Vijfde week. Woensdag
32. DE WIJNSTOK EN DE RANKEN
-Christus is de ware wijnstok. Het goddelijk leven in onze
ziel. -Jezus snoeit ons opdat wij meer vrucht dragen. De betekenis van lijden.
De veelvuldige biecht. -Eenheid met Christus. Apostolaat, overvloeien van
innerlijk leven. De wijnstok en zijn ranken.
32.1 Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in
Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, lezen we in het
evangelie van de Mis.1
Vanwege zijn ondankbaarheid
wordt het uitverkoren volk vaak vergeleken met een verwaarloosde wijngaard. De
Heilige Schrift spreekt over vernietiging en herstel van een wijngaard,
uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in een nieuw land2; Jesaja verwoordt Gods klacht dat deze wijngaard,
na zoveel zorg, geen goede druiven opleverde, maar slechts wilde druiven
voortbracht.3 Ook Jezus
gebruikt het beeld van de wijngaard om de afwijzing van de Messias door de
Joden en de roeping van de heidenen aan te geven.4
Maar onze Heer gebruikt het beeld van de wijnstok en de
ranken op een geheel nieuwe manier. Christus is de ware wijnstok, welke
zijn eigen leven deelt met de ranken. Het is het genadeleven dat uit Christus
voortvloeit en meegedeeld wordt aan alle leden van zijn Lichaam, de Kerk.
Zonder dit nieuwe sap brengen zij geen vrucht voort, want uit zichzelf zijn ze
dood en woest.
Jezus' leven is van zó grote waarde, dat Hij zijn bloed tot
de laatste druppel vergoot, opdat wij het konden ontvangen. Al zijn woorden,
zijn daden en wonderen brengen ons stap voor stap tot dit nieuwe leven. Hij
leert ons hoe dit nieuwe leven in ons begint en groeit, hoe het afsterft en hoe
het wordt hersteld indien we het verloren hebben.5 Ik ben gekomen, zo zegt Hij ons, opdat
zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.6 Blijft in Mij, zoals Ik in u.7
Hij maakt ons deelgenoten van het leven van God zelf! De mens
wordt op het moment van zijn doopsel getransformeerd tot op het diepste niveau
van zijn leven, zelfs zo dat er sprake is van een wedergeboorte, welke ons tot
kinderen van God maakt en broeders en zusters van Christus, en ledematen van
zijn Lichaam, de Kerk. Dit leven is eeuwig, mits we het niet verliezen door de
doodzonde. De dood heeft geen werkelijke macht over degene die dit leven bezit:
hij zal niet sterven; hij zal slechts van woning veranderen8, en gaan naar het
eeuwige leven in de hemel. Jezus wil ons laten delen in iets dat Hij ten volle
bezit. «Het leven dat voortvloeit uit de aanbiddelijke Drieëenheid, vloeit
geheel over. Het verspreidt zich en plant zich voort. Van het hoofd daalt het
af naar de leden... de wijnstok en de ranken vormen één enkel wezen, zij worden
gezamenlijk gevoed en handelen op dezelfde wijze, zij brengen dezelfde vruchten
voort omdat ze ook gevoed worden door hetzelfde sap.»9
Ik heb u deze brief geschreven, zegt de apostel
Johannes ons, nadat hij ons talloze wonderbaarlijke dingen verteld heeft, om
u ervan te overtuigen dat gij eeuwig leven hebt, gij allen die waarachtig
gelooft in de Zoon van God.10 Dit nieuwe leven dat wij ontvangen hebben, wordt in het
bijzonder gesterkt door de sacramenten, die onze Heer heeft ingesteld opdat
voor iedereen de verlossing op eenvoudige wijze toegankelijk zou zijn. In deze
zeven werkzame tekenen van genade ontdekken wij Christus zelf, de bron van alle
genade. «Daar spreekt Hij tot ons, daar vergeeft Hij ons, daar versterkt Hij
ons, daar heiligt Hij ons, daar geeft Hij ons de kus van verzoening en van
vriendschap; daar geeft Hij ons zijn eigen verdiensten en zijn eigen kracht,
daar geeft Hij Zichzelf.»11
32.2 Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt,
snijdt Hij af; en elke rank die wel vrucht draagt zuivert Hij, opdat zij meer
