Vierde zondag door het jaar (A)
25. De weg van de Zaligsprekingen
-De zaligsprekingen, de weg naar heiligheid en
geluk. -Ons geluk komt van God. -We zullen onze vreugde niet verliezen als we
in alles de Heer zoeken.
25.1 Een geweldige menigte die van alle kanten is samengedromd, omringt de
Heer. Ze hopen van Hem zijn reddende leer te horen, die zin aan hun leven zal
geven. Toen Jezus deze menigte zag,
ging Hij de berg op, en nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen
bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen.1
De Heer benut deze gelegenheid om een diepgaand
beeld te geven van de ware leerling: Zalig
de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Zalig de
treurenden, want zij zullen getroost worden. Zalig de zachtmoedigen, want zij
zullen het land bezitten...
Het is niet moeilijk ons voor te stellen welke
indruk deze woorden van de Heer op zijn toehoorders gemaakt moeten hebben. Vele
van hen waren wellicht ontsteld en enkelen zelfs teleurgesteld. Jezus had
zojuist een uiteenzetting gegeven van de nieuwe geest die Hij op aarde was
komen brengen; een geest die een volledige verandering inhield van de
gebruikelijke menselijke waarden, zoals die van de Farizeëen, die aards geluk
als zegen en beloning van God, en ongeluk en tegenslag als een straf
beschouwden.2 In het algemeen «had de mens uit de oudheid, ook in het volk van
Israël, rijkdom, genot, achting, macht gezocht en beschouwde hij dit alles als
bron van alle geluk. Jezus stelt een totaal andere weg voor. Hij verheerlijkt
en prijst armoede, zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid en nederigheid
zalig.»3
Als wij thans in ons gebed deze woorden van de
Heer wederom overwegen, zien we dat er ook in onze dagen
nog mensen ontsteld raken door dit contrast: de beproevingen die bij de weg van
de zaligsprekingen horen, en het geluk dat Jezus belooft. «De fundamentele
gedachte die Jezus zijn toehoorders duidelijk wilde maken, was: alleen het
dienen van God maakt de mens gelukkig. Temidden van armoede, lijden,
verlatenheid, kan de ware dienaar van God met de heilige Paulus zeggen: mijn vreugde
overheerst in al mijn tegenspoed. Daarentegen kan
iemand diep ongelukkig zijn, ook al baadt hij in weelde en bezit hij alle
aardse genoegens.»4 Niet voor niets
volgt in het evangelie van de heilige Lucas, na de zaligsprekingen, deze
uitroep van de Heer: Maar wee u, rijken, want wat u vertroost, hebt ge al ontvangen. Wee u,
die nu verzadigd zijt [...]. Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken,
want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten!5
Degenen die de Heer aanhoorden begrepen heel
goed, dat deze zaligsprekingen geen verschillende categorieën mensen opsomden,
dat zij niet het heil beloofden aan bepaalde maatschappelijke groeperingen,
maar dat zij onmiskenbaar duidden op de religieuze gesteldheid en het morele gedrag
dat Jezus van iedereen vraagt die Hem wil volgen. «Dat wil zeggen, de armen van
geest, de zachtmoedigen, diegenen die treuren [...], doelen niet op onderling
verschillende mensen, maar zijn als het ware verschillende vereisten van
heiligheid, gericht tot iedereen die Christus' leerling wil zijn.»6
De zaligsprekingen als geheel wijzen naar één
en hetzelfde ideaal: de heiligheid. Laten wij, nu we vandaag weer in heel hun
radicaliteit de woorden van de Heer beluisteren, ons streven naar heiligheid
als spil van heel ons leven hernieuwen. Want «onze Heer Jezus Christus heeft
het goede nieuws aan allen, zonder enig onderscheid, verkondigd. Eén enkele
kookpot en één enkele spijs: Mijn
spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen (Joh 4,34). Hij roept ieder individueel tot heiligheid en vraagt iedereen
liefde: jongeren en grijsaards, alleenstaanden en gehuwden, gezonden en zieken,
ontwikkelden en onwetenden, waar ze ook maar werken, waar ze ook maar wonen.»7 Wat onze levensomstandigheden
ook mogen zijn, we moeten weten dat we uitgenodigd zijn om de volheid van het
christelijke leven te beleven. Verontschuldigingen zijn onmogelijk, we kunnen
niet tegen de Heer zeggen: Wacht tot dit probleem is opgelost, tot ik genezen
ben van deze ziekte, tot ik niet meer lijd onder laster of vervolging..., dan zal
ik echt beginnen te streven naar heiligheid. We zouden ons jammerlijk vergissen
als we die moeilijke omstandigheden niet zouden benutten om ons meer met de
Heer te verenigen.
