Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Tiende zondag door het jaar (B)

20. De wortels van het kwaad

-De menselijke natuur in haar oorspronkelijke staat van gerechtigheid en heiligheid. -Solidariteit van alle mensen in Adam. Overdracht van de erfzonde en de gevolgen ervan. Strijd tegen de zonde. -De menselijke activiteiten opnieuw op God richten.

20.1 God plaatste de mens aan de top van zijn schepping opdat hij zou heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.1 Daarom begiftigde Hij hem met verstand en een wil, zodat hij in vrijheid zijn Schepper een veel voortreffelijker lof zou kunnen brengen dan de overige schepselen. Gedreven door zijn liefde beschikte God bovendien voor de mens, dat hij hem zou verheffen en laten delen in zijn goddelijk leven2, en dat hij op enige wijze kennis zou hebben van zijn intieme mysteries die volstrekt alle menselijke maat te boven gaan. Daartoe bekleedde God hem om niet met de heiligmakende genade3 en de bovennatuurlijke deugden en gaven; door God werd de mens in heiligheid en gerechtigheid gesteld; van Hem kreeg hij de mogelijkheid bovennatuurlijke daden te verrichten.4 Door de werking van de genade wordt de ziel veranderd op zo'n wijze dat zij, zonder op te houden menselijk te zijn, vergoddelijkt wordt; zoals een brandijzer dat in het vuur gelegd wordt, gloeiend wordt en verandert in iets dat op vuur lijkt. Als alle vergelijkingen gaat ook deze mank, want de genade bewerkstelligt een veel diepere verandering dan de inwerking van het vuur op het brandijzer.

God verrijkte de natuur van Adam bovendien, eveneens om niet, met de onderwerping van het lichaam aan de ziel, van de lagere krachten aan verstand en wil, van verstand en wil aan God, de gaven van onsterfelijkheid, van onlijdelijkheid, van kennis, en het vrij zijn van begeerte; deze worden ook wel 'dona praeternaturalia', buitennatuurlijke gaven genoemd. Deze integriteit in wijdere zin van de menselijke natuur in haar oorspronkelijke staat van gerechtigheid en heiligheid kwam voort uit de volmaakte, vrije onderwerping van de wil van de mens aan zijn Schepper. Gesterkt met deze gaven kon de mens zich niet vergissen in het kennen en was hij van elke dwaling gevrijwaard. Het lichaam zelf was onsterfelijk, «niet uit eigen vermogen maar door een bovennatuurlijke kracht die in de ziel is ingedrukt en die het lichaam behoedde voor bederf, zolang de ziel aan God onderworpen bleef.»5 In Adam aanschouwde God heel het menselijk geslacht. De gave van de oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid «is de mens gegeven, niet als aan een afzonderlijke persoon, maar als een algemeen principe van de gehele menselijke natuur, zodat deze gave na Adam door de voortplanting aan alle latere mensen doorgegeven wordt.»6 Wij zouden allemaal geboren zijn in vriendschap met God, ziel en lichaam zouden getooid zijn met de door God verleende volmaaktheden. En als het ogenblik gekomen zou zijn, zou een ieder bevestigd worden in de genade, die hem van deze aarde zou wegvoeren, zonder lijden en zonder te moeten gaan door de slaap van de dood, om hem te doen genieten van het eeuwig geluk in de hemel.

Zo deelde God zijn goedheid mee aan de eerste mens; dat was het plan van God. En om dat te verwerkelijken wilde God, dat de mens vrij met de genade mee zou werken. Op vergelijkbare wijze vraagt Hij ons nu in deze ogenblikken van gebed, dat wij beantwoorden aan zoveel genaden die wij ontvangen. Hier op aarde moeten wij de hemel verdienen, voor eeuwig.

