Tweeëndertigste zondag door het jaar (B)
29. De waarde van de aalmoes
-Niet alleen het overbodige weggeven, maar ook
wat onontbeerlijk lijkt. -De aalmoes openbaart onze liefde en overgave aan de
Heer. -God beloont onze edelmoedigheid dubbel en dwars.
29.1 De liturgie van deze zondag toont ons
de edelmoedigheid van twee vrouwen die waardig bevonden werden door God
geprezen te worden. In de eerste lezing1 lezen
wij hoe Elia eten vroeg aan een weduwe aan de poorten van Sarepta. Er heerste
hongersnood en droogte, maar die vrouw deelde met de profeet wat haar nog
restte, tot en met het laatste handjevol meel, en vertrouwde op de woorden van
die Godsman: De pot met meel raakt
niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput, totdat Jahwe het weer laat
regenen. Haar viel de eer te beurt door Jezus in
herinnering geroepen te worden.2
Het evangelie van de heilige Mis toont ons de
Heer, zittend voor de offerkist van de tempel.3
Hij bekeek hoe de mensen hun aalmoes daarin stortten en menige rijke liet er veel in vallen. Toen kwam daar een arme weduwe, die er twee koperen muntstukjes in wierp.
Het betroffen twee geldstukjes van weinig waarde. In simpel geld uitgedrukt,
was het bedrag minimaal maar voor Jezus telde het. Toen zij wegging, verzamelde
Hij zijn leerlingen en, op haar wijzend zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen
die iets in de offerkist wierpen; allen wierpen ze er iets in van hun
overvloed, maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest. De Heer prees in deze vrouw de edelmoedigheid van de aalmoezen die bestemd waren voor de
eredienst. En Hij prees elke gave die gegeven wordt vanuit een rechtschapen en
edelmoedig hart, wie zelfs dat weet te geven wat hij voor zijn eigen behoeften
nodig heeft. Meer dan op de hoeveelheid zelf, let Jezus op de innerlijke gesteldheid
die tot handelen aanzet; Hij let niet zozeer op «de hoeveelheid die men Hem
aanbiedt, maar op de liefde waarmee men het Hem schenkt.»4
De aalmoes, niet
slechts van de overvloed maar ook als resultaat van eigen offers, is een werk van
barmhartigheid dat de Heer zeer
welgevallig is en dat Hij altijd zal belonen. «Een liefdadig huis zal
nooit arm zijn»5, zei de heilige pastoor van Ars
zo vaak. Het gewone beoefenen ervan openbaart en vat vele deugden samen, en
verkrijgt Gods welwillendheid. In de Heilige Schrift wordt het hartstochtelijk
aanbevolen: Als je overvloed hebt,
geef dan overvloedig aalmoezen -lezen we in het
boek Tobit- want dat is de beste
belegging voor de tijd van nood. Want de aalmoes redt van de dood en verspert
de weg naar de duisternis. Ze wordt alle
gevers door de Allerhoogste aangerekend als een welgevallige offergave.6 Wie deze plicht
niet begrijpt of niet anders dan met tegenzin vervult,
stelt zich bloot aan het gevaar in zijn
leven de droevige figuur te verpersoonlijken van die slechte rijke7, die geheel in beslag genomen door zichzelf en met
een ongeordende gehechtheid aan zijn goederen, niet kon zien, dat de Heer
Lazarus naast hem had geplaatst om hem met
zijn zijn bezit te hulp te komen.
Met welk een grote vreugde zal die vrouw naar
huis zijn gegaan, nadat zij alles gaf wat zij bezat! Hoe verrast zal zij zijn
geweest, toen zij bij haar ontmoeting met God de blijde blik van Jezus kon zien
op die ochtend dat zij haar offer aanbood! Iedere dag rust die blik van God op
ons leven.
