Tweede week. Dinsdag
11. De waardigheid van de mens
-Grootheid en
waardigheid van de menselijke persoon. -Waardigheid van de mens in zijn werk.
Beginselen van de sociale leer van de Kerk. -Een rechtvaardige maatschappij.
11.1 Jezus liep door een korenveld en zijn leerlingen plukten enkele aren
om ze op te eten. Het was sabbat. De Farizeeën richtten zich tot de Meester
opdat Hij hen terecht zou wijzen, want -volgens hun opvattingen- was zelfs dat
geringe 'werk' op de sabbat niet toegestaan. Jezus nam het toen op voor zijn
leerlingen en tegelijkertijd verdedigde Hij de sabbatsrust; Hij verwees daartoe
naar de Heilige Schrift: Hebt gij
nooit gelezen wat David deed, toen hij gebrek had en hij en zijn metgezellen
honger kregen? Hoe hij onder de hogepriester Abjatar het huis van God
binnenging en van de toonbroden at, die alleen de priesters mogen eten, en hoe
hij er ook van gaf aan zijn metgezellen? En Hij zei hun: De sabbat is gemaakt
om de mens, maar niet de mens om de sabbat.
Vervolgens gaf Hij hun een nog verhevener reden: De Mensenzoon is dus Heer ook van de sabbat.1 Alles staat in
dienst van Christus en van de mens, ook de sabbatsrust.
De toonbroden waren twaalf broden die elke week
op het altaar van het heiligdom gelegd werden, als eerbetoon van de twaalf
stammen van Israël2; de broden die van het altaar werden weggehaald, waren bestemd voor de
priesters die de eredienst leidden.
Davids gedrag liep vooruit op de leer die
Christus in deze evangeliepassage onderricht. Reeds in het Oude Testament had
God de voorschriften van de Wet zodanig geordend, dat de voornaamste voorrang
hebben boven de minder belangrijke. Dit verklaart waarom een voorschrift zoals
dat van de broden, dat betrekking had op de cultus, ondergeschikt was aan een
voorschrift van de natuurwet.3 Het sabbatsgebod stond evenmin boven de elementaire levensbehoeften.
Het Tweede Vaticaans Concilie laat zich door
deze passage inspireren om te onderstrepen, dat de waarde van de persoon boven
die van de economische en sociale ontwikkeling staat.4 Na God komt de
mens op de eerste plaats; als dat niet het geval is, ontstaat er een ware
wanorde, zoals we helaas zo vaak zien gebeuren.
De allerheiligste Mensheid van Christus werpt
een licht vooruit dat óns wezen en óns leven verlicht, want alleen in Christus
leren wij de onmetelijke waarde van de mens kennen. «Als jullie je afvragen
welk mysterie jullie zelf zijn» -zo zei Johannes Paulus ii tot een groot
aantal jongeren- «kijk dan naar Christus, die degene is die betekenis aan het
leven geeft.»5 Alleen Hij; niemand anders kan zin aan het bestaan geven, en daarom mag men de mens niet
definiëren aan de hand van de lagere geschapen werkelijkheden, en nog minder
aan zijn arbeidsproductie, aan het materiële resultaat van zijn inspanningen.
De grootheid van de menselijke persoon komt voort uit de geestelijke realiteit
van zijn ziel, het kindschap Gods, zijn eeuwige bestemming, die hij van God
gekregen heeft. Dit plaatst hem boven heel de geschapen natuur. De waardigheid
en het zeer grote respect dat hij verdient, worden hem op het moment van de
ontvangenis verleend en liggen ten grondslag aan het recht op de
onschendbaarheid van het leven en de eerbied voor het moederschap.
De oorzaak die de diepste grondslag vormt van
de menselijke waardigheid is gelegen in het feit, dat de mens de enige
werkelijkheid van de zichtbare schepping is waarvan God houdt om zichzelf, daar
Hij hem naar zijn eigen beeld en gelijkenis heeft geschapen en hem tot de orde
der genade heeft verheven. Bovendien kreeg de mens een nieuwe waarde, nadat de
Zoon van God door zijn menswording onze natuur aangenomen en zijn leven voor
alle mensen gegeven had: propter nos
homines et propter nostram salutem descendit de coelis. Et incarnatus est. Daarom zijn wij bekommerd om
alle zielen om ons heen; geen enkele blijft immers uitgesloten van Christus'
liefde; geen enkele mogen we uitsluiten van ons respect en onze achting. Laten
we eens om ons heen kijken, naar de mensen die we elke dag zien en groeten, en
laten we dan in Gods tegenwoordigheid bezien of wij de anderen daadwerkelijk
die waardering en eerbied betonen.
