De Boog tekst
home best verkocht alle titels aanbiedingen cadeau bestellijst help contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Vijfde week. Woensdag

39. De waardigheid van arbeid

-Het goddelijke gebod van de arbeid is geen straf, doch een zegen. Het doet ons delen in de scheppingsmacht van God. Vermoeidheid en afmatting moeten ons helpen medeverlossers met Christus te zijn. -Vakbekwaamheid. Luiheid, de grote vijand. -Deugden om goed te werken.

39.1 Nadat God de aarde geschapen had en deze had verrijkt met alle soorten goede dingen, vormde Hij de mens en bracht hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te beheren1, dat wil zeggen om er te werken. De Heer, die de mens had gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis2, wilde dat hij zou delen in zijn scheppingsmacht door de materie te veranderen, de schatten te ontdekken die erin opgesloten lagen en met zijn handen vorm te geven aan de schoonheid. Werk was geenszins een straf, doch integendeel «waardigheid van het leven en een door de Schepper opgelegde plicht, aangezien de mens geschapen was ut operaretur. Door het werk wordt de mens deelgenoot aan de schepping. Daarom is het werk, welk het ook zij, niet alleen waardig, maar een werktuig om de menselijke -aardse- volmaaktheid én de bovennatuurlijke volmaaktheid te bereiken.»3

Het goddelijke gebod van de arbeid bestond reeds voor­dat onze eerste voorouders zondigden. De erfzonde voegde aan het werk de afmatting en vermoeidheid toe. Maar op zichzelf blijft werk iets edels en waardigs, omdat het een deelname is aan het scheppingsvermogen van God, ook «al gaat het thans gepaard met ontberingen en lijden, onvruchtbaarheid en vermoeidheid. Het is nog steeds een gave van God, hoewel het onder moeilijke omstandigheden uitgevoerd moet worden, precies zoals de wereld Gods wereld blijft, ofschoon het een wereld is waarin we de stem van God niet meer duidelijk vernemen.»4

Werk is een zegen, een weldaad die past bij de waardigheid van de mens en die zelfs doet toenemen.5 «De Kerk vindt in de eerste bladzijden van het Boek Genesis de bron voor haar overtuiging, dat het werk een fundamentele dimensie is van het menselijke bestaan op aarde.»6

Het werk verkrijgt door Christus in de jaren van zijn verborgen leven in Nazareth en de drie jaar van zijn openbare leerambt een verlossende betekenis. Door de Verlossing kregen de moeizame aspecten van de arbeid een heiligende kracht voor degene die werkt en voor de hele mensheid. Zweet en vermoeienis, met liefde opgeofferd, worden schatten van heiligheid, want werk gedaan uit liefde voor God is de menselijke deelname, niet alleen aan het scheppingswerk, maar ook aan het werk van de verlossing. Elk werk brengt een zekere vermoeidheid en stress met zich mee die we aan God kunnen opdragen als boetedoening voor de schulden van de mensen. Het nederig aanvaarden van dat onderdeel -inspanning- dat zelfs door de beste arbeidsorganisatie niet uitgesloten kan worden, betekent meewerken aan het zuiveren van ons verstand, onze wil en onze gevoelens.7 Laten we vandaag in ons gebed nagaan of we ons dikwijls over ons werk beklagen: op kantoor, in de werkplaats, thuis of tijdens de studie. Laten we in aanwezigheid van God bezien of wij vermoeidheid en afmatting opdragen voor het nastreven van edele doelstellingen; laten we onderzoeken of wij in die minder aangename aspecten die bij elk werk horen, de christelijke versterving vinden, die ons zuivert en die we voor anderen kunnen opdragen.

39.2 Arbeid is een talent dat de mens ontvangt om haar vruchten te doen voortbrengen en zij «is een getuigenis van de waardigheid van de mens, van zijn heerschappij over de schepping. Zij geeft gelegenheid tot ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid. Zij schept een band tussen mensen, is bron van middelen om het eigen gezin te onderhouden; is een middel om bij te dragen tot verbetering van de maatschappij waarin men leeft, en tot vooruitgang van de hele mensheid.»8 Voor een christen is een goed volbracht werk tevens een gelegenheid tot een persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus en een middel de hele werkelijkheid van deze wereld te doordrenken van de geest van het evangelie.

Opdat «de mens meer mens wordt»9 door de arbeid, op­dat deze een middel en kans wordt Christus te beminnen en bekend te maken, is een reeks menselijke voorwaarden vereist: ijver in de vervulling van het werk, standvastigheid, stiptheid..., prestige en vakbekwaamheid. Daarentegen is geringe belangstelling voor wat men doet, onbekwaamheid, veelvuldige afwezigheid op het werk... onverenigbaar met de echte christelijke betekenis van het leven. De nalatige of ongeïnteresseerde arbeider, ongeacht zijn positie in de maatschappij, beledigt in de eerste plaats zijn eigen waardigheid en die van degenen voor wie de vruchten van zijn slecht uitgevoerde taak bestemd zijn. Hij beledigt de maatschappij waarin hij leeft, omdat alle kwaad en alle goeds dat een individu doet, op enigerlei wijze een uitwerking op de hele menselijke samenleving heeft. Slecht verricht werk, arbeid die slordig, te laat en met geknoei gedaan wordt, is niet alleen een fout of een zonde tegen de deugd van rechtvaardigheid, maar ook tegen de naastenliefde, vanwege het slechte voorbeeld en de gevolgen die uit zulk een houding voortvloeien.