29.2 De aalmoes komt voort uit een hart vol erbarmen, dat een beetje troost
wil bieden aan wie nood lijdt of met geld de Kerk wil ondersteunen en die goede
werken die gericht zijn op het welzijn van de samenleving. Het geven van
aalmoezen leidt tot onthechting en maakt het hart geschikt Gods plannen beter
te begrijpen. Zo'n gesteldheid van de ziel «leidt ertoe, dat we edelmoedig zijn
tegenover God en onze broeders en zusters. Ze brengt ons ertoe hulpbronnen te
zoeken, ons niet te ontzien anderen die het nodig hebben, te helpen. Een
christen kan niet volstaan met enkel het werk te doen dat voldoende inkomen
oplevert voor hem en de zijnen. Zijn grootheid van hart zal hem dwingen een
hand uit te steken om anderen te helpen, uit naastenliefde en ook uit rechtvaardigheidszin.»8
De eerste christenen toonden hun liefde voor de
ander door zich met buitengewone ijver te bekommeren om en aandacht te hebben
voor de materiële noden van hun broeders. Vandaar de talloze toespelingen in de
Handelingen van de Apostelen en in de Brieven van Paulus op de wijze waarop men
dit werk van barmhartigheid moet beoefenen. Er wordt zelfs de concrete manier
aangegeven om dit ten uitvoer te brengen: Laat ieder van u elke zondag naar vermogen iets opzij leggen en bewaren...9, schrijft de heilige Paulus aan de
christenen van Korinte. Zij gaven niet alleen van hun overvloed; in vele
gevallen, zoals in Macedonië gebeurde, maakten zij zware economische tijden
door. De apostel laat niet na hen te prijzen, want door verdrukkingen zwaar beproefd verheugden zij zich bovenmate en hun
bittere armoede werd overrijk in mildheid.
Want zij hebben naar vermogen gegeven; ik moest eigenlijk zeggen, boven
hun vermogen. Uit eigen beweging en met grote aandrang smeekten zij ons om de
gunst, deel te mogen nemen aan de ondersteuning van de heiligen.10 En zij droegen niet slechts
edelmoedig bij aan de collecte voor de christenen van Jeruzalem, maar zij gaven zichzelf, in de eerste plaats aan de
Heer, maar dan ook, door Gods wil, aan ons.11 Wellicht doelde Paulus op de edelmoedige overgave
aan de evangelisatie door zijn trouwste medewerkers. In zijn uitleg van deze
passage verzekert de heilige Thomas, dat «aldus de orde bij geven dient te
zijn: dat de mens eerst door God aanvaard moet worden, want als hij God niet
welgevallig is, zullen ook zijn gaven niet worden ontvangen.»12 De aalmoes is, in al zijn vormen, de uitdrukking
van onze overgave aan en onze liefde tot de Heer; deze dienen vooraf te gaan.
