzaam te zijn, kan van praktisch nut worden bij het gelovig
vervullen van plichten. Deze ontmoetingen met de Heer geven ons kracht en
vrede. Wij moeten oppassen voor elke verzwakking van onze vastberadenheid door
schommelingen in onze stemming of door gewoon voorbijgaande gevoelens.
Onze inspanning kan ook gericht zijn op de naastenliefde, op de vorming van ons karakter, op
het pogen hartelijker te zijn, te leven in een voortdurende geest van dienstbaarheid,
om blijmoediger te zijn... Misschien is het nodig te proberen beter te werken, accurater
te zijn of meer zorg te besteden aan onze
menselijke, beroepsmatige en geestelijke vorming... Deze houding van waakzaamheid
garandeert toch niet, dat wij altijd succes zullen hebben. Onvermijdelijk
zullen wij zowel successen als mislukkingen meemaken: doelstellingen die wij
niet gehaald hebben, besluiten die wij maar half hebben uitgevoerd... Veel van
deze mislukkingen zullen van weinig belang zijn. Die ernstiger blijken, zullen
wij proberen te herstellen en dan ons berouw tonen aan de Heer. Hij zal ons de
kracht geven door te gaan. De heilige Johannes Chrysostomus schreef ooit naar
iemand die afvallig geworden was: «Het ergste is niet, dat de strijder in de
strijd gevallen is. Het ergste zou zijn, dat hij blijft liggen. Het is niet het
einde van alles, wanneer iemand gewond raakt in het gevecht. Wat echt jammer
is, is dat de gewonde niet op zoek gaat naar de juiste behandeling van zijn
wond.»10
Laten wij niet vergeten, dat onze 'strijd in
het kleine' ertoe dient de ziel te sterken en volgzamer aan de werking van de
Heilige Geest te zijn. De andere zijde van de medaille is, dat onze onachtzaamheid
voor kleine zaken de oorzaak van de breuk in
onze verdediging is, daar waar wij dikwijls in het nadeel zijn:
misschien zijn wij onoplettend en zorgeloos als het om punctualiteit gaat, in
de kwaliteit van ons gebed, bij het denken
aan de waarde van kleine verstervingen bij de maaltijden, in het bewaken
van onze zintuigen... «Laten wij niet vergeten, dat noch het houweel, noch de
bijl, noch de slagen van om 't even welk
ander werktuig, hoe scherp 't ook zijn mag, de gevaarlijkste vijanden
van het gesteente zijn, maar het water dat drupsgewijze tussen de reten van de
rots sijpelt, tot het de rotspartij doet barsten. Hier ligt voor de christen
het grote gevaar! Hij is geneigd de dagelijkse schermutselingen te
minimaliseren die langzamerhand hun sporen in de ziel achterlaten en haar
tenslotte slap en broos maken, onverschillig en doof voor de stem van God.»11
5.3 God is zeer verheugd bij het zien van
iemand die wacht op zijn komst, iedere dag opnieuw. Jezus zegt in de parabel
van vandaag: Gelukkig de dienaars, die
de heer bij zijn komst wakende zal vinden. Voorwaar Ik zeg u: hij zal zich omgorden,
hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om hen te bedienen. God staat klaar om geweldige dingen voor ons te doen. Het is de moeite
waard om waakzaam te zijn. Onze ziel mag vol hoop zijn, gespitst om de
voetstappen van de Heer te horen.
Een liefhebbend
hart is altijd alert, zoals de schildwacht op zijn post.
De ziel die vervallen is tot lauwheid is daarentegen diep in slaap. Lauwheid
kan men zien als een helling die iemand steeds lager brengt, waarbij men steeds
verder van God verwijderd raakt. Langzamerhand raakt men gewend aan een minimum
te doen, aan het louter vermijden van doodzonde,
aan het niet te veel drukte maken over de
dagelijkse zonden. Deze houding wordt misschien goedgepraat onder
voorwendsels van natuurlijkheid, doelmatigheid,
medeleven met anderen... Wie lauw is staat steeds welwillender ten
opzichte van zijn eigen tekortkomingen, bevliegingen en gemakzucht, die worden
beschouwd als een objectieve behoefte. De krachten van de ziel worden steeds
minder en men komt tot grotere zonden.
Wanneer de ziel ondergedompeld is in lauwheid,
leeft men zonder een concreet doel bij de innerlijke strijd. Men stelt zich
tevreden met het minimum. De inspanning tot verbetering wordt met
schouderophalen terzijde geschoven. In zijn hart heeft men een gevoel van
leegte, als het gaat om de zaken van God, om God zelf. Wie in de lauwheid is
gevallen probeert deze leegte met wereldse zaken te vullen, maar dat is vergeefs. Zijn omgang met God wordt koel
en levenloos. Vóór de lauwheid is er altijd een voorgeschiedenis van ontrouw in
kleine zaken, dat stukje bij beetje bijgedragen heeft tot het gevoel van
vervreemding.
Houdt uw lendenen omgord en
de lampen brandend... Wij moeten oplettend luisteren
naar de stem van de Heer. Dit is een oproep om iedere dag in goed bepaalde
punten te strijden. Niemand zag oplettender uit naar de komst van Christus dan
zijn moeder Maria. Zij zal ons leren om waakzaam te blijven als die
slaperigheid ons bedreigt.
«Mijn Heer, wat bent U goed voor hen die U
zoeken! Hoe goed zult U zijn voor hen die U vinden.»12
Wij hebben de Heer gevonden. Laten wij Hem nooit verliezen.
-1. Lc 12,35-38. -2. Ex 12,11. -3. 1 Pe 5,8. -4. Vgl. Hl 5,2. -5. Vgl. Ch. Lubich, Meditaties, Nijmegen, 1983. -6. Vgl. H. Ambrosius, Commentaar op Psalm 18.
-7. H. Bernardus, Verhandeling over de liefde van God, VI,
16. -8. Hab 2,1. -9. H. Bernardus, Preek 5,4. -10. H. Johannes Chrysostomus, Brief 2 aan Theodoor,
1. -11 H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 77. -12. Vgl. Hymne, Iesu dulcis memoria.
|