De grote vijand van het werk is de luiheid, die zich op vele manieren openbaart. Lui is niet alleen hij die de tijd verknoeit met niets doen, maar ook degene die veel dingen doet, maar weigert zijn concrete taak uit te voeren: hij kiest zijn bezigheden afhankelijk van de grillen van het moment, voert ze energieloos uit, en de kleinste moeilijkheden doen hem reeds van taak veranderen. Iemand die lui is, 'begint' wel graag aan een werk, maar zijn afkeer van het offer dat elk serieus werk vergt, belet hem 'de laatste steen' te leggen, af te maken waarmee hij begonnen is.

Als wij Christus willen navolgen, moeten we ons inspannen om een goede beroepsopleiding te krijgen, die we daarna in de jaren, waarin we ons beroep of vak uitoefenen, blijven voortzetten. De huismoeder die zich wijdt aan de zorg voor haar kinderen moet weten hoe ze een huishouden moet leiden, hoe ze geld en huisraad moet beheren. Ze moet ervoor zorgen, dat het huis een plezierige omgeving is, meer bepaald door smaak dan door luxe, zodat het hele gezin er zich thuis kan voelen. Ze moet het karakter van haar kinderen en haar man kennen en, in voorkomende gevallen, weten hoe zij die moeilijke kwesties waarin zij zich kunnen beteren moet aansnijden. Zij moet sterk zijn en tegelijkertijd zachtmoedig en eenvoudig. Zij zal haar taak moeten vervullen met een beroepsmentaliteit, door zich aan een vastgesteld tijdschema te houden, geen tijd te verknoeien met eindeloze gesprekken, door niet op ongelegen tijden de televisie aan te zetten...

Als een student een goede christen wil zijn, moet hij een goede student zijn: door de colleges te volgen, zijn vakken bij te houden, zijn aantekeningen in orde te hebben en door te leren zijn tijd goed in te delen voor de verschillende onderwerpen. Evenzo dienen de architect, de secretaresse, de kleermaakster, de ondernemer hun vak te verstaan... Het tweede Vaticaans Concilie leert: «De christen die zijn tijdelijke plichten verwaarloost, verwaarloost zijn plichten tegenover zijn naaste, ja tegenover God zelf en brengt zijn eeuwig heil in gevaar.»10 Zo iemand heeft de weg gemist in een wezenlijke aangelegenheid en als hij zich niet verandert, zal het onmogelijk voor hem zijn de Heer te ontmoeten.

Laten we naar Jezus kijken terwijl Hij aan het werk is in de werkplaats van Jozef en ons vandaag afvragen of we om ons heen bekend staan als mensen die hun werk goed doen.

39.3 Beroepsprestige, gebaseerd op werkelijke bekwaamheid verwerven we dag na dag, door een werk in stilte, tot in het laatste detail verzorgd, gewetensvol verricht, voor het aanschijn van God, zonder al teveel belang eraan te hechten of de mensen het al dan niet zien. Deze bekwaamheid in het eigen beroep of vak, en voor studenten in hun studie, heeft onmiddellijke weerslag op collega's en vrienden: ons woord waarmee we hen tot God trachten te brengen zal gewicht en gezag krijgen; het voorbeeld van bekwaam werk zal hen helpen om bij hun eigen taken vooruitgang te boeken. Ons beroep zal een voetstuk worden voor Christus, waarop Hij reeds van verre is te zien.

Behalve vakbekwaamheid vraagt God andere deugden van ons: om een geest van vriendelijke en opofferende dienstbaarheid, om eenvoud en de nederigheid om zonder gewichtig te doen te onderrichten, om rust, zodat intensief werken niet verandert in activisme. We moeten het werk en zijn beslommeringen terzijde weten te leggen, als het tijd is om te bidden of aandacht te schenken aan het gezin, om onze echtgenote, man, kinderen, ouders, vrienden... te aanhoren.

Het werk mag onze dag niet zodanig in beslag nemen, dat het ook de tijd inneemt die aan God, het gezin en onze vrienden is gewijd... Dat zou een duidelijk symptoom zijn, dat we ons niet meer heiligen, maar in het werk onszelf zoeken. Dat zou dan een andere vorm van bederf zijn van die gave van God. Deze misvorming is in onze tijd wellicht nog gevaarlijker juist vanwege de onduidelijke eisen waar­in vele vormen van arbeid liggen besloten. Wij, gewone eenvoudige christenen midden in de wereld, mogen nooit vergeten dat we Christus moeten ontmoeten, elke dag opnieuw, in en door onze activiteiten, welke deze ook zijn.

Laten we ons tot de heilige Jozef richten en hem vragen ons de fundamentele deugden te leren die we moeten bele­ven in het uitoefenen van ons beroep: «Jozef hielp ongetwij­feld velen uit hun verlegenheid met zijn goed afgewerkte arbeid. Zijn beroepsarbeid was gericht op dienstbaarheid om het leven van andere gezinnen in het dorp aangenamer te maken, en hij kon met een glimlach, een vriendelijk woord, of een terloops uitgesproken opmerking, het geloof en de hoop teruggeven aan degene, die ze reeds verloren had.»11 En bij Jozef zullen we Maria ontmoeten.

-1. Eerste lezing, Jaar I, Gen 2,15. - 2. Gen 1,27. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 31 mei 1954. -4. M. Schmaus, Katholische Dogmatik, II. -5. Johannes Paulus ii, Enc. Laborem exercens, I, 9. -6. Ibid, 4. -7. Kard. Wyszynsky, Work. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 47. -9. Johannes Paulus ii, Enc. Laborem exercens, I, 9. -10. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 43. -11. H. Jozefmaria Escrivá, loc. cit., 51.




Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
Spreken met God Deel 2
van € 17,95 voor € 15,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Hongerende Zielen
2 Maria
3 Het bruiloftsmaal van het Lam
4 De Weg (paperback)
5 Trouwen of Samenwonen?
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps:   xml   html      ©De Boog 2009