11.2 De waardigheid van het menselijk schepsel -Gods beeld- is het geëigende
criterium om de ware vooruitgang van maatschappij, werk en wetenschap te
beoordelen, en niet omgekeerd.6 De waardigheid van de mens wordt uitgedrukt in heel zijn persoonlijk
en sociaal handelen; heel bijzonder op het terrein van zijn werk, want daar
voltrekt en vervult zich tegelijkertijd het gebod van zijn Schepper, die hem
uit het niets heeft voortgebracht en hem heeft gezet op een aarde zonder zonde ut operaretur, om die te
bewerken7 en Hem aldus te verheerlijken. Om die reden verdedigt de Kerk de
waardigheid van de werkende mens, die men tekort doet, als men hem alleen maar
waardeert om wat hij produceert, als men het werk slechts als louter koopwaar
beschouwt en men meer waarde toekent aan «de arbeid dan aan de arbeider, [...]
aan het object meer dan aan het subject dat het volbrengt»8 -zoals Johannes
Paulus ii het beeldend uitdrukt-;
als men de mens gebruikt als een factor om winst te maken, door hem alleen maar
te beoordelen naar wat hij produceert.
Het betreft hier geen kwestie van uiterlijke
vormen, van omgang, want ook met menselijk gesproken hartelijke manieren kan
men tegen de waardigheid van andere mensen ingaan, als men hen ondergeschikt
maakt aan utilitaristische doeleinden, als mechanisme, bijvoorbeeld, om de
productiviteit te verhogen of om de vrede in de onderneming te bewaren; we
moeten in ieder mens Gods beeld eren.
Onze visie zou verre van christelijk zijn, als
we ook maar in enig opzicht een laag-bij-de-grondse, alleen op de aarde
gerichte visie erop na zouden blijven houden: de meest betrouwbare graadmeters
van rechtvaardigheid in de maatschappelijke betrekkingen zijn noch de mate van
welvaart die men weet te scheppen, noch de manier waarop deze verdeeld is; we
moeten nagaan «of de structuur, het functioneren en het klimaat van een
economisch systeem zodanig zijn, dat ze de menselijke waardigheid van allen die
daarin hun eigen activiteit ontplooien niet in gevaar brengen.»9 We moeten voor
ogen houden, dat het hoogste criterium bij het gebruik maken van de materiële
goederen moet zijn: «het vergemakkelijken en bevorderen van de geestelijke
vervolmaking van de menselijke wezens, zowel in de natuurlijke als de
bovennatuurlijke orde»10, vanzelfsprekend te beginnen met degenen die de goederen vervaardigen.
Daarom
vereist de nauwe relatie tussen werk en eigendom,
tot haar eigen vervolmaking, dat degene die het werk verricht tot op zekere
hoogte kan zien dat «hij werkt aan iets dat van hemzelf is.»11
De waardigheid van de arbeid komt tot uiting in
een rechtvaardig loon, dat de basis is van alle sociale rechtvaardigheid; dit
geldt ook wanneer er sprake is van een vrije overeenkomst, want zelfs al is het
afgesproken salaris in overeenstemming met de letter van de wet, dit wettigt op
zich de overeengekomen beloning nog niet. Als degene die een contract aanbiedt (de
directeur van een particulier opleidingsinstituut, de aannemer, de huisvrouw...)
gebruik zou willen maken van bij voorbeeld een situatie van overaanbod aan
werkkracht, om salarissen uit te betalen die niet overeenkomen met de
waardigheid van de mensen, dan zou hij zowel die mensen als hun Schepper
beledigen, omdat dezen een onvervreemdbaar natuurlijk recht hebben op de nodige
middelen om in het levensonderhoud van zichzelf en hun gezin te kunnen
voorzien; en dit recht prevaleert boven het recht van de vrije
arbeidsovereenkomst.12 Een andere «logische consequentie is, dat we allemaal de plicht hebben
ons werk goed te doen. [...] We mogen onze plicht niet verzaken of tevreden zijn
met het leveren van middelmatig werk.»13 Luiheid en slecht werk leveren zijn beide
eveneens een aanslag op de sociale rechtvaardigheid.
