Vijfde week. Vrijdag
34. DE WAARDE VAN DE VRIENDSCHAP
-Bij Jezus leren we de werkelijke betekenis van vriendschap.
-Vriendschap is een groot menselijk goed dat bovennatuurlijk kan worden
gemaakt. Kenmerken van ware vriendschap. -Apostolaat voor onze vrienden.
34.1 Geen grotere
liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.
Gij zijt mijn vrienden... Ik noem u geen dienaars meer... maar u heb Ik vrienden
genoemd 1,
zegt onze Heer ons in het evangelie van de Mis van vandaag.
Jezus is onze vriend. Bij Hem vonden de apostelen de grootste
vriendschap. Hij was Iemand die van hen hield, Iemand bij wie zij hun vreugde
en verdriet kwijt konden, Iemand bij wie zij in volledig vertrouwen hun
toevlucht konden nemen. Zij wisten maar al te goed wat Hij bedoelde, toen Hij
hun zei: Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.2 Lazarus' zusters
konden geen betere omschrijving vinden van de liefde die met vriendschap
verbonden is, toen zij Hem vroegen te komen: Heer, hij die Gij liefhebt is
ziek3, zo
berichtten zij Hem. Het was het beste argument dat ze konden bedenken.
Jezus zocht en bevorderde de vriendschap met allen die Hij
ontmoette op Palestina's wegen. Hij maakte altijd gebruik van gesprekken om zo
tot de bodem van hun ziel door te dringen en ze met liefde te vullen. En
behalve zijn oneindige liefde voor alle mensen, liet Hij openlijk zijn
vriendschap blijken voor bepaalde mensen: de apostelen, Jozef van Arimathea,
Nikodemus, Lazarus en zijn familie... Zelfs weigerde hij niet om Judas, op het
moment toen die Hem uitleverde, vriend te noemen. Na Petrus' ontkenningen
vraagt Hij hem: Hebt ge Mij lief? 4 Ben je mijn vriend? Kan Ik op je
vertrouwen? En Hij geeft hem zijn Kerk: Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen.
«Christus, de verrezen
Christus, is de Metgezel, de Vriend. Een Metgezel, die weliswaar
onzichtbaar aanwezig is, maar wiens werkelijkheid ons hele leven vervult en die
ons doet verlangen naar zijn definitieve tegenwoordigheid.»5 Hij, die
deelneemt aan ons leven, wil ook delen in onze last: Ik zal u rust en
verlichting schenken6, zegt Hij ons. Hij wenst ook vurig ons te laten delen in
zijn eeuwige glorie.
Jezus Christus is de vriend die ons nooit verraadt7, die, als we naar
Hem toegaan en tot Hem spreken, altijd klaar staat om ons te ontvangen. Hij
verwelkomt ons altijd weer, zelfs al is er van onze kant sprake van
vergeetachtigheid of kilheid. Hij helpt altijd, en bemoedigt en vertroost ons.
De vriendschap met onze Heer, die geboren wordt en groeit
door gebed en het waardig ontvangen van de sacramenten, helpt ons om het belang
van de menselijke vriendschap beter te begrijpen. De Heilige Schrift omschrijft
ze als een schat: Een trouwe vriend is een machtige schutsmuur; wie hem
vindt, heeft een schat gevonden. Een trouwe vriend is niet te betalen: het is
een heerlijkheid waar niets tegen opweegt.8 De apostelen leerden de ware betekenis
van vriendschap van Jezus zelf. En in de Handelingen der apostelen zien we hoe
ook Paulus vele vrienden had, die hij erg liefhad. Hij mist ze als ze er niet
zijn, en hij wordt vervuld van blijdschap als hij nieuws van hen verneemt.9 Ook de
christelijke Oudheid heeft ons getuigenissen nagelaten van grote vriendschappen
onder onze eerste broeders en zusters in het geloof.
34.2 Onze dagelijkse omgang en vriendschap met
Christus leidt ons ertoe om een open, begripvolle houding aan te nemen. Dit
vergemakkelijkt het krijgen van vrienden. Gebed zuivert de ziel en maakt ons
bijzonder geschikt om andere mensen te begrijpen. Ook vergroot zij onze
gulheid, ons optimisme, onze hartelijkheid en onze dankbaarheid; dit zijn
allemaal deugden die het de christen vergemakkelijken om vriendschappen aan te
gaan.
