Tweeëndertigste zondag door het jaar (A)
28. de wijze en de dwaze maagden
-Christus is de Bruidegom die in aantocht is. -Het bijzonder oordeel. -Ons
elke dag op het oordeel voorbereiden: het gewetensonderzoek.
28.1 De gelijkenis die wij vandaag in het
evangelie van de heilige Mis1 lezen, betreft een
tafereel die heel vertrouwd was bij de toehoorders van Jezus, want op de een of
andere wijze hadden allen het meegemaakt of waren ze hoofdrolspelers in het
gebeuren geweest. Daarom verdoet de Heer
geen tijd met verklaringen van ondergeschikt belang, die toch bij
iedereen bekend waren. Bij de Hebreeën bleef de vrouw na de viering van het
eerste huwelijksritueel nog enkele maanden
in het huis van haar ouders. Pas later begaf de bruidegom zich naar het
huis van zijn vrouw, waar een tweede plechtigheid plaatshad, feestelijker en plechtiger;
van daaruit begaven zij zich dan naar hun nieuwe huis. Ten huize van de bruid
werd de komst van de bruidegom afgewacht door de bruid, in het gezelschap van
andere, ongehuwde meisjes. Wanneer de bruidegom arriveerde, gingen de meisjes
die de bruid hadden vergezeld, samen met de overige genodigden naar binnen en
nadat de deuren waren gesloten, begon het feest.
De gelijkenis -evenals de liturgie van de
heilige Mis van vandaag- stelt de bruidegom, die te middernacht komt, op een
onverwacht ogenblik, en de gesteltenis waarin hij degenen aantreft die met hem
het bruiloftsmaal zullen delen, centraal. De bruidegom is Christus, die komt op
een uur dat niemand kent; de bruidsmeisjes beelden de gehele mensheid uit: sommige
mensen zullen wakend zijn, met goede werken; anderen zorgeloos, zonder olie
voor de lampen. Het voorafgaande is het leven; hetgeen volgt -de komst van de
bruidegom en het bruiloftsfeest- is de zaligheid die met Christus wordt gedeeld.2 De parabel stelt derhalve het moment centraal,
waarop God tot iedere ziel komt: het uur van de dood. Na het oordeel zullen
sommigen met Hem de eeuwige zaligheid binnengaan, terwijl anderen voor een deur
blijven staan, die voor altijd gesloten zal blijven; dit geeft een definitieve
toestand aan, zoals Jezus ook bij andere gelegenheden had geopenbaard.3 Reeds het Oude Testament stelt ten aanzien van de
dood vast: Een boom kan naar het
zuiden vallen of naar het noorden, maar zoals hij valt, blijft hij liggen.4 De dood bepaalt
de ziel voor de eeuwigheid, in haar goede of kwade gesteldheid.
De tien bruidsmeisjes hadden een vertrouwensopdracht
gekregen: de bruidegom opwachten, die van het ene op het andere ogenblik kon
komen. Vijf van hen richtten heel hun belangstelling op het voornaamste, op het wachten, en gebruikten de noodzakelijke
middelen om niet te falen: de brandende lampen met de benodigde olie. De
vijf anderen waren misschien te druk bezig met wat dan ook, maar zij vergaten
het belangrijkste wat zij die avond te doen
hadden of schoven dat naar het tweede plan. Voor ons is het eerste in
het leven, het waarlijk belangrijke, deel te krijgen aan het bruiloftsmaal dat
God zelf voor ons bereid heeft. Al het overige is betrekkelijk en secundair:
succes, roem, armoede of rijkdom, gezondheid of ziekte... Dat alles zal goed
zijn, als het ons helpt om de lamp brandend te houden met een behoorlijke
voorraad olie, dat wil zeggen de goede werken, met name de liefde.
Wij moeten het wezenlijke niet vergeten,
hetgeen op de Heer betrekking heeft, omwille van het secundaire, dat veel
minder en soms zelfs geen belang heeft. Zoals de H. Jozefmaria Escrivá placht
te zeggen: «Er bestaat vergeetachtigheid die geen gebrek aan geheugen, maar
gebrek aan liefde is.»5 We hebben dan te maken
met zorgeloosheid en lauwheid, gehechtheid aan het tijdelijke en aardse, en
verachting, ook al wordt die wellicht niet zo uitdrukkelijk geformuleerd, voor
de zaken van God. «Wanneer wij voor Gods aanschijn komen te staan, zal Hij ons
twee dingen vragen: of wij tot de Kerk behoorden en of we ons voor de Kerk
ingespannnen hebben. Al het overige heeft geen waarde. Of we rijk of arm zijn
geweest, naam en faam verworven hebben of niet, gelukkig of ongelukkig zijn
geweest, of we ziek of gezond zijn geweest, of we een goede of slechte naam
hebben gehad.»6 Laten we in Gods
tegenwoordigheid onderzoeken wat er op dit ogenblik in ons leven werkelijk het
belangrijkste is. Zoeken wij de Heer in al wat we doen, of zoeken we onszelf?
