Vijfentwintigste zondag door het jaar (A)
28. De wijngaard van de Heer
-Plannen van de Heer. De eer om in zijn wijngaard te werken.
-Er is werk voor iedereen in de wijngaard van de Heer. -De positieve betekenis
van de omstandigheden waarin wij ons bevinden. De Heer wil, dat wij hier en
niet op een andere plaats heilig worden en een vruchtbaar apostolaat uitvoeren.
28.1 In
het leven van ons allemaal zijn er tijden waarin God ons bijzondere genade
geeft om ons te helpen Hem te vinden. De ophanden zijnde terugkeer van het
uitverkoren volk uit de ballingschap was zo'n ogenblik van goddelijk ingrijpen.
Heel veel Joden leken tevreden met de gedachte, dat zij gewoonweg de heilige
stad Jeruzalem weer zouden zien. Want daar hadden zij hun hoop op gesteld en
zagen zij met vreugde naar uit. Maar God wilde meer van zijn volk. Hij wilde,
dat zij hun gehechtheid aan zonde achter zich zouden laten door een bekering
van het hart. God spreekt door zijn profeet Jesaja in de eerste lezing van de
Mis van vandaag: Want mijn
gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen niet mijn wegen, zo luidt de godsspraak
van Jahwe, want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw
wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten.1 Hoe dikwijls hebben onze verwachtingen niet voldaan
aan de wonderbaarlijke plannen die God voor ons heeft bereid!
In de liturgie van de Mis van vandaag houdt de Kerk ons het
mysterie van Gods wijsheid voor die innig verbonden is met zijn verlossende
zending: Ik ben de Redder van alle
mensen, zegt de Heer. Wat hun zorgen ook zijn, Ik zal hun roepen beantwoorden,
en Ik zal voor altijd hun Heer zijn.2
Het evangelie van vandaag van de heilige Matteüs gaat over de parabel van de
wijngaard.3 Het werken in de wijngaard is symbolisch voor de heilbrengende wil
van de Heer. Want het koninkrijk
van de hemelen is als een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om
arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Hij werd het met de
arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Naarmate de dag vorderde ging de landeigenaar weer op weg om meer arbeiders te
huren. Hij huurde zelfs mensen op het elfde uur. Toen het avond werd,
verwachtten de werkers van het eerste uur dat zij meer betaald zouden krijgen
dan de groep die het laatst was gehuurd. Toen ieder hetzelfde betaald kreeg,
beklaagden die van het eerste uur zich bij de landeigenaar, die antwoordde: Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga
heen. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad,
omdat ik goed ben?
Het is niet de bedoeling van de Heer dat deze parabel een
nauwkeurige les in arbeidsverhoudingen is. Hij wil dat wij begrijpen, dat zijn
genade puur gave is. Wie in zijn jonge jaren geroepen is Christus te volgen,
heeft hierdoor geen voorrang op iemand die als volwassene of in de laatste
ogenblikken van zijn leven geroepen is. Mensen, die heel dicht bij de dood
zijn, moeten niet denken dat het te laat is de Heer te volgen. Het dagloon voor
ieder is Gods genade. Deze gave zal altijd oneindig veel groter zijn dan wat ieder
ook maar in zijn leven heeft gedaan. De grootheid van Gods plannen met ons gaat
altijd onze beperkte menselijke plannen te boven.
Ofschoon wij door de Heer op verschillende uren van de dag
geroepen zijn, moeten wij één zijn in onze geest van dankbetoon. De roep om in
de wijngaard te werken is een geweldige eer. De heilige Bernardus bevestigt:
«Ieder kan redenen vinden in zijn leven om God te danken. We moeten ons
bijzonder aangespoord voelen om God te bedanken omdat Hij ons geroepen heeft om
Hem en Hem alleen te dienen.»4
28.2 Gaat ook gij naar mijn wijngaard...
Onder de vele problemen die de wereld heeft, is er een die de
andere overtreft, namelijk, hoe weinig mensen er zijn die Christus werkelijk
kennen als persoon. Veel mensen leven en sterven, zonder dat zij zelfs weet
hebben van de redding die Christus de wereld heeft gebracht. Er zijn veel
mensen die Christus wel -of niet- zullen vinden door ons voorbeeld. «Omdat het
werk dat voor ieder ligt te wachten in de wijngaard van de Heer zo groot is, is
daar geen plaats voor tijdverspilling. Met nog grotere aandrang herhaalt de
'landeigenaar' de uitnodiging: Gaat
ook gij naar mijn wijngaard.»5 Hoe
kunnen wij onverschillig blijven wanneer zoveel mensen de Heer niet kennen? De
heilige Gregorius de Grote spoort ons aan: «Ieder moet zichzelf onderzoeken om
te zien of hij vol energie aan het werk is in de wijngaard van de goddelijke
Zaaier. Misschien hebben we niet alles wat we hebben in dienst gesteld van de
Heer. De mensen die werkelijk voor Hem werken... zijn degenen die erop uit zijn
mensen te winnen en meer mensen naar de wijngaard te brengen.»6
Er is plaats voor iedereen in de wijngaard van de Heer: jong
en oud, rijk en arm, mannen en vrouwen, of zij nu in hun jeugd zijn of in de
herfst van hun leven, of zij nu vrije tijd of helemaal geen tijd hebben... Het
Tweede Vaticaanse Concilie wees erop dat «ook kinderen hun eigen zending
hebben. Op hun eigen wijze zijn zij waarachtige getuigen van Christus tussen
hun leeftijdgenootjes.»7 Ook zieken worden
geroepen voor het apostolaat. «Op alle christenen rust bijgevolg de nobele
plicht alle mensen van de hele wereld ertoe te brengen de goddelijke
heilsboodschap te vernemen en te aanvaarden.»8
Niemand met wie wij in dit leven in aanraking komen, moet
kunnen zeggen dat hij niet door ons voorbeeld en woord werd aangemoedigd
Christus meer lief te hebben. Niemand van onze vrienden, niemand van onze
familie moet aan het eind van zijn leven kunnen zeggen, dat zij niemand hadden
die zich om hen bekommerde.
