Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Tweeëndertigste zondag door het jaar (C)

30. De waardigheid van het menselijk lichaam

-De verrijzenis van de lichamen, door Jezus aangekondigd. -De lichamen zijn bestemd, samen met de ziel, God te verheerlijken. -Ons goddelijk kindschap, dat door de genade reeds in de ziel begonnen is, zal door de verheerlijking van het lichaam worden voltooid.

30.1 De liturgie van de heilige Mis van deze zondag geeft ons een van de geloofswaarheden ter overweging, die in het Credo is opgenomen en die we zo dikwijls hebben herhaald: de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven, waartoe wij zijn geschapen. De eerste lezing1 verhaalt ons over die zeven broers die samen met hun moeder de dood verkozen boven het overtreden van de Wet van de Heer. Terwijl zij werden gefolterd, beleden zij krachtig hun geloof in een leven na de dood: De dood door de handen van mensen wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft, dat Hij ons weer doet opstaan.1

Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt deze fundamentele, door God geopenbaarde waarheid tot uitdrukking gebracht. Het geloof in het leven in het hiernamaals was ten tijde van Jezus algemeen aanvaard onder de joden, behalve bij de partij der Sadduceeën, die evenmin geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel, het bestaan van engelen en het handelen van de goddelijke Voorzienigheid.2 In het evangelie van de Mis3 lezen we hoe zij naar Jezus toe kwamen met de bedoeling Hem in het nauw te drijven. Als een man kinderloos was gestorven, moest volgens de wet van Levi4 zijn broer met de weduwe huwen om nakomelingen te verwekken. Zo gebeurde het -zeggen zij tot Jezus- met zeven broers: Van wie is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad. Het kwam hun voor, dat de gevolgen van deze wet een belachelijke situatie schiepen op het moment dat men de verrijzenis van de lichamen zou accepteren.

Jezus ontzenuwt deze kwestie, die in wezen onbeduidend is, door andermaal de verrijzenis te bevestigen en te wijzen op de eigenschappen die de verrezen lichamen bezitten. Het eeuwig leven zal niet gelijk zijn aan dit aardse: daar huwen ze niet en worden niet ten huwelijk gegeven [...] omdat zij gelijk engelen zijn; en als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God. En met een citaat uit de Heilige Schrift5 stelt Hij duidelijk de ernstige dwaling van de Sadduceeën aan de kaak: Hij is toch geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen levend. Mozes noemde de Heer de God van Abraham, Isaak en Jakob, die toch allang dood waren. Ofschoon deze rechtvaardigen wat betreft hun lichaam zijn gestorven, leven zij derhalve met een waarachtig leven in God, want hun zielen zijn onsterfelijk, en zij wachten op de verrijzenis van de lichamen.6 De Sadduceeën waagden het niet meer Hem nog maar iets te vragen.

Als christenen belijden wij in het Credo onze hoop op de verrijzenis van het lichaam en het geloof in het eeuwig leven. Dit geloofsartikel «drukt het slot en het einde van Gods plan» met de mens uit. «Als de verrijzenis niet bestaat, stort elk gebouw van het geloof in, zoals de heilige Paulus zo allerkrachtigst bevestigt (vgl. 1 Kor 15). Als de christen niet zeker is van de betekenis van de woorden eeuwig leven, dan verdwijnen de beloften van het evangelie, de betekenis van de schepping en de verlossing, en zelfs het aardse leven blijft verstoken van elke hoop (vgl. Heb 11,1).»7 Tegenover de aantrekkingskracht van de dingen van hier beneden, die soms wel de enige lijken te zijn die tellen, moeten wij herhaaldelijk overwegen, dat onze ziel onsterfelijk is en zich aan het einde der tijden met het lichaam zelf zal herenigen; beide -de gehele mens: ziel en lichaam- zijn voorbestemd voor een eeuwigheid zonder einde. Al wat wij in deze wereld tot stand brengen, moeten we doen met de blik gericht op dat leven dat ons wacht, want «wij behoren God geheel en al toe, met ziel en lichaam, met merg en been, met zintuigen en capaciteiten.»8

30.2 Zoals de Heilige Schrift onderricht, komt de dood niet van God; de dood is de straf voor de zonde van Adam.9 Christus heeft door zijn verrijzenis zijn macht over de dood aangetoond: mortem nostram moriendo destruxit et vitam resurgendo reparavit, door te sterven heeft Hij onze dood vermorzeld en door te verrijzen heeft Hij het leven weer heel gemaakt. Zo zingt de Kerk in de prefatie van Pasen. Door de verrijzenis van Christus heeft de dood zijn angel verloren, zijn boosaardigheid, en is deze medeverlosser geworden in vereniging met de dood van Christus. En in Hem en door Hem zullen onze lichamen aan het einde der tijden verrijzen, om zich te verenigen met de ziel die, als wij trouw geweest zijn, God verheerlijkt vanaf het moment van de dood zelf, als zij niets behoefde uit te zuiveren.

