Vijfde week. Woensdag
39. De waardigheid van arbeid
-Het goddelijke gebod van de arbeid is geen
straf, doch een zegen. Het doet ons delen in de scheppingsmacht van God.
Vermoeidheid en afmatting moeten ons helpen medeverlossers met Christus te
zijn. -Vakbekwaamheid. Luiheid, de grote vijand. -Deugden om goed te werken.
39.1 Nadat God de aarde geschapen had en deze had verrijkt met alle soorten
goede dingen, vormde Hij de mens en bracht hem in
de tuin van Eden om die te bewerken en te beheren1, dat wil zeggen om er te werken. De Heer,
die de mens had gemaakt naar zijn
beeld en gelijkenis2, wilde dat hij zou
delen in zijn scheppingsmacht door de materie te veranderen, de schatten te
ontdekken die erin opgesloten lagen en met zijn handen vorm te geven aan de
schoonheid. Werk was geenszins een straf, doch integendeel «waardigheid van het
leven en een door de Schepper opgelegde plicht, aangezien de mens geschapen was
ut operaretur. Door het werk wordt de mens deelgenoot aan de schepping. Daarom is het
werk, welk het ook zij, niet alleen waardig, maar een werktuig om de menselijke
-aardse- volmaaktheid én de bovennatuurlijke volmaaktheid te bereiken.»3
Het goddelijke
gebod van de arbeid bestond reeds voordat onze eerste
voorouders zondigden. De erfzonde voegde aan het werk de afmatting en
vermoeidheid toe. Maar op zichzelf blijft werk iets edels en waardigs, omdat het een deelname is aan het scheppingsvermogen van
God, ook «al gaat het thans gepaard met ontberingen en lijden,
onvruchtbaarheid en vermoeidheid. Het is nog steeds een gave van God, hoewel
het onder moeilijke omstandigheden uitgevoerd moet worden, precies zoals de
wereld Gods wereld blijft, ofschoon het een wereld is waarin we de stem van God
niet meer duidelijk vernemen.»4
Werk is een zegen, een weldaad die past bij de waardigheid van de mens en die zelfs doet
toenemen.5 «De Kerk vindt in de eerste bladzijden van het Boek Genesis de bron voor haar
overtuiging, dat het werk een fundamentele dimensie is van het menselijke
bestaan op aarde.»6
Het werk verkrijgt door Christus in de jaren
van zijn verborgen leven in Nazareth en de drie jaar van zijn openbare leerambt
een verlossende betekenis. Door de Verlossing kregen de moeizame aspecten van
de arbeid een heiligende kracht voor degene die werkt en voor de hele mensheid.
Zweet en vermoeienis, met liefde opgeofferd, worden schatten van heiligheid,
want werk gedaan uit liefde voor God is de menselijke deelname, niet alleen aan
het scheppingswerk, maar ook aan het werk van de verlossing. Elk werk brengt
een zekere vermoeidheid en stress met zich mee die we aan God kunnen opdragen
als boetedoening voor de schulden van de mensen. Het nederig aanvaarden van dat
onderdeel -inspanning- dat zelfs door de beste arbeidsorganisatie niet
uitgesloten kan worden, betekent meewerken aan het zuiveren van ons verstand,
onze wil en onze gevoelens.7 Laten we vandaag in ons gebed nagaan of we ons dikwijls over ons werk
beklagen: op kantoor, in de werkplaats, thuis of tijdens de studie. Laten we in
aanwezigheid van God bezien of wij vermoeidheid en afmatting opdragen voor het
nastreven van edele doelstellingen; laten we onderzoeken of wij in die minder
aangename aspecten die bij elk werk horen, de christelijke versterving vinden,
die ons zuivert en die we voor anderen kunnen opdragen.
