Meditaties over de
Heilige Eucharistie (4)
45. DE WONDEN DIE THOMAS NIET ZAG
-Geloof met daden. -Geloof en eucharistie.
-Omgang met Jezus, tegenwoordig in het tabernakel.
45.1 Plagas,
sicut Thomas, non intueor, Deum tamen meum te confiteor... Ik zie niet, zoals
Thomas, uw wonden, doch ik belijd, dat Gij zijt mijn God. Doe mij in U geloven
immer meer, meer en meer op U hopen en U beminnen.
Thomas was niet aanwezig toen Jezus aan zijn leerlingen verscheen. En ondanks het getuigenis
van allen, die hem met stelligheid verzekerden: Wij hebben de Heer gezien!1, weigerde deze apostel te geloven in de verrijzenis van de Meester: Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats
van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet
geloven.2
Acht dagen later verscheen de Heer opnieuw aan
zijn leerlingen. Thomas was deze keer bij hen. Toen richtte Jezus zich tot de
apostel en op een buitengewoon vriendelijk
berispende toon zei Hij tot hem: Kom
hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn
zijde, en wees niet langer ongelovig maar gelovig. Tegenover zulk
een zachtmoedigheid van Jezus riep de leerling
uit: Mijn Heer en mijn God.3 Dat was een daad van geloof en van overgave. Het antwoord van Thomas was niet een eenvoudige uitroep van verrassing, het was een
bevestiging, een diepe daad van geloof in de goddelijkheid van Jezus
Christus. Mijn Heer en mijn God!
Deze woorden kunnen dienen tot een prachtig schietgebed; wellicht hebben wij
dit heel vaak gezegd op het ogenblik van de consecratie of wanneer we knielen
voor het tabernakel. In deze geloofsdaad
willen ook wij tot Jezus zeggen, dat wij stellig geloven in zijn
werkelijke tegenwoordigheid aldaar en dat Hij over heel ons leven kan
beschikken.
Wij kunnen de allerheiligste wonden van Jezus
niet, zoals Thomas, zien of aanraken, maar ons geloof is sterk zoals dat van de
apostel nadat hij de Heer had gezien, omdat
de Heilige Geest ons met zijn voortdurende bijstand ondersteunt. De
heilige Gregorius de Grote bemerkt: «En hetgeen daarna volgt bereidt ons grote
vreugde. Zalig die niet gezien en
toch geloofd hebben. Een uitspraak waarin zonder twijfel ook wij
zijn ingesloten, die met de ziel belijden wat we met het vlees niet hebben
kunnen zien. Het heeft op ons betrekking, mits wij volgens het geloof leven;
want waarlijk gelooft slechts hij, die in praktijk brengt wat hij gelooft.»4
Laten wij, wanneer
we voor het tabernakel staan, naar Jezus opzien die zich tot ons richt om ons geloof te versterken,
opdat dit tot uiting komt in onze gedachten, woorden en werken: in de wijze
waarop we anderen beoordelen, in een ruimhartige, liefdevolle geest; in het
gesprek dat anderen steeds aanspoort om eerzame mensen te zijn, om Jezus van
nabij te volgen; in onze werken, door voorbeeldig te zijn in het perfect
afmaken van hetgeen ons is opgedragen, door knoeiwerk en slecht afgemaakte
werken te ontvluchten. «Slaan we opnieuw onze ogen op naar de Meester.
