Tweeëndertigste zondag door het jaar (C)
30. De waardigheid van het menselijk lichaam
-De verrijzenis van de lichamen, door Jezus
aangekondigd. -De lichamen zijn bestemd, samen met de ziel, God te
verheerlijken. -Ons goddelijk kindschap, dat door de genade reeds in de ziel
begonnen is, zal door de verheerlijking van het lichaam worden voltooid.
30.1 De liturgie van de heilige Mis van deze zondag geeft ons een van de
geloofswaarheden ter overweging, die in het Credo is opgenomen en die we zo
dikwijls hebben herhaald: de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven,
waartoe wij zijn geschapen. De eerste lezing1 verhaalt
ons over die zeven broers die samen met hun moeder de dood verkozen boven het
overtreden van de Wet van de Heer. Terwijl zij werden gefolterd, beleden zij
krachtig hun geloof in een leven na de dood: De dood door de handen van mensen wordt begerenswaardig door de hoop
die God ons geeft, dat Hij ons weer doet opstaan.1
Ook op andere plaatsen in het Oude Testament
wordt deze fundamentele, door God geopenbaarde waarheid tot uitdrukking
gebracht. Het geloof in het leven in het hiernamaals was ten tijde van Jezus
algemeen aanvaard onder de joden, behalve bij de partij der Sadduceeën, die
evenmin geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel, het bestaan van engelen
en het handelen van de goddelijke Voorzienigheid.2
In het evangelie van de Mis3 lezen we hoe zij
naar Jezus toe kwamen met de bedoeling Hem in het nauw te drijven. Als een man
kinderloos was gestorven, moest volgens de wet van Levi4
zijn broer met de weduwe huwen om nakomelingen te verwekken. Zo gebeurde het -zeggen
zij tot Jezus- met zeven broers: Van
wie is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot
vrouw gehad. Het kwam hun voor, dat de gevolgen van
deze wet een belachelijke situatie schiepen op het moment dat men de verrijzenis
van de lichamen zou accepteren.
Jezus ontzenuwt deze kwestie, die in wezen
onbeduidend is, door andermaal de verrijzenis te bevestigen en te wijzen op de
eigenschappen die de verrezen lichamen bezitten. Het eeuwig leven zal niet
gelijk zijn aan dit aardse: daar huwen
ze niet en worden niet ten huwelijk gegeven [...] omdat zij gelijk engelen zijn;
en als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God. En met een citaat uit de Heilige Schrift5
stelt Hij duidelijk de ernstige dwaling van de Sadduceeën aan de kaak: Hij is toch geen God van doden, maar van levenden,
want voor Hem zijn allen levend. Mozes noemde de
Heer de God van Abraham, Isaak en Jakob, die toch allang dood waren. Ofschoon
deze rechtvaardigen wat betreft hun lichaam zijn gestorven, leven zij derhalve
met een waarachtig leven in God, want hun zielen zijn onsterfelijk, en zij
wachten op de verrijzenis van de lichamen.6 De
Sadduceeën waagden het niet meer Hem nog maar iets te vragen.