25.2 We mishagen God niet als we de gepaste middelen aanwenden om pijn,
ziekte, armoede en onrecht te vermijden..., maar de zaligsprekingen leren ons dat
het echte welslagen van ons leven, gelegen is in het beminnen en vervullen van
Gods wil voor ons. Ze tonen ons tegelijkertijd de enige weg die de mens kan
leiden naar de volle menselijke waardigheid, zoals die met zijn natuur
overeenkomt. In een tijd waarin zoveel dingen leiden tot persoonlijke
vernedering en verlaging, zijn de zaligsprekingen een uitnodiging tot een
rechtschapen en waardig leven.8 Als wij daarentegen ten koste van alles lijden en tegenspoed -alsof
het een absoluut kwaad zou zijn- van ons af trachten te schudden, of menselijk
succes als een doel op zichzelf zoeken, dan bewandelen we wegen waarop Gods zegen niet kan rusten en die niet
tot geluk leiden.
'Zalig' betekent 'gelukkig', 'vervuld van
geluk', en bij elke zaligspreking «belooft Jezus vooreerst het geluk en wijst
Hij de middelen aan om het te bereiken. Waarom zou de Heer in de eerste plaats spreken
over het geluk? Omdat in alle mensen een onweerstaanbaar verlangen naar geluk
bestaat; dat is het doel waarop al hun handelen is gericht; maar ze zoeken het
geluk vaak waar het niet te vinden is, waar ze alleen ellende zullen vinden.»9
De Heer wijst ons hier de wegen aan om
onbegrensd en oneindig gelukkig te zijn in het eeuwige leven, en ook in dit
leven, door een volwaardig leven, dat in overeenstemming is met onze menselijke
natuur. Het zijn wegen die sterk afwijken van die welke de mens zo vaak pleegt
te kiezen.
Zoekt de Heer, gij allen,
ootmoedigen van het land, die zijn geboden naleeft [...]. Ik laat onder u nog
slechts een ootmoedig, bescheiden volk bestaan dat zijn toevlucht vindt bij de
naam van de Heer, zo lezen we in de eerste lezing
van de mis van vandaag.10
Armoede van geest, honger naar
rechtvaardigheid, barmhartigheid, zuiverheid van hart, verdragen dat we
afgewezen worden omwille van het evangelie: het zijn allemaal tekenen van
dezelfde houding van de ziel: bouwen op God. En dàt is de houding die ons ertoe
aanzet absoluut en onvoorwaardelijk op God te vertrouwen. Het is de houding van
degene die zich niet tevreden stelt met de goederen en vertroostingen van deze
wereld, maar die zijn uiteindelijke hoop gevestigd heeft op iets dat verder
gaat dan deze goederen, die armzalig en nietig zijn voor zulk een groot
vermogen als dat wat het menselijk hart bezit.
Zalig de armen van geest... En in het Magnificat van Maria horen we: Die
hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen.11 Hoevelen worden
niet tot ledige mensen, omdat ze zich voldaan voelen met hetgeen zij reeds
hebben! De Heer nodigt ons uit, niet tevreden te zijn met het geluk dat enkele
vergankelijke goederen ons kunnen geven, maar Hij spoort ons aan te verlangen
naar die goederen die Hij voor ons heeft bereid.