20.2 «De aanwezigheid van de oorspronkelijke gerechtigheid en de volmaaktheid in de, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, mens, die wij kennen door de openbaring, sloot niet uit dat deze mens, in zoverre hij een met vrijheid begiftigd wezen was, van meet af aan net als de andere geestelijke wezens onderworpen was aan de toets van de vrijheid.»7 God stelde maar één voorwaarde aan de mens: Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.8 «Met dit beeld leert de openbaring ons dat de macht om over goed en kwaad te beslissen niet aan de mens, maar aan God alleen toekomt.»9 Uit de Heilige Schrift kennen wij ook de trieste overtreding van dit gebod, en vandaag lezen wij in de eerste lezing10 van de mis over de staat waarin de mens achterbleef. De duivel zelf, verscholen achter de gedaante van een slang, zette de eerste vrouw aan ongehoorzaam te zijn aan het goddelijk gebod: Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.11 Onmiddellijk was de onderwerping aan de Schepper verbroken. De harmonie die er in de vermogens van de mens was, viel uiteen. Hij verloor de oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid, de gave van onsterfelijkheid, en geraakte in gevangenschap van «hem die heerst over het rijk van de dood (Vgl. Heb 2,14), ofwel de duivel. En Adam werd door die zonde van zijn verraad -de erfzonde- geheel naar lichaam en ziel in een slechtere staat gebracht.»12 Hij werd uit het paradijs verjaagd en, hoewel de menselijke natuur in haar eigen wezen onaangetast bleef, ondervindt hij vanaf dat moment grote belemmeringen bij het doen van het goede, want hij voelt ook de neiging tot het kwade. De erfzonde die door onze stamouders persoonlijk begaan is aan het begin van de geschiedenis, gaat door voortplanting over op iedere mens die ter wereld komt. Dit is een geloofswaarheid, zo heeft de Kerk bij meerdere gelegenheden verklaard.13

De werkelijkheid van de erfzonde en van het conflict dat deze in het binnenste van iedere mens gecreëerd heeft, is een aantoonbaar gegeven. Het geloof verklaart de oorsprong ervan, en wij allen ervaren de gevolgen. «Wat de goddelijke openbaring ons heeft doen kennen, komt overeen met de ervaring zelf. Wanneer de mens zijn hart onderzoekt, bemerkt hij, dat hij ook geneigd is tot het kwade en dat hij op velerlei gebied vaak ondergaat in het kwaad, dat toch niet van zijn goede Schepper kan voortkomen.»14 Zonder de genade ervaart het menselijk schepsel, dat het niet in staat is zijn eigen waardigheid te herwinnen.

Paulus vi herinnert ons dat de mens in zonde geboren wordt, met een gevallen natuur, zonder de gave van de genade waarmee de mens voorheen begiftigd was, verwond in zijn eigen natuurlijke krachten en onderworpen aan het rijk van de dood. Voorts «wordt de erfzonde overgedragen met de menselijke natuur, door voortplanting en niet door navolging», en «is ze aan ieder eigen».15

Er bestaat een geheimnisvolle lotsverbondenheid van alle mensen in Adam, op een wijze dat «allen beschouwd kunnen worden als een mens, in zoverre zij overeenkomen qua natuur die zij van de stamvader ontvangen hebben.»16 De solidariteit in de genade die alle mensen verbond met Adam vóór de eerste ongehoorzaamheid, is omgevormd tot solidariteit in de zonde. «Daarom wordt, op dezelfde wijze als waarop de oorspronkelijke gerechtigheid met de natuur overgedragen zou zijn op de nakomelingen, in plaats daarvan de ongeordendheid overgedragen.»17

Het trieste vertoon van het kwaad in de wereld en in onszelf, de neigingen en instincten van het lichaam die niet aan de rede onderworpen zijn, overtuigen ons van de diepe waarheid die de openbaring bevat, en zetten ons aan te strijden tegen de zonde, het enige echte kwaad en de wortel van alle kwaad dat in de wereld bestaat.

«Hoeveel ellende! Hoeveel beledigingen! Die van mij, die van jou, die van de gehele mensheid... Et in peccatis concepit me mater mea! En in zonden ontving mij mijn moeder (Ps 50,7). Ik werd, zoals alle mensen, geboren, bevlekt met de schuld van onze eerste ouders. Bovendien zijn er nog mijn persoonlijke zonden in gedachten, in verlangens, in daden... Om ons van deze verdorvenheid te zuiveren heeft Jezus zich willen vernederen door de gestalte van een slaaf aan te nemen (vgl. Fil 2,7), door vlees te worden in de onbevlekte schoot van onze lieve Vrouw, zijn moeder, jouw moeder en mijn moeder. Hij bracht dertig jaar door in verborgenheid en werkte zoals velen, naast Jozef. Hij predikte, Hij deed wonderen... En wij zetten het Hem allemaal betaald met een kruis.