11.3 We moeten voor ogen houden, dat het belangrijkste doel van de
economische ontwikkeling «niet louter een stijging van de produktiviteit is en
evenmin een verhoging van de winst of het vergroten van de macht, maar het
dienstbetoon van de gehele mens, waarbij rekening moet worden gehouden met zijn
materiële behoeften en de eisen van zijn intellectuele, morele, geestelijke en
religieuze leven.»14 Dit houdt niet in, dat de economische wetenschap niet een wettige
autonomie bezit: de autonomie die eigen is aan de tijdelijke orde, die ertoe
aanzet de oorzaken van economische problemen te bestuderen, technische en
politieke oplossingen voor te stellen enz. Maar deze oplossingen moeten altijd
onderworpen zijn aan een hoger criterium, van morele orde, want ze zijn niet in
absolute zin onafhankelijk en autonoom; en we mogen niet vertrouwen op zuiver
technische oplossingen, als we voor problemen komen te staan waarvan de
oorsprong in een morele wanorde gelegen is.
Er is een lange weg te gaan totdat we een
rechtvaardige maatschappij bereikt hebben, waarin de waardigheid van de mens,
een kind van God, volledig erkend en geëerbiedigd wordt. Maar dát is nu juist
onze taak, als christenen, samen met alle mensen van goede wil, want «men
bemint de rechtvaardigheid niet, wanneer men haar niet beleeft met betrekking
tot de ander. Ook is het niet geoorloofd zich op kosten van anderen op te
sluiten in een gemakkelijke religiositeit en de noden van anderen te vergeten.
Wie rechtvaardig wenst te zijn in de ogen van God, spant zich ook in om
rechtvaardigheid onder de mensen te brengen.»15 We moeten iedere mens respecteren, met
alle consequenties, in de meest verschillende situaties: het leven verdedigen
vanaf de conceptie, omdat het om een kind van God gaat dat recht op leven
heeft, een recht dat hem door God is gegeven en dat niemand hem kan ontnemen;
respect voor bejaarden en voor de zwaksten, aan wie wij echte barmhartigheid
moeten bewijzen, die barmhartigheid die de wereld lijkt te verliezen. Als
werknemers en arbeiders, door goed en vakkundig werk te leveren, of als
ondernemers, door de sociale leer van de Kerk terdege te kennen en in praktijk
te brengen.
Evenzo dienen we deze waardigheid van de mens
te erkennen in de normale relaties in ons leven: door de mensen met wie we
omgaan -waarbij we over hun mogelijke gebreken heen stappen- als kinderen van
God te zien, en daarbij zelfs de geringste vorm van roddel te vermijden en
alles wat hen kan benadelen. «Maak er een gewoonte van om iedereen met wie je
omgaat, aan te bevelen bij zijn engelbewaarder, opdat deze hem helpt goed en
trouw, en blij te zijn.»16 Dan zal het omgaan met anderen gemakkelijker gaan en onze relaties
zullen winnen aan hartelijkheid, vrede en wederzijds respect.
De Mensenzoon is Heer ook
van de sabbat. Wij moeten alles ordenen met
betrekking tot Christus -het Hoogste Goed- en tot de menselijke persoon, voor
wiens verlossing Christus zich op Calvarië geofferd heeft. Geen enkel aards
goed is verheven boven de mens.
-1. Mc 2,23-28. -2. Vgl. Lev 24,5-9. -3. Vgl. The
Navarre Bible, EUNSA, Pamplona 1983, in loc. -4.
Vgl. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 26. -5. Johannes
Paulus ii, Homilie, 3 oktober 1979. -6. Vgl. Idem, Toespraak, 15 juni
1982, 7. -7. Gen 2,15. -8. Johannes
Paulus ii, Toespraak, 24 november 1979. -9. Johannes xxiii, Enc.
Mater et Magistra, 15 mei 1961, 83. -10. Ibidem, 246. -11. Johannes Paulus ii,
Enc. Laborem exercens, 15. -12. Vgl. Paulus vi, Enc. Populorum progressio, 24 maart 1967. 59. -13. Johannes
Paulus ii, Toespraak, 7 november 1982. -14. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 64. -15. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs
komt, 52. -16. Idem, De Smidse, 1012.
|