Geven en zichzelf geven is niet afhankelijk van het vele of weinige dat men bezit, maar van de liefde tot God die men in de
ziel draagt. «Onze nederige overgave -op zichzelf onbetekenend, zoals de
olie van de weduwe van Sarepta of het obooltje van de arme weduwe- wordt in
Gods ogen aanvaardbaar door haar vereniging met het offer van Jezus.»13
29.3 Het geven van aalmoezen verkrijgt Gods
zegen en brengt rijke vruchten voort: genezing van de zielewonden, de zonden14; «verdediging van de hoop, steun van het geloof,
medicijn voor de zonde; het geven ligt binnen het bereik van wie dit wil
beoefenen, groots en tegelijk ook makkelijk, zonder gevaar ervoor vervolgd te
worden, kroon van vrede, werkelijk en hoogste geschenk van God, noodzakelijk
voor de zwakken, eervol voor de sterken. Door de aalmoes verkrijgt de christen
de geestelijke genade, de vergeving van Christus de Rechter en rekent God tot
zijn schuldenaars.»15
De aalmoes moet met een oprechte bedoeling
worden gegeven, met het oog gericht op God, zoals die weduwe van wie Jezus ons
spreekt in het evangelie; edelmoedig, met goederen die wij vaak niet nodig
hebben, maar die voor anderen veel meer noodzakelijk zijn; door niet karig of
gierig te zijn «tegenover Hem die zich zo royaal voor ons heeft overtroffen dat
Hij zich voor ons helemaal heeft overgeleverd, zonder maat. Bedenk eens: wat
kost het u, zelfs als we het over geld hebben, dat u christen bent?»16 De aalmoes moet gegeven worden vanuit een
medelijdend hart, vol van liefde tot God en de naasten. Daarom komt boven de
materiële waarde van de goederen die we delen, de geest van naastenliefde
waarmee we de aalmoes geven, een geest die zich zal openbaren in vreugde en
edelmoedigheid wanneer we haar beoefenen. Zo zullen we, ook als we niet over
veel goederen beschikken, de woorden van de heilige Paulus, die vandaag in het
Getijdenboek zijn opgenomen, tot werkelijkheid maken: Door de kracht van God zelf treuren wij maar zijn wij
altijd blij; wij zijn berooid en maken velen rijk, haveloos en de wereld is van
ons.17 Laten we
nooit met tegenzin of droefheid geven, want God houdt van een blijmoedige gever.18
God zal onze edelmoedigheid dubbel en dwars
belonen. Wat wij anderen hebben geschonken aan tijd, toewijding, stoffelijke
goederen..., de Heer zal het ons in veelvoud teruggeven.
Bedenkt:
wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten.19 Aldus vermenigvuldigde God de karige goederen die
de weduwe van Sarepta aan Elia ter beschikking stelde, en de broden en vissen die een jongen bij Jezus bracht20 en die hij misschien met vooruitziende blik
voor die nood had gereserveerd... «Dit zegt uw Heer [...]: Weinig hebt ge Mij
gegeven, veel zult ge ontvangen; ge hebt Mij
aardse goederen gegeven, Ik zal ze u in hemelse vorm teruggeven; gij
hebt Mij tijdelijke goederen gegeven, ge zult eeuwige ontvangen...»21 Volkomen terecht beweert de heilige Teresia, dat
«reeds in dit leven Zijne Majesteit ze zal betalen via wegen die alleen hij die
ze mag genieten, begrijpt.»22
Bidden we tot onze Vrouwe, dat zij ons een
edelmoedig hart mag geven, dat weet te geven en zichzelf te geven, dat niet op
tijd, financiële goederen of inspanning beknibbelt... op het uur van hulp aan
anderen en van die apostolische onderneming tot welzijn van de ander. De Heer
zal ons vanuit de hemel met medelijdende liefde aanschouwen, zoals Hij die arme
vrouw aanschouwde die op die ochtend naar de offerkist van de tempel kwam.
-1. 1 Kon 17,10-16. -2. Vgl. Lc. 4,25 e.v. -3. Mc 12,41-44. -4. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan de Hebreeën, 1. -5. H.
Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek
over de aalmoes. -6. Tob 4,8-11. -7. Vgl. Lc 16,19. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 126. -9. 1 Kor 16,2. -10. 2 Kor 8,2-4. -11. 2 Kor 8,5. -12. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de Tweede Brief van de heilige Paulus
aan de Korintiërs, 2,5. -13. Johannes Paulus ii, Homilie in Barcelona, 7
november 1982. -14. Vgl. Romeinse
Katechismus, IV,14,23. -15. H. Cyprianus, Goede werken en aalmoezen, 27. -16. H. Jozefmaria Escrivá, loc.
cit. -17. Getijdenboek, Antifoon van de Lauden. 2 Kor 6,10. -18. 2 Kor 9,7. -19. 2 Kor 9,6. -20. Vgl. Joh 6,9. -21. H. Augustinus, Preek 38, 8. -22. H. Teresia van Avila, Leven, 4,2.
|