Als Christus vandaag naar ons toe kwam, zou Hij ons dan wakend aantreffen, op
Hem wachtend met de handen vol goede werken?
28.2 Midden in de nacht klonk er geroep: Daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet!
Aanstonds na de dood zal, wat wij noemen, het
bijzondere oordeel plaatshebben, waarbij de ziel door een van God ontvangen
licht voor het eerst en in volle omvang de verdiensten en de schulden zal zien
van haar leven op aarde, haar goede werken en haar zonden. Wat zullen wij dan
blij zijn over de schietgebeden die we hebben gezegd, wanneer we langs een
tabernakel kwamen op weg naar ons werk; over de kniebuigingen -werkelijke
handelingen van aanbidding en liefde tegenover Jezus die op dat altaar tegenwoordig
is-; over de uren werk die we God hebben aangeboden; de glimlach die ons zoveel
moeite kostte op die middag, toen we ons zo vermoeid voelden; over de
inspanningen om die vriend tot het sacrament van de biecht te brengen; over de
werken van barmhartigheid, de financiële hulp en de tijd die we besteed hebben
om dat goede werk tot stand te brengen; de snelheid waarmee we berouw kregen
over onze zonden en zwakheden, de oprechtheid in de biecht...! En ook het leed
over de keren dat we God hebben beledigd; de uren studie of werk die het niet
waard waren de Heer te bereiken; de verloren kansen om over God te praten bij
dat bezoek aan deze of gene vriend, onderweg...! Welk een pijn om zoveel gebrek
aan edelmoedigheid, over niet meewerken met de genade! Wat een leed om zoveel
nalatigheid!
Christus zal onze rechter zijn. Hij is de door God aangestelde rechter over
levenden en doden.7
De heilige Paulus wees de eerste christenen van Korinte op deze waarheid: Want allen moeten wij voor Christus' rechterstoel
verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft
gedaan, goed of kwaad.8
Als we elke dag trouw zijn in het kleine, als we gebruik maken van de meest
gewone werken om Christus te beminnen en te dienen, zullen we niet bevreesd
hoeven te zijn om voor Hem te verschijnen; integendeel, we zullen een
onmetelijke vreugde en veel vrede krijgen; «Het zal iets groots zijn -schreef
de heilige Teresia van Ávila- in het uur van de dood te zien, dat we worden
geoordeeld door Hem die wij boven alles hebben bemind. Wij kunnen zeker voor
onze schulden pleiten. Het zal niet een gang naar een vreemd land zijn, maar
naar het eigen land; want het is het land van Hem die wij zozeer beminnen en
die ons liefheeft.»9
Meteen na de dood zal de ziel aan het
bruiloftsmaal gaan deelnemen ofwel zij zal voor altijd voor gesloten deuren
komen te staan. De verdiensten of het gebrek daaraan -zonden, nalatigheid, de
smetten die zijn overgebleven zonder gereinigd te zijn...- zijn voor de zielen,
zo leert de heilige Thomas van Aquino, als de lichtheid en het gewicht voor de
lichamen, die hen aanstonds hun eigen plaats doen innemen.10
Laten we vandaag bezien, hoe het gesteld is met
onze ziel en welke zin we geven aan de dagen, aan het werk..., en laten we, met
bijstelling van de intentie van hetgeen niet volgens Gods plan verloopt, het
gebed herhalen dat de tussenzang van de
heilige Mis ons voorhoudt: God, mijn God, naar U blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen naar U; al
wat ik ben, smacht naar U in een troosteloos dor land zonder water.11 Ik weet, Heer, dat niets van wat ik
doe enige zin heeft, als het mij niet naar U toe voert.
28.3 «Er bestaat vergeetachtigheid die geen
gebrek aan geheugen is, maar gebrek aan liefde.» Degene die liefheeft, vergeet
zijn beminde niet. Als de Heer het eerste is, dan vergeten we Hem niet. Dan
zijn we waakzaam en vallen we niet in slaap, zoals Jezus van ons vraagt: Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur.