vrucht mag dragen.12
De christen die zich losmaakt van de kanalen waarlangs de
genade tot hem komt -gebed en sacramenten- ontvangt geen voedsel meer voor de
ziel. Dit «leidt tot de dood door de overmacht van de doodzonde, omdat de
reserves van de ziel snel uitgeput raken. Dan komt het moment waarop zelfs een
kleine verleiding voldoende is om te vallen. Zo iemand valt uit zichzelf, omdat bij hem de kracht ontbreekt om zich
staande te houden. Hij sterft, omdat zijn leven is uitgeblust. Als de kanalen
van genade niet gezuiverd worden van een verlammende zorgeloosheid,
nalatigheid, luiheid, weekheid, menselijk opzicht, invloeden uit de omgeving,
haast en andere zaken die ze verstoppen, dan verdort het zieleleven en het
sterft. Zijn onvruchtbaarheid is natuurlijk compleet, omdat hij geen enkele
vrucht voortbracht.»13
Echter, het is Gods wil dat wij rijke vruchten dragen.14 Daarom snoeit
Hij de wijnstok, opdat zij meer vruchten voortbrengt. En Jezus vervolgt: Gij
zijt al rein dankzij het woord dat Ik tot u gesproken heb.15 Onze Heer
gebruikte hetzelfde werkwoord voor het snoeien van de wijnstok als Hij deed
voor het zuiveren van zijn leerlingen. Letterlijk zou de vertaling zo moeten
lopen: Hij zuivert hen die vrucht dragen opdat zij nog meer zullen dragen.16
Wij moeten onze Heer in alle
oprechtheid zeggen, dat we verlangen dat Hij in ons alles wegdoet wat
een hindernis zou vormen voor zijn werk: karakterzwakten, gehecht zijn aan onze
eigen mening of materiële goederen, menselijk opzicht,
blijken van gemakzucht en zinnelijkheid... Zelfs al doet het pijn, toch
zijn wij vastbesloten om ons te laten zuiveren van al die loodzware lasten,
juist omdat we meer vruchten van heiligheid en
apostolaat willen voortbrengen.
Onze Heer zuivert en reinigt ons op vele manieren. Soms ook
door mislukkingen toe te laten, ziekte, laster etc. «Heb je uit de mond van de
Meester zelf de gelijkenis niet gehoord van de wijnstok en de ranken? -Troost
je: Hij eist veel van je, omdat je een wijnrank bent die vrucht draagt... Hij snoeit
je, ut fructum plus afferas, opdat je nog meer vrucht zult dragen.
Natuurlijk is dit wegsnijden en snoeien pijnlijk. Maar hoe sappig zijn daarna
de vruchten en hoe rijp de werken!»17
Onze Heer wil ook dat wij graag gebruik zullen maken van het
sacrament van de boete, om ons te zuiveren van onze vele fouten en zonden. Het
veelvuldig ontvangen van dit sacrament, met ware spijt over onze zonden, is
nauw verbonden met die zuivering van de ziel die zo nodig is voor het
apostolaat.
32.3 Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de
rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de
wijnstok, zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij.18
In onze persoonlijke omgang met Jezus Christus maken we ons
gereed om doelmatig te zijn, om opgewekt te zijn, om anderen werkelijk lief te
hebben en om ze dichter bij God te brengen, kortom, om een goed christen te
zijn. «Daarom -merkt de heilige Augustinus op- verenigd met Christus, ons
Hoofd, zijn wij sterk, maar gescheiden van ons Hoofd zijn wij niets waard...
Want, verenigd met ons Hoofd vormen wij één wijnstok, zonder ons Hoofd... zijn
wij afgesneden ranken, van geen nut voor de wijnbouwer, maar alleen voor het
vuur. Daarom zegt Christus ons in het evangelie: Los van Mij kunt gij niets.
O Heer! Zonder U niets, met U alles... Zonder ons kan Hij veel verrichten, ja
alles; maar wij, zonder Hem, kunnen niets.»19
De vruchten die onze Heer van ons verwacht zijn velerlei.
Maar alles zou waardeloos zijn zonder onze vereniging met de Heer door ons
gebedsleven. Dit zou zijn alsof we probeerden goede trossen te verzamelen van
een rank die los is geraakt van de wijnstok.