Als christenen belijden wij in het Credo onze
hoop op de verrijzenis van het lichaam en het geloof in het eeuwig leven. Dit
geloofsartikel «drukt het slot en het einde van Gods plan» met de mens uit. «Als de verrijzenis niet bestaat,
stort elk gebouw van het geloof in, zoals de heilige Paulus zo allerkrachtigst bevestigt (vgl. 1 Kor 15). Als
de christen niet zeker is van de
betekenis van de woorden eeuwig leven, dan verdwijnen de beloften
van het evangelie, de betekenis van de schepping en de verlossing, en zelfs het
aardse leven blijft verstoken van elke hoop
(vgl. Heb 11,1).»7 Tegenover de
aantrekkingskracht van de dingen van hier beneden, die soms wel de enige lijken
te zijn die tellen, moeten wij herhaaldelijk overwegen, dat onze ziel
onsterfelijk is en zich aan het einde der tijden met het lichaam zelf zal herenigen; beide -de gehele mens: ziel en
lichaam- zijn voorbestemd voor een eeuwigheid zonder einde. Al wat wij
in deze wereld tot stand brengen, moeten we doen met de blik gericht op dat
leven dat ons wacht, want «wij behoren God geheel en al toe, met ziel en
lichaam, met merg en been, met zintuigen en capaciteiten.»8
30.2 Zoals de Heilige Schrift onderricht,
komt de dood niet van God; de dood is de straf voor de zonde van Adam.9 Christus heeft door zijn verrijzenis zijn macht over
de dood aangetoond: mortem nostram
moriendo destruxit et vitam resurgendo reparavit,
door te sterven heeft Hij onze dood vermorzeld en door te verrijzen heeft Hij
het leven weer heel gemaakt. Zo zingt de Kerk in de prefatie van Pasen. Door de
verrijzenis van Christus heeft de dood zijn angel verloren, zijn
boosaardigheid, en is deze medeverlosser geworden in vereniging met de dood van
Christus. En in Hem en door Hem zullen onze lichamen aan het einde der tijden
verrijzen, om zich te verenigen met de ziel die, als wij trouw geweest zijn,
God verheerlijkt vanaf het moment van de dood zelf, als zij niets behoefde uit
te zuiveren.
Verrijzen is het wederopstaan van iets dat
gevallen is10, de terugkeer tot het leven van
wat gestorven is, het levend opstaan van wat in het stof heeft moeten bijten.
Vanaf het begin heeft de Kerk de verrijzenis van Christus gepredikt, het
fundament van heel ons geloof, en de verrijzenis van ons eigen lichaam, van ons
eigen vlees, «waarin we leven, voortbestaan en ons bewegen.»11 De ziel zal zich weer verenigen met het eigen
lichaam, waarvoor zij was geschapen. En het Leerambt van de Kerk legt nader
uit: «Zij zullen verrijzen met het eigen lichaam dat zij thans bezitten.»12 Als wij overwegen, dat eveneens ons lichaam God zal
verheerlijken, begrijpen wij beter de waardigheid van ieder mens en zijn wezenlijke
en niet te verwaarlozen eigenheden, waarmee hij van elk ander wezen van de
schepping verschilt. De mens bezit niet alleen een vrije ziel, «allerschoonst
onder Gods werken, gemaakt naar beeld en gelijkenis van de Schepper, en
onsterfelijk, omdat God het zo gewild heeft»13,
die hem verre verheft boven de dieren, maar ook een lichaam dat zal verrijzen
en, als men in staat van genade verkeert, tempel van de Heilige Geest is. De
heilige Paulus bracht deze vreugdevolle waarheid de eerste christenen dikwijls
onder ogen: Gij weet het, het lichaam
is een tempel van de Heilige Geest, die in u woont.14
Ons lichaam is niet een soort gevangenis,
waaruit de ziel ontsnapt, wanneer zij uit deze wereld heengaat, het is geen
«ballast die we noodgedwongen moeten meeslepen, maar het begin van de
eeuwigheid, dat aan onze zorg is toevertrouwd.»15
Ziel en lichaam behoren elkaar wederkerig toe, op natuurlijke wijze, en God
heeft het ene voor het andere geschapen. «Eert het -spoort de heilige Cyrillus
van Jeruzalem ons aan-, want het bezit reeds het grote geluk tempel van de
Heilige Geest te zijn. Bevlekt uw vlees niet [...] en als u het gewaagd hebt het
wel te doen, reinig het dan terstond door boetedoening. Zuiver het, nu ge nog