Ware vriendschap ziet geen eigenbelang, want ze richt zich
meer op geven dan op nemen. Zij zoekt niet haar eigen belang, maar die van de
vriend. «Een ware vriend kan niet dubbelzinnig zijn met betrekking tot zijn
vriend; trouwe en oprechte vriendschap vereist zelfverloochening, rechtschapenheid,
wederzijdse gulheid en geoorloofde diensten. Een vriend is sterk en oprecht in
de mate dat hij edelmoedig aan de ander denkt, met persoonlijke offers van zijn
kant, steeds in de context van bovennatuurlijke gerichtheid. Binnen het klimaat
van vertrouwen, dat ontstaat indien er sprake is van echte vriendschap, wordt
van de kant van de ander verwacht dat hij beantwoordt aan dat vertrouwen; men
rekent op de erkenning van wat wij zijn en, zo nodig, op een heldere
verdediging zonder drogredenen.»10
De ware vriendschap moet van twee kanten komen. De affectie
en goede wil moeten wederkerig zijn.11 Vriendschap heeft altijd de neiging om nog steviger te
worden. Zij geeft geen ruimte aan afgunst die haar zou bederven. Zij verkilt
niet door argwaan. Zij moet groeien ondanks problemen12, totdat men zijn vriend als zijn
andere ik beschouwt, reden waarom de heilige Augustinus zegt: «Op de juiste
wijze sprak hij over zijn vriend die hij de andere helft van zijn ziel noemde».13 Dan delen zij op
een natuurlijke manier zowel hun blijdschap als hun verdriet.
Vriendschap is tegelijkertijd een menselijk goed en een
gelegenheid om vele menselijke deugden te ontwikkelen, want zij schept «een
overeenstemming van gevoelens en smaken, die vèr staan van zinnelijke liefde;
ze ontwikkelt verder de toewijding van de ene vriend aan de ander tot zeer hoge
niveaus, zelfs tot aan heldhaftigheid toe. Wij zijn van mening, dat ontmoetingen [...] aan nobele en deugdzame personen de
gelegenheid bieden om te genieten van deze menselijke en christelijke relatie
die vriendschap genoemd wordt. Ze vereist en ontwikkelt tegelijkertijd
edelmoedigheid, belangeloosheid, sympathie, solidariteit, en, in het bijzonder,
de mogelijkheid wederzijds offers te brengen.»14
Een goede vriend loopt niet weg als er moeilijkheden komen;
een goede vriend zal nooit een verrader blijken, zal nooit kwaad over de ander
spreken, en zal nooit toestaan dat zijn vriend tijdens diens afwezigheid wordt
belasterd. Hij komt juist voor hem op. Vriendschap houdt oprechtheid in, vertrouwen,
het delen van vreugde en verdriet, bemoediging, vertroosting en hulp door
middel van het goede voorbeeld.
34.3 Door de eeuwen heen was vriendschap -en dit
is zo nog steeds- een weg waarlangs vele mannen en vrouwen tot God naderden en
de Hemel bereikten. Het is een natuurlijke en eenvoudige weg die vele
hindernissen en moeilijkheden opruimt. Onze Heer gebruikt haar vaak als middel
om Zichzelf bekend te maken. De eersten die Hem ontmoetten, vertelden dit goede
nieuws aan degenen die zij liefhadden. Andreas bracht zijn broer Petrus mee;
Filippus zijn vriend Nathanaël en Johannes nam waarschijnlijk zijn broer
Jacobus mee.
Dit was dé manier waarop het geloof zich verspreidde in de
eerste dagen van het christendom: van broer tot broer, van vader tot zoon, van
slaaf tot meester en andersom, van vriend tot vriend. Vriendschap vormt een
unieke basis om Christus bekend te maken, want het is het natuurlijke medium om
gevoelens over te brengen, om vreugde en verdriet te delen met degenen die ons
nabij zijn door familiebanden, door werk of door het hebben van
gemeenschappelijke interesses.