39.2 Arbeid is een talent dat de mens ontvangt om haar vruchten te doen
voortbrengen en zij «is een getuigenis van de waardigheid van de mens, van zijn
heerschappij over de schepping. Zij geeft gelegenheid tot ontwikkeling van de
eigen persoonlijkheid. Zij schept een band tussen mensen, is bron van middelen
om het eigen gezin te onderhouden; is een middel om bij te dragen tot
verbetering van de maatschappij waarin men leeft, en tot vooruitgang van de
hele mensheid.»8 Voor een christen is een goed volbracht werk tevens een gelegenheid
tot een persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus en een middel de hele
werkelijkheid van deze wereld te doordrenken van de geest van het evangelie.
Opdat «de mens meer mens wordt»9 door de arbeid,
opdat deze een middel en kans wordt Christus te beminnen en bekend te maken, is een reeks menselijke
voorwaarden vereist: ijver in de vervulling van het werk,
standvastigheid, stiptheid..., prestige en vakbekwaamheid. Daarentegen is geringe
belangstelling voor wat men doet, onbekwaamheid, veelvuldige afwezigheid op het
werk... onverenigbaar met de echte christelijke betekenis van het leven. De
nalatige of ongeïnteresseerde arbeider, ongeacht zijn positie in de maatschappij, beledigt in de eerste plaats
zijn eigen waardigheid en die van degenen voor wie de vruchten van zijn slecht
uitgevoerde taak bestemd zijn. Hij beledigt
de maatschappij waarin hij leeft, omdat alle kwaad en alle goeds dat een
individu doet, op enigerlei wijze een uitwerking op de hele menselijke
samenleving heeft. Slecht verricht werk, arbeid die slordig, te laat en
met geknoei gedaan wordt, is niet alleen een fout of een zonde tegen de deugd
van rechtvaardigheid, maar ook tegen de naastenliefde, vanwege het slechte
voorbeeld en de gevolgen die uit zulk een houding voortvloeien.
De grote vijand van het werk is de luiheid, die
zich op vele manieren openbaart. Lui is niet alleen hij die de tijd verknoeit
met niets doen, maar ook degene die veel dingen doet, maar weigert zijn
concrete taak uit te voeren: hij kiest zijn bezigheden afhankelijk van de
grillen van het moment, voert ze energieloos uit, en de kleinste moeilijkheden
doen hem reeds van taak veranderen. Iemand die lui is, 'begint' wel graag aan
een werk, maar zijn afkeer van het offer dat elk serieus werk vergt, belet hem
'de laatste steen' te leggen, af te maken waarmee hij begonnen is.
Als wij Christus willen navolgen, moeten we ons
inspannen om een goede beroepsopleiding te krijgen, die we daarna in de jaren,
waarin we ons beroep of vak uitoefenen, blijven voortzetten. De huismoeder die
zich wijdt aan de zorg voor haar kinderen moet weten hoe ze een huishouden moet
leiden, hoe ze geld en huisraad moet beheren. Ze moet ervoor zorgen, dat het
huis een plezierige omgeving is, meer bepaald door smaak dan door luxe, zodat
het hele gezin er zich thuis kan voelen. Ze moet het karakter van haar kinderen
en haar man kennen en, in voorkomende gevallen, weten hoe zij die moeilijke
kwesties waarin zij zich kunnen beteren moet aansnijden. Zij moet sterk zijn en
tegelijkertijd zachtmoedig en eenvoudig. Zij zal haar taak moeten vervullen met
een beroepsmentaliteit, door zich aan een vastgesteld tijdschema te houden,
geen tijd te verknoeien met eindeloze gesprekken, door niet op ongelegen tijden
de televisie aan te zetten...