«Kijk eens naar de ranken die, gevoed met het sap uit de oude
stam, vol vrucht zijn. Alleen zo konden de kleine knoppen van een paar maanden
terug zich ontwikkelen tot een massa zoete en rijpe vruchten die een lust is
voor het oog en het hart van de mens (Vgl. Ps 104,15). Misschien blijven er een
paar twijgjes verspreid op de grond liggen of half eronder. Dat waren ook
ranken, maar ze zijn uitgedroogd en hebben de augustuswarmte niet overleefd. Ze
zijn een duidelijk teken van onvruchtbaarheid.»20
Ons leven van vereniging met de Heer gaat verder dan de
persoonlijke sfeer, en uit zich in onze manier van werken, in onze omgang met
anderen, in onze zorg voor het gezin... in alles. Uit deze vereniging met onze
Heer ontspringen rijke apostolische vruchten, want het «apostolaat, welk dan
ook, is niets anders als het overstromen van het innerlijk leven.»21 Aangezien
«Christus de bron en oorsprong van het gehele apostolaat van de Kerk is, is het
duidelijk, dat de vruchtbaarheid van het apostolaat van de leken afhankelijk is
van hun levende vereniging met Christus, volgens het woord van de Heer: Wie
in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht, want los van
Mij kunt gij niets (Joh. 15,5). Deze innerlijke levensband met Christus
wordt in de Kerk gevoed door genademiddelen, die alle gelovigen ter beschikking
staan... De leken dienen hier zó gebruik van te maken, dat zij hun verbondenheid
met Christus niet van hun leven laten losmaken, ook al vervullen zij hun
profane taak in het gewone leven op de juiste wijze, maar dat zij, juist door
hun werk volgens de wil van God te verrichten, in deze verbondenheid groeien.»22
In alle facetten van het leven gebeurt hetzelfde: niemand
geeft wat hij niet heeft. Goede vruchten komen alleen van een goede boom. «De
ranken van de wijnstok zijn hoogst verwerpelijk, als zij niet verbonden zijn
met de wijnstok; en zijn hoogst edel als ze dit wel zijn... Als ze zijn
afgesneden dan zijn ze van geen nut, noch voor de wijnbouwer, noch voor de
timmerman. De ranken zijn bedoeld voor één van de twee dingen: de wijnstok of
het vuur. Als zij niet verbonden zijn met de wijnstok, dan gaan ze naar het
vuur. Om het vuur te vermijden moeten ze verenigd zijn met de wijnstok.»23
Brengen wij de vruchten voort die de Heer van ons verwacht?
Zijn velen van onze vrienden dichter bij onze Heer gekomen als resultaat van
onze omgang met hen? Hebben wij hen geholpen om het sacrament van de boete te
kunnen ontvangen? Brengen wij vruchten van vrede en vreugde voort onder degenen
met wie wij het grootste deel van de dag doorbrengen? Dit zijn vragen die ons
ertoe zouden kunnen aanzetten om, nog voordat deze meditatie is afgelopen,
bepaalde voornemens te maken. En wij doen dit samen met Maria, die ons zegt: Als
een wijnstok kreeg ik mooie loten en mijn bloesems werden luisterrijke, volle
vruchten.24 Wie
mij vindt, die vindt het leven en verwerft de gunst van de Heer.25 Zij is de
kortste weg om naar Jezus te komen, die ons vervult met zijn goddelijk leven.
-1. Joh 15,5. -2. Vgl. Ps 80. -3. Vgl. Jes
5,1-5. -4. Vgl. Mt 21,33-34. -5. Vgl. P.M.
de la Croix, Témoignage spirituel de l'Evangile de Saint Jean.
-6. Joh 10,10. -7. Joh 15,4. -8. Vgl. Prefatie I van
overledenen. -9. M.V. Bernadot, De
l'Eucharistie à la Trinité. -10. 1 Joh 4,19. -11. E. Boylan, This Tremendous Lover, bl.
128-129. -12. Joh 15,2. -13. F.
Suárez, La vid y los sarmientos, Madrid, 1980, bl. 41-42. -14.
Vgl. Joh 15,8. -15. Joh 15,3. -16. The Navarre Bible, St
John, noot bij 15,2. -17. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 701. -18. Joh 15,4-6. -19. H. Augustinus, Commentaar over Psalm
30, II,1,4. -20. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 254. -21. Ibidem
239. -22. Vaticanum ii, Decr.
Apostolicam actuositatem, 4. -23. H.
Augustinus, Commentaar over het evangelie van Johannes, 81,3.
-24. Sir 24,17. -25. Spr 8,35.
|