Misschien hoort u nu ook het verwijt aan het adres van Thomas: Kom hier met uw vinger en bezie mijn
handen [...]; en, net als bij de apostel, zal uit uw ziel met
oprecht berouw deze kreet opwellen: Mijn Heer en mijn God (Joh 20,28). Ik erken U definitief als
mijn Meester en nu en altijd zal ik -met uw hulp- uw lessen als een schat
bewaren en mij inspannen deze trouw te volgen.»5
45.2 Jezus verzekerde Thomas, dat degenen gelukzaliger zijn, die zonder met de ogen van het vlees gezien
te hebben toch dat scherpe zicht van
het geloof bezitten. Daarom kondigde Hij hun tijdens het Laatste
Avondmaal aan: Het
is goed voor u dat Ik heenga.6 Toen Hij
bij zijn leerlingen was en
over de wegen van Palestina wandelde, was Jezus' goddelijkheid
voldoende verborgen, opdat zij voortdurend het geloof beoefenden. Zien, horen, aanraken betekenen weinig, als
de genade niet in de ziel werkzaam is en het hart niet rein en bereid tot
geloven is. Zelfs de wonderen bepalen op
zich niet het geloof, wanneer de juiste instelling niet aanwezig is. Na
de opwekking van Lazarus geloofden vele Joden in Jezus, maar anderen gingen
naar de farizeeën met de bedoeling Hem uit de weg te ruimen.7 Het gevolg van de vergadering van het Sanhedrin, die
op grond van deze getuigenissen werd gehouden, wordt geconcretiseerd in een zin
die door de heilige Johannes is opgenomen: Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.8
Goed beschouwd is het lot van degenen die bij
Hem waren, Hem zagen, hoorden en met Hem spraken, hetzelfde als ons lot. Het
beslissende is het geloof. Daarom schrijft de heilige Theresia dat «als ik
sommige mensen hoorde zeggen, dat zij zo graag zouden hebben geleefd in de tijd
waarin Jezus in de wereld verbleef, moest ik bij mezelf lachen; want als zij
Hem toch zo nabij hebben in het allerheiligste sacrament, wat zouden zij dan
nog méér kunnen hebben?»9
En de heilige Pastoor van Ars merkt op, dat wij
zelfs méér geluk hebben dan zij die met Hem
tijdens zijn aardse bestaan leefden, want zij moesten soms uren en uren
lopen om Hem te ontmoeten, terwijl wij Hem zo dicht bij ons hebben in ieder
tabernakel.10 Normaal gesproken hoeven wij
immers maar weinig moeite te doen om Jezus zelf te ontmoeten.
Wij zien de Heer in dit leven door de sluiers
van het geloof heen en, als wij trouw zijn, zullen we Hem op een goede dag in
heerlijkheid zien, in een onuitsprekelijk visioen. «Na dit leven zullen alle
sluiers weggenomen worden opdat wij Hem van aangezicht tot aangezicht kunnen
zien.»11 Elk oog zal Hem aanschouwen12, zegt de heilige Johannes ons in de Openbaring, en zijn dienstknechten
zullen Hem bedienen en zijn gelaat aanschouwen.13 Intussen
geloven we in Hem en houden we van Hem zonder Hem te hebben gezien.14 Maar op een dag zullen wij Hem aanschouwen in zijn
verheerlijkt lichaam, met die allerheiligste
wonden die Hij aan Thomas liet zien. Thans belijden wij Hem als onze God
en Heer: Mijn Heer en mijn God,
zo zullen we vaak tot Hem zeggen. In dit gebedsuur vragen wij Hem: Doe mij in U geloven immer meer,
met een sterker geloof; doe mij
meer en meer op U hopen, met meer vaste en blijde hoop; doe mij meer en meer U beminnen,
met geheel mijn wezen.
Wanneer wij vandaag andermaal deze nabijheid
van Jezus in de heilige eucharistie overwegen, dan nemen wij ons voor om nauw verbonden te leven met het meest
nabijzijnde tabernakel. Een goede hulp daarbij kan het zijn te weten welk het tabernakel is dat het dichtst bij
onze werkplek of ons huis ligt. We zullen deze verwijzing altijd in ons
hart moeten hebben: wanneer we sport beoefenen, als we op reis zijn..., «want de
goede Jezus is een uiterst goed gezelschap. We mogen ons nooit van Hem
verwijderen, noch van zijn allerheiligste Moeder»15,
die altijd bij haar Zoon is.
«Ga volhardend naar het tabernakel toe, fysiek
en met je hart om je zeker te voelen, om je kalm te voelen: maar ook om je
bemind te voelen..., en om te beminnen!»16
45.3 Wanneer Jezus ergens naar toe ging, stonden zijn trouwe vrienden Hem
bij aankomst op te wachten. Het kon niet anders zijn. De heilige Lucas vertelt
ons dat Jezus op zekere keer in Kafarnaüm kwam, met de boot vanaf de andere
oever, en dat iedereen
Hem verwachtte.17 We
kunnen ons hen voorstellen: ieder met eigen vreugde wachtend op de Meester, met
de beden die zij tot Hem wilden richten, met hun verlangen om bij Hem te zijn.
Daar -zo vertelt de evangelist- verrichtte Hij twee grote wonderen: de genezing
van een vrouw die het waagde de zoom van zijn kleed aan te raken, en de
opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Maar allen voelden zich getroost door
de woorden van Jezus, door een blik of een vraag omtrent de zijnen... Misschien
heeft die dag wel iemand besloten Hem edelmoediger te volgen. De vrienden waren
bedacht op de Vriend.