28.3 In
zijn toelichting op deze parabel9 schrijft paus
Johannes Paulus ii, dat
sedert het Tweede Vaticaanse Concilie10 de
noodzaak van deze oproep is toegenomen. Hij zegt nadrukkelijk: «Dit is dan de
wijngaard; dit is het veld waarin de gelovigen geroepen zijn hun zending te
volbrengen. Jezus heeft ze nodig, zoals Hij al zijn leerlingen nodig heeft om
het zout der aarde
en het licht van de wereld
te zijn (Vgl. Mt 5,13-14).»
De Heer heeft geen belangstelling voor nodeloos geklaag dat
een uiting is van gebrek aan geloof. En Hij wil ook niet, dat wij een negatieve
of pessimistische kijk hebben op de mensen en de omstandigheden om ons heen.
Dit is de wijngaard; dit is het veld waarin de Heer wil dat wij werken,
opgenomen midden in de wereld. Wij moeten in ons eigen gezin -en in geen ander-
heilig worden. Zo ontmoeten wij God ook in ons werk en brengen wij anderen met
Hem in contact. Dit is de wijngaard. We moeten niet wachten op denkbeeldige
'betere kansen'. We hebben de talenten die nodig zijn om doeltreffend onze
zending te vervullen waar we ook zijn. Dit feit moet de grondslag zijn voor
onze blijmoedigheid. «God roept mij en zendt mij uit als arbeider in zijn
wijngaard. Hij roept mij en zendt mij uit om te werken voor de komst van zijn
koninkrijk in de geschiedenis. De waardigheid en de verantwoordelijkheid van
ieder lid van de geloofsgemeenschap wordt gekenmerkt
door deze persoonlijke roeping. Deze persoonlijke roeping is ook de
essentie van het hele werk van de vorming, die als doel heeft de blijde en
dankbare herkenning van deze waardigheid en het gelovig en edelmoedig volharden
in deze verantwoordelijkheid gedurende het hele leven. [...] Inderdaad, God heeft
van alle eeuwigheid aan ons gedacht en ons liefgehad als unieke personen. Ieder
van ons riep Hij bij zijn naam, zoals de goede Herder zijn schapen bij hun naam (Joh 10,3) roept.
Hoe dan ook, alleen in de ontplooiing van de geschiedenis van ons leven wordt
het eeuwige plan van God aan ieder van ons geopenbaard. Daarom is het een
geleidelijk proces, in zekere zin een proces dat iedere dag plaatsheeft.»11 God geeft ons speciale gaven zodat onze
omstandigheden een gelegenheid kunnen zijn om Hem meer en meer lief te hebben
en deze werkelijke zending te vervullen.
In de tweede lezing van de Mis getuigt de heilige Paulus voor
de christenen van Filippi: Ik word
naar twee kanten getrokken: ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn,
want dat is verreweg het beste, maar voor u is het nuttiger dat ik nog hier
blijf.12 Hoe groot was het
verlangen van Paulus naar Christus! Paulus schrijft vanuit de gevangenis. Hij
lijdt omdat mensen, door jaloezie gedreven, zijn apostolisch werk willen
ondermijnen. Toch neemt dit alles zijn vrede niet weg. Hij gaat door met werken
in de wijngaard van de Heer met de middelen waarover hij beschikt. We moeten
ons ontdoen van pessimisme en droefheid wanneer we bij onze zending teleurgesteld
worden.
«Geef niet toe aan moedeloosheid in je apostolaat. Je bent
immers niet mislukt, evenmin als Christus aan het Kruis mislukt is. Vat moed! ...
Ga door, tegen de stroom in, onder de bescherming van het moederlijke en
allerzuiverste Hart van Onze Lieve Vrouw: Sancta Maria, refugium nostrum et virtus, Gij
zijt mijn toevlucht en mijn kracht. Rustig. Kalm...
God heeft heel weinig vrienden op aarde. Heb niet de wens om deze wereld te
verlaten. Ontvlucht niet de last van de dagen, ook al komen ze je soms erg lang
voor.»13
-1. Jes
55,8-9. -2. Introïtus.
-3. Mt 20,1-16. -4. H. Bernardus, Preek 2 voor de zesde zondag na Pinksteren, I.
-5. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Christifideles laici,
30 december 1988, 3. -6. H. Gregorius de Grote, Preken over de evangeliën,
19,2. -7. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 12. -8. Ibidem, 3. -9. Vgl. Johannes Paulus ii, o.c., 3. -10. Vgl. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes. -11. Johannes
Paulus ii, o.c., 58. -12. Fil 1,23-24. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, De
Kruisweg, dertiende statie, 3.
|