Als een student een goede christen wil zijn,
moet hij een goede student zijn: door de colleges te volgen, zijn vakken bij te
houden, zijn aantekeningen in orde te hebben en door te leren zijn tijd goed in
te delen voor de verschillende onderwerpen. Evenzo dienen de architect, de secretaresse,
de kleermaakster, de ondernemer hun vak te verstaan... Het tweede Vaticaans
Concilie leert: «De christen die zijn tijdelijke plichten verwaarloost,
verwaarloost zijn plichten tegenover zijn naaste, ja tegenover God zelf en
brengt zijn eeuwig heil in gevaar.»10 Zo iemand heeft de weg gemist in een
wezenlijke aangelegenheid en als hij zich niet verandert, zal het onmogelijk
voor hem zijn de Heer te ontmoeten.
Laten we naar Jezus kijken terwijl Hij aan het
werk is in de werkplaats van Jozef en ons vandaag afvragen of we om ons heen
bekend staan als mensen die hun werk goed doen.
39.3 Beroepsprestige, gebaseerd op werkelijke bekwaamheid verwerven we dag
na dag, door een werk in stilte, tot in het laatste detail verzorgd,
gewetensvol verricht, voor het aanschijn van God, zonder al teveel belang eraan
te hechten of de mensen het al dan niet zien. Deze bekwaamheid in het eigen
beroep of vak, en voor studenten in hun studie, heeft onmiddellijke weerslag op
collega's en vrienden: ons woord waarmee we hen tot God trachten te brengen zal
gewicht en gezag krijgen; het voorbeeld van bekwaam werk zal hen helpen om bij
hun eigen taken vooruitgang te boeken. Ons beroep zal een voetstuk worden voor
Christus, waarop Hij reeds van verre is te zien.
Behalve vakbekwaamheid vraagt God andere
deugden van ons: om een geest van vriendelijke en opofferende dienstbaarheid,
om eenvoud en de nederigheid om zonder gewichtig te doen te onderrichten, om
rust, zodat intensief werken niet verandert in activisme. We moeten het werk en
zijn beslommeringen terzijde weten te leggen, als het tijd is om te bidden of
aandacht te schenken aan het gezin, om onze echtgenote, man, kinderen, ouders,
vrienden... te aanhoren.
Het werk mag onze dag niet zodanig in beslag
nemen, dat het ook de tijd inneemt die aan God, het gezin en onze vrienden is
gewijd... Dat zou een duidelijk symptoom zijn, dat we ons niet meer heiligen,
maar in het werk onszelf zoeken. Dat zou dan een andere vorm van bederf zijn
van die gave van God. Deze misvorming is in
onze tijd wellicht nog gevaarlijker
juist vanwege de onduidelijke eisen waarin vele vormen van arbeid
liggen besloten. Wij, gewone eenvoudige christenen midden in de wereld, mogen
nooit vergeten dat we Christus moeten ontmoeten, elke dag opnieuw, in en door
onze activiteiten, welke deze ook zijn.
Laten we ons tot de heilige Jozef richten en
hem vragen ons de fundamentele deugden te leren die we moeten beleven in het
uitoefenen van ons beroep: «Jozef hielp ongetwijfeld velen uit hun
verlegenheid met zijn goed afgewerkte arbeid. Zijn beroepsarbeid was gericht op
dienstbaarheid om het leven van andere gezinnen in het dorp aangenamer te
maken, en hij kon met een glimlach, een vriendelijk woord, of een terloops uitgesproken opmerking,
het geloof en de hoop teruggeven aan degene, die ze reeds verloren had.»11 En bij Jozef
zullen we Maria ontmoeten.
-1. Eerste lezing, Jaar I,
Gen 2,15. - 2. Gen 1,27. -3. H.
Jozefmaria Escrivá, Brief, 31 mei 1954. -4. M. Schmaus, Katholische Dogmatik, II. -5. Johannes
Paulus ii, Enc. Laborem exercens, I, 9. -6. Ibid, 4. -7.
Kard. Wyszynsky, Work. -8. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu
langs komt, 47. -9. Johannes Paulus ii, Enc. Laborem exercens, I, 9. -10. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et
spes, 43. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, loc.
cit., 51.
|