Wij, die Hem niet
fysiek zien, bevinden ons net zo dicht bij Hem als degenen
die op Hem wachtten en Hem tegemoet gingen, toen Hij aan land stapte. Ook wij
moeten steeds meer een levend besef
verwerven van zijn tegenwoordigheid in onze steden en dorpen. Wij moeten
met Hem omgaan -Hij wil het zelf zo- als met onze God en Heer, maar ook als
onze Vriend bij uitstek. «Christus, de verrezen
Christus, is de metgezel, de Vriend. Een metgezel, die slechts als door
een schaduw zichtbaar wordt, maar wiens werkelijkheid ons hele leven vervult en
die ons doet verlangen naar zijn definitieve tegenwoordigheid.»18
Dagelijks gaan wij Hem tegemoet. En Hij wacht
op ons. En Hij mist ons, als we een keer -wat bijzonder jammerlijk toch!-
zouden vergeten intiem met Hem om te gaan, «niet naamloos», met dezelfde
werkelijkheid als die waarmee we omgaan met andere mensen die we op het werk,
in de lift of op straat ontmoeten. Om Hem te vinden zullen we weinig hulp
krijgen van onze zintuigen, waarop we in het gewone leven zozeer plegen te
steunen. Vaak zullen we ons voelen «als blinden vóór de Vriend»19, en deze blindheid van het begin zal langzamerhand
tot een klaarheid worden die de zintuigen nog nooit hebben gekend. De heilige
Theresia zegt dat de nederigheid van de goede Jezus zo groot was, dat Hij als
het ware verlof wilde vragen om bij ons te zijn.20
Zouden wij Hem niet bedanken voor zoveel goedheid, zoveel liefde?
Wij zeggen tot Hem aan het slot van ons gebed:
Heer, «wij zouden met U willen omgaan, al werden wij vele malen in de
wachtkamer geplaatst of moesten wij dikwijls audiëntie aanvragen. Maar we
hoeven geen enkele aan te vragen! Gij zijt zo almachtig, ook in uw barmhartigheid,
dat U zich, ook al zijt Gij Heer der heren en Koning van alle heersers,
vernedert en wacht als een arme drommel die tegen onze deurstijl leunt. Niet
wij wachten, maar Gij wacht voortdurend op ons.
»Gij wacht op ons in de hemel, in het paradijs.
Gij wacht op ons in de heilige hostie. Gij wacht op ons in het gebed. Gij zijt
zo goed dat, wanneer Gij daar verborgen zijt uit liefde, gehuld in de
sacramentele gedaanten (dat geloof ik vast!)-, terwijl Gij werkelijk,
waarachtig en substantieel aanwezig zijt met uw Lichaam en uw Bloed, uw ziel en
uw goddelijkheid, daar ook de Allerheiligste Drieëenheid aanwezig is: de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest. Door de inwoning van de Vertrooster bevindt God
zich bovendien in het middelpunt van onze ziel, en is Hij op zoek naar ons.»21 Laten wij Hem niet wachten! En onze Moeder de
heilige Maria spoort ons voortdurend aan Hem tegemoet te gaan. Wat moeten we
dan goed zorgen voor het dagelijkse bezoek aan het Allerheiligste!
-1. Joh 20,25. -2. Ibidem. -3. Joh 20,26-29. -4. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de Evangelies, 26,9. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 145. -6. Joh 16,7. -7. Vgl. Joh 11,45-46. -8. Joh 11,53. -9. H. Theresia van Avila, Weg van
volmaaktheid, 34,6. -10. Vgl. Jean-Baptiste Marie
Vianney, Preek over
Witte Donderdag. -11. H. Augustinus, in Catena Aurea, vol. VIII, bl. 86. -12. Apok 1,7. -13. Apok 22,4. -14. Vgl. 1 Pe 1,8. -15. H. Theresia van Avila, Zesde
Verblijf, 7,13. -16. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse,
837. -17. Lc 8,40.
-18. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 116. -19. Paulus vi, Algemene Audiëntie
13-I-1971. -20. Vgl. H. Theresia van Avila, Weg van
volmaaktheid, 33,2. -21. S. Bernal, Ontmoeting met de Stichter van het Opus
Dei, De Boog, Utrecht 1982,
bl. 381.