tijd hebt.»16
30.3 De hoogste waardigheid van de mens is
reeds gelegen in zijn schepping; en met de Menswording van het Woord, waarmee
als het ware een verloving ontstaan is tussen het Woord en het menselijk vlees17, verkrijgt zij haar volle uitdrukkingsvorm. Iedere
mens «wordt omvat door het verlossingsmysterie, en Jezus Christus heeft zich
door dit mysterie voor altijd met iedere mens verenigd. Iedere mens die op de
wereld komt, is ontvangen in de schoot van zijn moeder en geboren uit zijn
moeder, en precies door het verlossingsmysterie wordt hij toevertrouwd aan de
zorg van de Kerk. Deze bekommernis van de Kerk gaat uit naar de gehele mens en
is op hem op een bijzondere wijze gecentreerd. De grote zorg van de Kerk
betreft de mens in zijn unieke en onherhaalbare menselijke werkelijkheid,
waarin het beeld en de gelijkenis met God zelf onaangetast blijft.»18
De heilige Thomas leert, dat ons goddelijk
kindschap, dat reeds door de handeling van de genade een aanvang heeft genomen
«voltooid zal worden door de verheerlijking van het lichaam [...] zodat precies
zoals onze ziel van de zonde is vrijgekocht, ons lichaam voor het bederf van de
dood zal worden behoed.»19 En hij haalt
vervolgens de woorden van de heilige Paulus tot de christenen van Filippi aan: Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel
verwachten wij onze verlosser, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig
lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam,
met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen.20 De Heer zal ons zwakke lichaam, dat
aan ziekte, dood en bederf onderworpen is, omvormen tot een verheerlijkt lichaam. We mogen het niet verachten, en het evenmin verheerlijken alsof het de enige
werkelijkheid in de mens is. We moeten het onderwerpen aan versterving,
want ten gevolge van de wanorde die door de erfzonde ontstond, neigt het ertoe
«ons verraad te plegen.»21
Opnieuw is het de heilige Paulus die ons
vermaant: Gij zijt gekocht en de prijs
is betaald. Eert dan God met uw lichaam.22 En paus Johannes Paulus II legt uit: «De
zuiverheid als deugd, dat wil zeggen het vermogen om het eigen lichaam in heilige tucht en eerbaarheid
te bewaren (vgl. 1 Tes 4,4), verenigd met de gave
van godsvrucht, als vrucht van de inwoning van de Heilige Geest in de tempel
van het lichaam, verwezenlijkt er zulk een grote volheid van waardigheid in de
interpersoonlijke betrekkingen, dat God
zelf erin wordt verheerlijkt. Zuiverheid is de roem
van het menselijk lichaam tegenover God. Het is de roem van God in het
menselijk lichaam.»23
Onze heilige
Moeder Maria, die met lichaam en ziel ten hemel is
opgenomen, zal ons telkens weer in herinnering brengen, dat ook ons lichaam
gemaakt is om God te eren, hier op aarde en in de hemel voor alle eeuwigheid.
-1. 2 Mak 7,1 en9-14. -2. Vgl. J. Dheilly, Diccionario bíblico,
trefwoord: Sadduceeën, bl. 921. -3. Lc
20,27-38. -4. Vgl. Dt 25,5 vv. -5. Ex 3,2;6. -6. Vgl. The Navarre Bible, aantekening
bij Lc
20,27-40. -7. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief over enkele kwesties van de eschatologie, 17 mei 1979. -8. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 177. -9.
Vgl. Rom 5,12.
-10. Vgl. H. Johannes Damascenus, Het orthodoxe geloof, 27. -11. Vgl. J. Ibañez - F.
Mendoza, La
fe divina y católica de la Iglesia, Madrid 1978,
nn. 7, 216 en 779. -12. Ibidem. -13. H. Cyrillus van Jeruzalem,
Catechismus, IV, 18. -14. 1 Kor 6,19. -15. Vgl. R.A. Knox, The Hidden Stream, bl. 196. -16. H. Cyrillus van
Jeruzalem, Catechismus, IV, 25. -17. Tertullianus, De resurrectione carnis,
63. -18. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4 maart 1979, 13. -19. H.
Thomas van Aquino, Commentaar
op de Brief aan de Romeinen, 8,5. -20. Fil 3,21. -21. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 196. -22. 1 Kor 6,20. -23. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie, 18
maart 1981.
|