Om ons op deze ontmoeting met de Heer voor te
bereiden en niet op het laatste moment voor verrassingen te komen staan, moeten we een steeds diepere kennis verwerven van onszelf, nu het tijd is voor
verdiensten en vergeving. Want als
wij onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder dit oordeel vallen -zo schrijft Paulus aan de christenen van Korinte-; er zal geen verrassing zijn, alles kan gekend en
goed gemaakt zijn. Daarom is het nodig, dat we ons dagelijks aan een goed
gewetensonderzoek onderwerpen dat ons, onder goddelijk licht, de uiteindelijke
beweegredenen voor ogen houdt van onze gedachten, werken en woorden, en dat we
direct de geëigende geneesmiddelen kunnen aanwenden. Elke dag van ons leven is
als het ware een blanco bladzijde die de Heer ons geeft om iets moois te
schrijven dat tot in eeuwigheid blijvend is: «Soms loop ik in ijltempo alle
bladzijden door die ik al heb geschreven en laat ook de blanco pagina's
vliegen, dat zijn die bladzijden waarop ik nog niets geschreven heb, omdat het
goede moment nog niet is gekomen. En altijd blijven me er, heel mysterieus,
enkele tussen de handen zitten, juist die waarvan ik niet weet of ik die ooit
nog zal schrijven, omdat ik niet weet wanneer de Heer me dit boek voor de
laatste maal voor ogen zal houden.»13
Wij weten niet hoe lang wij nog de bladzijden
die we al hebben geschreven, opnieuw kunnen doornemen, verbeteren en
herstellen, en elke avond zal ons persoonlijk gewetensonderzoek -moedig,
oprecht, teder, diepgaand- ons helpen om vergeving te vragen voor hetgeen we
die dag niet hebben gedaan volgens Gods wil, en we zullen de geneesmiddelen
voor de toekomst vinden. Gewoonlijk zal dit dagelijks onderzoek ons in staat
stellen de biecht diepgaand voor te bereiden. De overweging van de eeuwige
waarheden zal ons helpen een oprecht onderzoek te houden, zonder onszelf te
misleiden, zonder te verbergen of te ontveinzen wat ons beschaamd doet staan of
onze trots en ijdelheid vernedert.
Een goed gewetensonderzoek ten overstaan van de
Heer «zal u een grote kennis omtrent uzelf, uw karakter en uw leven verstrekken.
Het zal u leren God lief te hebben en in heldere en daadwerkelijke voornemens
het verlangen om uw dagen goed te benutten concreet maken... Vriend, neem in uw
handen het boek van uw leven en keer elke dag de bladzijden om, opdat u door
het lezen ervan niet voor verrassingen komt te staan op de dag van het
bijzondere oordeel en u zich niet hoeft te schamen voor de publicatie op de dag
van het algemene oordeel.»14 De Heer noemt de
bruidsmeisjes die zijn komst niet wisten te bereiden dwaas, dom. Er is geen
grotere domheid.
Laten we aan het slot van dit gebedsuur tot
Onze Lieve Vrouw gaan, Koningin,
Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid en onze hoop, opdat zij ons leert ons leven te zuiveren en met vruchten te vullen.
Laten we ook tot onze engelbewaarder snellen, die «ons altijd vergezelt als
onze kroongetuige. Hij zal bij het bijzonder oordeel na je dood de attenties
die je in de loop van je leven aan onze lieve Heer hebt bewezen, naar voren
brengen. Meer nog: als jij je verloren zult voelen door de vreselijke aanklachten
van de vijand, zal je engel aankomen met die diepe uitingen van je gevoel die
je ooit tot God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest hebt gericht -en
die je zelf misschien al vergeten bent. Daarom moet jij je engelbewaarder nooit
vergeten en zal deze hemelvorst jou niet in de steek laten, nu niet en niet op
het beslissende ogenblik.»
-1. Mt 25,1-13. -2. Vgl. F. Prat, Jesucristo, Mexico
1946, vol. II, bl. 241. -3. Vgl. Lc 13,25; Mt 7,23. -4. Pr 11,3. -5. Geciteerd door F.
Suárez, Después, bl. 121. -6. Kard. J.H.
Newman, Preek
voor zondag Septuagesima: het oordeel. -7. Hnd 10,42. -8. 2 Kor 5,10. -9. H. Teresia van Avila, Weg der volmaaktheid,
40,8. -10. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
Suppl. q69, a1. -11. Tussenzang, Ps 62,2. -12. 1 Kor 11,31. -13. S. Canals, Ascética meditada, bl. 137. -14. Ibidem, bl. 140. -15. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 693.
|