25.3 Jezus zegt tegen degenen die Hem volgen -toen én nu- dat het geen
belemmering zal zijn om zich gelukkig te voelen, als de mensen u beschimpen, vervolgen en lasterlijk van allerlei
kwaad betichten om Mijnentwil. Verheugt u en juicht want groot is uw loon in de
hemel.12 Zoals niets van deze aarde ons het geluk kan geven waarnaar ieder mens
zoekt, zo kan, als we verenigd zijn met God, niets ons ervan beroven. Ons geluk
en onze volheid komen van God. «O gij die het gewicht van het kruis zwaarder
voelt drukken! Gij die arm zijt en verlaten, gij die bedroefd zijt, die
vervolgd wordt omwille van de gerechtigheid, gij die stilgezwegen wordt, die
pijn hebt zonder dat anderen het weten, vat moed. Gij zijt de uitverkorenen in
het koninkrijk van God, het koninkrijk van de hoop, van de goedheid en van het
leven. Gij zijt de broeders van de lijdende Christus, en samen met Hem zult ge,
als ge het wilt, de wereld redden.»13
Laten we God bidden dat Hij onze ziel
verandert, een radicale verandering teweegbrengt in onze maatstaven ten aanzien
van geluk en ongeluk. We zijn noodzakelijkerwijze gelukkig als we open staan
voor Gods wegen in ons leven, en als we het goede nieuws van het evangelie
aanvaarden.
En dit evenzeer, wanneer anderen alle goederen
lijken te verwerven die men in dit korte leven kan bereiken. De heilige
Basilius zei dat we de rijke niet zonder meer vanwege zijn rijkdom voor
gelukkig moeten houden, noch de machtige vanwege zijn gezag en waardigheid,
noch de sterke vanwege zijn lichamelijke gezondheid of de geleerde vanwege zijn
welsprekendheid. Al deze dingen zijn instrumenten van de deugdzaamheid voor
degenen die ze op een juiste manier gebruiken; maar in zichzelf bevatten ze
niet het geluk.14 We weten dat diezelfde weldaden heel vaak
aanleiding tot kwaad en ongeluk worden voor degene die ze bezit en voor andere
mensen, als ze niet ordelijk gebruikt worden zijn volgens de wil van God.
Zonder de Heer zal ons hart zich steeds onvoldaan en ongelukkig voelen.
Als we bij ons zoeken naar dat geluk andere
wegen trachten te volgen, die niet overeenstemmen met Gods wil, die niet de
wegen zijn die ons door de Meester zijn uitgezet, zullen we uiteindelijk
slechts eenzaamheid en droefheid vinden. De ervaring van allen die niet naar
God wilden luisteren, die op verschillende wijzen tot hen sprak, is altijd
dezelfde: ze hebben moeten vaststellen dat er buiten God geen blijvend en
duurzaam geluk is. Ver van de Heer af, kunnen we alleen bittere vruchten oogsten,
en op de een of andere manier eindigen we als de verloren zoon, buiten het
vaderhuis: schillen etend en varkens
hoedend.15
Gelukkig zijn zij die Christus zoeken, die
bidden om het verlangen naar heiligheid en dat verlangen voeden. In Christus
zijn alle goede dingen die het ware geluk vormen reeds aanwezig. «Laetetur cor quaerentium Dominum. Laat het hart van degenen, die de Heer zoeken, zich verheugen. -Hier
heb je licht om de oorzaken van je droefheid te kunnen onderzoeken.»16
Als de vreugde ontbreekt, komt dit dan niet
doordat we op zulke ogenblikken de Heer niet daadwerkelijk zoeken, in ons werk,
in de mensen uit onze omgeving, in de tegenslagen? Kan het niet zijn, dat we
ons nog niet van alles hebben onthecht? Laat de harten die de Heer zoeken zich verheugen!
-1. Mt 5,1-2. -2. Vgl. The Navarre Bible, noot bij Mt 5,2. -3. Fray Justo
Pérez de Urbel, Vida de Cristo. -4. Ibidem. -5. Lc 6,24-26. -6. The Navarre Bible, noot
bij Mt 5,2.
-7. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 294. -8.
Vgl. J. Orlandis, The
Eight Beatitudes. -9. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I, 1. -10. Sef 2,3; 3,12-13. -11. Lc 1,53. -12. Mt 5,11-12. -13. Vaticanum ii, Boodschap aan de mensheid, 6. -14. Vgl. H. Basilius, Homilie over de afgunst. -15. Vgl. Lc 15,15-16. -16. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 666.
|