»Heb je nog verdere redenen nodig voor je berouw?»18

20.3 God verdreef onze stamouders uit het paradijs19, en gaf daarmee aan dat de mensen ter wereld zouden komen in een staat van afscheiding van God: in plaats van de bovennatuurlijke gaven, zouden Adam en Eva de zonde doorgeven. Zij raakten de erfenis kwijt die zij later aan hun nakomelingen hadden moeten doorgeven. Al bij de eerste kinderen van Adam en Eva lieten zich meteen de gevolgen van de zonde voelen: Kaïn doodde zijn broer Abel uit naijver. Op dezelfde wijze heeft alle persoonlijk en sociaal kwaad zijn oorsprong in de eerste zonde van de mens. Hoewel het doopsel de schuld en de straf van de erfzonde, en van de persoonlijke zonden die men voor het doopsel begaan zou hebben, geheel vergeeft, bevrijdt het niet van de gevolgen van de zonde. De mens blijft onderworpen aan dwaling, begeerte en dood.

De erfzonde was een zonde van hoogmoed.20 En ieder van ons komt in dezelfde verleiding van trots, wanneer wij in de maatschappij, in het privéleven of waar dan ook, de plaats van God proberen in te nemen: Gij zult gelijk worden aan God 21, sprak de slang. Het zijn dezelfde woorden die de mens hoort midden in de ongeordendheid van zijn gevoelens en vermogens. Zoals de eerste mensen streeft ook hij nu -in veel gevallen- naar de autonomie die hemzelf maakt tot rechter over goed en kwaad. Zo vergeet hij zijn hoogste goed, dat gelegen is in de liefde tot zijn Schepper en de onderwerping aan Hem. In Hem alleen zullen de vrede, de harmonie van de instincten, en al het andere goede, herwonnen worden.

Ons apostolaat midden in de wereld zal ons aanzetten iedere mens met zijn beroepswerk (in het rechtswezen, de industrie, het onderwijs...) de plaats te geven die hem op grond van zijn verhouding met zijn Schepper toekomt. Als God in een volk aanwezig is, in een maatschappij, zal die samenleving menselijker worden. Er zullen geen oplossingen komen voor de problemen die de wereld teisteren, en er zal niet meer sociale rechtvaardigheid komen, dan na een toenadering tot God, dan na een bekering van het hart. Het kwaad zit in de wortel -in het hart van de mens- en dáár moet het genezen worden. De leer over de erfzonde -die nu werkzaam is in mens en maatschappij, is een kernpunt in de catechese en in elke vorming, dat niet achterwege mag blijven.

Tegenover een wereld die soms tot in de grond ontwricht lijkt, kunnen wij niet onze armen over elkaar slaan, als iemand wie een situatie boven het hoofd groeit. Wij hoeven ons niet te mengen in grote beslissingen die misschien niet tot onze competentie behoren, maar wij moeten wel optreden op de terreinen die God binnen ons bereik gelegd heeft, opdat wij ze een christelijke oriëntatie geven.

Onze moeder, de heilige Maria, die «vrij van alle zondesmet en in geheel haar wezen schoon en volmaakt, een volledige onschuld en heiligheid ronddroeg, zoals behalve in God er geen is, en behalve door God geen gedacht worden kan»22 , en die door God met alle hemelse gunsten begiftigd is, zal ons leren naar de wortel van het kwaad dat ons kwelt, te gaan door bovenal, in elke omstandigheid, de vriendschap met God te verstevigen.

-1. Gn 1,26. -2. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 2. -3. Vgl. Pius xii, Enc. Humani generis. -4. Vgl. Concilie van Trente, zitting 5, can. 1 (DS 1511). -5. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, 97,1. -6. Idem, De malo, 4,I. -7. Johannes Paulus ii, Toespraak, 3 september 1986. -8. Gn 2,16-17. -9. Johannes Paulus ii, Enc. Veritatis Splendor, 35. -10. Gn 3,9-15. -11. Gn 3,6. -12. Concilie van Trente, zitting 5, cn. 1. -13. Vgl. Concilie van Orange, cn. 2. -14. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 13. -15. Paulus vi, Credo van het Volk Gods, 16. -16. H. Thomas van Aquino, Summa theologiae, I-II, q81, a1. -17. H. Ibidem, a2. -18. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, IV,4. -19. Vgl. Gn 3,23. -20. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa theologiae, II-II, 163,1. -21. Gn 3,5. -22. Pius ix, Bul Ineffabilis Deus, 1.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 07 feb 2012