Verrijzen is het wederopstaan van iets dat gevallen is10, de terugkeer tot het leven van wat gestorven is, het levend opstaan van wat in het stof heeft moeten bijten. Vanaf het begin heeft de Kerk de verrijzenis van Christus gepredikt, het fundament van heel ons geloof, en de verrijzenis van ons eigen lichaam, van ons eigen vlees, «waarin we leven, voortbestaan en ons bewegen.»11 De ziel zal zich weer verenigen met het eigen lichaam, waarvoor zij was geschapen. En het Leerambt van de Kerk legt nader uit: «Zij zullen verrijzen met het eigen lichaam dat zij thans bezitten.»12 Als wij overwegen, dat eveneens ons lichaam God zal verheerlijken, begrijpen wij beter de waardigheid van ieder mens en zijn wezenlijke en niet te verwaarlozen eigenheden, waarmee hij van elk ander wezen van de schepping verschilt. De mens bezit niet alleen een vrije ziel, «allerschoonst onder Gods werken, gemaakt naar beeld en gelijkenis van de Schepper, en onsterfelijk, omdat God het zo gewild heeft»13, die hem verre verheft boven de dieren, maar ook een lichaam dat zal verrijzen en, als men in staat van genade verkeert, tempel van de Heilige Geest is. De heilige Paulus bracht deze vreugdevolle waarheid de eerste christenen dikwijls onder ogen: Gij weet het, het lichaam is een tempel van de Heilige Geest, die in u woont.14

Ons lichaam is niet een soort gevangenis, waaruit de ziel ontsnapt, wanneer zij uit deze wereld heengaat, het is geen «ballast die we noodgedwongen moeten meeslepen, maar het begin van de eeuwigheid, dat aan onze zorg is toevertrouwd.»15 Ziel en lichaam behoren elkaar wederkerig toe, op natuurlijke wijze, en God heeft het ene voor het andere geschapen. «Eert het -spoort de heilige Cyrillus van Jeruzalem ons aan-, want het bezit reeds het grote geluk tempel van de Heilige Geest te zijn. Bevlekt uw vlees niet [...] en als u het gewaagd hebt het wel te doen, reinig het dan terstond door boetedoening. Zuiver het, nu ge nog tijd hebt.»16

30.3 De hoogste waardigheid van de mens is reeds gelegen in zijn schepping; en met de Menswording van het Woord, waarmee als het ware een verloving ontstaan is tussen het Woord en het menselijk vlees17, verkrijgt zij haar volle uitdrukkingsvorm. Iedere mens «wordt omvat door het verlossingsmysterie, en Jezus Christus heeft zich door dit mysterie voor altijd met iedere mens verenigd. Iedere mens die op de wereld komt, is ontvangen in de schoot van zijn moeder en geboren uit zijn moeder, en precies door het verlossingsmysterie wordt hij toevertrouwd aan de zorg van de Kerk. Deze bekommernis van de Kerk gaat uit naar de gehele mens en is op hem op een bijzondere wijze gecentreerd. De grote zorg van de Kerk betreft de mens in zijn unieke en onherhaalbare menselijke werkelijkheid, waarin het beeld en de gelijkenis met God zelf onaangetast blijft.»18

De heilige Thomas leert, dat ons goddelijk kindschap, dat reeds door de handeling van de genade een aanvang heeft genomen «voltooid zal worden door de verheerlijking van het lichaam [...] zodat precies zoals onze ziel van de zonde is vrijgekocht, ons lichaam voor het bederf van de dood zal worden behoed.»19 En hij haalt vervolgens de woorden van de heilige Paulus tot de christenen van Filippi aan: Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze verlosser, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen.20 De Heer zal ons zwakke lichaam, dat aan ziekte, dood en bederf onderworpen is, omvormen tot een verheerlijkt lichaam. We mogen het niet verachten, en het evenmin verheerlijken alsof het de enige werkelijkheid in de mens is. We moeten het onderwerpen aan versterving, want ten gevolge van de wanorde die door de erfzonde ontstond, neigt het ertoe «ons verraad te plegen.»21

Opnieuw is het de heilige Paulus die ons vermaant: Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam.22 En paus Johannes Paulus II legt uit: «De zuiverheid als deugd, dat wil zeggen het vermogen om het eigen lichaam in heilige tucht en eerbaarheid te bewaren (vgl. 1 Tes 4,4), verenigd met de gave van godsvrucht, als vrucht van de inwoning van de Heilige Geest in de tempel van het lichaam, verwezenlijkt er zulk een grote volheid van waardigheid in de interpersoonlijke betrekkingen, dat God zelf erin wordt verheerlijkt. Zuiverheid is de roem van het menselijk lichaam tegenover God. Het is de roem van God in het menselijk lichaam.»23

Onze heilige Moeder Maria, die met lichaam en ziel ten hemel is opgenomen, zal ons telkens weer in herinnering brengen, dat ook ons lichaam gemaakt is om God te eren, hier op aarde en in de hemel voor alle eeuwigheid.

-1. 2 Mak 7,1 en9-14. -2. Vgl. J. Dheilly, Diccionario bíblico, trefwoord: Sadduceeën, bl. 921. -3. Lc 20,27-38. -4. Vgl. Dt 25,5 vv. -5. Ex 3,2;6. -6. Vgl. The Navarre Bible, aantekening bij Lc 20,27-40. -7. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief over enkele kwesties van de eschatologie, 17 mei 1979. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 177. -9. Vgl. Rom 5,12. -10. Vgl. H. Johannes Damascenus, Het orthodoxe geloof, 27. -11. Vgl. J. Ibañez - F. Mendoza, La fe divina y católica de la Iglesia, Madrid 1978, nn. 7, 216 en 779. -12. Ibidem. -13. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechismus, IV, 18. -14. 1 Kor 6,19. -15. Vgl. R.A. Knox, The Hidden Stream, bl. 196. -16. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechismus, IV, 25. -17. Tertullianus, De resurrectione carnis, 63. -18. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4 maart 1979, 13. -19. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de Brief aan de Romeinen, 8,5. -20. Fil 3,21. -21. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 196. -22. 1 Kor 6,20. -23. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 18 maart 1981.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012