Het is kenmerkend voor vriendschap, onze vriend het beste wat
wij hebben te geven. Onze grootste schat, zonder enige gelijke, is Christus
gevonden te hebben. Wij zouden geen ware vriendschap kennen als wij de enorme
gave van het geloof niet zouden mededelen. Onze vrienden moeten bij ons
-christenen die Jezus van nabij willen volgen- steun, kracht en inzicht in de
bovennatuurlijke zin van hun leven vinden. De zekerheid om begrip, belangstelling
en aandacht te vinden zal hen ertoe bewegen hun hart in vertrouwen open te
stellen, wetende dat wij hen liefhebben en bereid zijn om hen te helpen. Dit
alles proberen we te beoefenen gedurende onze gewone dagelijkse bezigheden. Wij
proberen voorbeeldig te zijn in ons beroep of studie, altijd de vriendschap te
bevorderen, alles open en van harte te delen met anderen, aangespoord door de
liefde.
Vriendschap brengt ons ertoe om onze vrienden aan te sporen
een werkelijk christelijk leven te leiden, mochten zij ver van de Kerk zijn
afgedwaald, of hen weer op het pad te brengen dat ze op een heilloze dag hebben
verlaten, toen zij het geloof, dat zij eens hadden ontvangen, niet meer
praktizeerden. Met geduld en vasthoudendheid, zonder haast, maar ook zonder
onderbreking, zullen wij hen geleidelijk bij onze Heer brengen, die al op hen
wacht. Soms kunnen we een poosje met hen bidden, een werk van barmhartigheid
verrichten door een zieke of een ander, die daar behoefte aan heeft, te
bezoeken, of ze uitnodigen om met ons een bezoek te brengen aan het heilig
Sacrament. Als de tijd dan rijp is, kunnen we met hen over het sacrament van de
goddelijke barmhartigheid, de biecht, spreken en bereiden we hen erop voor om
dit te ontvangen. Deze vertrouwelijke gesprekken worden, onder invloed van de
vriendschap en de werking van de Heilige Geest, tot open kanalen van het
apostolaat. «De woorden die op het juiste moment in het oor van een wankelende
vriend worden gefluisterd; het oriënterend gesprek dat je op passende wijze
wist uit te lokken; en de deskundige raad die het werk waaraan hij zich wijdt,
zal verbeteren; alsook de discrete vrijmoedigheid, waardoor je voor hem
onvermoede horizonten van apostolische ijver ontsluit... Dit alles vormt het
'apostolaat van het vertrouwelijk gesprek'.»15
Met de hulp van de genade is vriendschap overal toe in staat;
hulp waar we de Heer om moeten smeken door gebed en versterving. Als wij ons
geloof in Christus nooit voor hen hebben verzwegen, zullen ze het normaal
vinden dat wij vaak met hen praten over wat
het belangrijkste is in ons leven, op precies dezelfde manier waarop zij
met òns praten over zaken die zíj als hoogst belangrijk beschouwen.
Onze Heer wil dat we vele vrienden hebben, want zijn liefde
voor de mens is onbeperkt, en onze vriendschap is een middel om hen te
bereiken. Onder alle mensen met wie wij elke dag omgaan, zijn er wellicht
velen, die onbewust verlangen naar het licht van Christus. En hoe blij zijn wij
elke keer, als een vriend van ons een vriend wordt van dé Vriend!
Jezus, die weldoende rondging16, en die de harten won van
zovelen, is ons tot voorbeeld. Wij moeten op gelijke wijze rondgaan onder onze
familieleden, collega's, buren en vrienden. Vandaag is het juiste moment om
onszelf af te vragen of de mensen waarmee wij gewoonlijk in aanraking komen,
als gevolg van ons voorbeeld en onze woorden, de behoefte voelen om dichter tot
onze Heer te naderen. Zijn wij bezorgd voor hun zielen? Kan men werkelijk van
ons zeggen dat wij, net als Jezus, ook in hun leven weldoende aanwezig zijn?
-1. Joh 15,13-15. -2. Joh 13,34. -3. Joh
11,3. -4. Joh 21,16. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 116. -6. Mt
11,28. -7. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 8. -8. Sir 6,14-15. -9. Vgl. 2 Kor 2,13. -10.
H. Jozefmaria Escrivá, Brief,
11 maart 1940. -11. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, II-II, q23, a1. -12. Vgl. Katechismus
van de Katholieke Kerk, 1941. -13. H.
Augustinus, Belijdenissen, 6; Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q23,
a1. -14. Paulus vi, Toespraak,
26 juli 1978. -15. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 973. -16. Hnd 10,38.
|