Tiende zondag door het jaar (B)
20. De wortels van het kwaad
-De menselijke natuur in haar oorspronkelijke staat van
gerechtigheid en heiligheid. -Solidariteit van alle mensen in Adam. Overdracht
van de erfzonde en de gevolgen ervan. Strijd tegen de zonde. -De menselijke
activiteiten opnieuw op God richten.
20.1 God plaatste de mens aan de
top van zijn schepping opdat hij zou heersen over de vissen
van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde
beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.1 Daarom begiftigde Hij hem met verstand en een wil,
zodat hij in vrijheid zijn Schepper een veel voortreffelijker lof zou kunnen
brengen dan de overige schepselen. Gedreven door zijn liefde beschikte God
bovendien voor de mens, dat hij hem zou verheffen en laten delen in zijn
goddelijk leven2, en dat hij op enige wijze
kennis zou hebben van zijn intieme mysteries die volstrekt alle menselijke maat
te boven gaan. Daartoe bekleedde God hem om niet met de heiligmakende genade3 en de bovennatuurlijke deugden en gaven; door God
werd de mens in heiligheid en gerechtigheid gesteld; van Hem kreeg hij de
mogelijkheid bovennatuurlijke daden te verrichten.4
Door de werking van de genade wordt de ziel veranderd op zo'n wijze dat zij,
zonder op te houden menselijk te zijn, vergoddelijkt wordt; zoals een
brandijzer dat in het vuur gelegd wordt, gloeiend wordt en verandert in iets
dat op vuur lijkt. Als alle vergelijkingen gaat ook deze mank, want de genade
bewerkstelligt een veel diepere verandering dan de inwerking van het vuur op
het brandijzer.
God verrijkte de natuur van Adam bovendien, eveneens om niet,
met de onderwerping van het lichaam aan de ziel, van de lagere krachten aan verstand
en wil, van verstand en wil aan God, de gaven van onsterfelijkheid, van
onlijdelijkheid, van kennis, en het vrij zijn van begeerte; deze worden ook wel
'dona praeternaturalia', buitennatuurlijke gaven genoemd. Deze integriteit in
wijdere zin van de menselijke natuur in haar oorspronkelijke staat van
gerechtigheid en heiligheid kwam voort uit de volmaakte, vrije onderwerping van
de wil van de mens aan zijn Schepper. Gesterkt met deze gaven kon de mens zich
niet vergissen in het kennen en was hij van elke dwaling gevrijwaard. Het
lichaam zelf was onsterfelijk, «niet uit eigen vermogen maar door een
bovennatuurlijke kracht die in de ziel is ingedrukt en die het lichaam behoedde
voor bederf, zolang de ziel aan God onderworpen bleef.»5
In Adam aanschouwde God heel het menselijk geslacht. De gave van de
oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid «is de mens gegeven, niet als aan
een afzonderlijke persoon, maar als een algemeen principe van de gehele
menselijke natuur, zodat deze gave na Adam door de voortplanting aan alle
latere mensen doorgegeven wordt.»6 Wij zouden
allemaal geboren zijn in vriendschap met God, ziel en lichaam zouden getooid
zijn met de door God verleende volmaaktheden. En als het ogenblik gekomen zou
zijn, zou een ieder bevestigd worden in de genade, die hem van deze aarde zou
wegvoeren, zonder lijden en zonder te moeten gaan door de slaap van de dood, om
hem te doen genieten van het eeuwig geluk in de hemel.
Zo deelde God zijn goedheid mee aan de eerste mens; dat was
het plan van God. En om dat te verwerkelijken wilde God, dat de mens vrij met
de genade mee zou werken. Op vergelijkbare wijze vraagt Hij ons nu in deze
ogenblikken van gebed, dat wij beantwoorden aan zoveel genaden die wij
ontvangen. Hier op aarde moeten wij de hemel verdienen, voor eeuwig.
20.2 «De aanwezigheid van de
oorspronkelijke gerechtigheid en de volmaaktheid in de, naar Gods beeld en gelijkenis
geschapen, mens, die wij kennen door de openbaring, sloot niet uit dat deze
mens, in zoverre hij een met vrijheid begiftigd wezen was, van meet af aan net
als de andere geestelijke wezens onderworpen was aan de toets van de vrijheid.»7 God stelde maar één voorwaarde aan de mens: Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, maar van de boom
van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij
daarvan eet, moet ge sterven.8 «Met dit
beeld leert de openbaring ons dat de macht om over goed en kwaad te beslissen
niet aan de mens, maar aan God alleen toekomt.»9
Uit de Heilige Schrift kennen wij ook de trieste overtreding van dit gebod, en
vandaag lezen wij in de eerste lezing10 van de
mis over de staat waarin de mens achterbleef. De duivel zelf, verscholen achter
de gedaante van een slang, zette de eerste vrouw aan ongehoorzaam te zijn aan
het goddelijk gebod: Zij plukte dus een vrucht en zij at
ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at
ervan.11 Onmiddellijk was de onderwerping
aan de Schepper verbroken. De harmonie die er in de vermogens van de mens was,
viel uiteen. Hij verloor de oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid, de
gave van onsterfelijkheid, en geraakte in gevangenschap van «hem die heerst
over het rijk van de dood (Vgl. Heb 2,14), ofwel de duivel. En Adam werd door
die zonde van zijn verraad -de erfzonde- geheel naar lichaam en ziel in een
slechtere staat gebracht.»12 Hij werd uit het
paradijs verjaagd en, hoewel de menselijke natuur in haar eigen wezen
onaangetast bleef, ondervindt hij vanaf dat moment grote belemmeringen bij het
doen van het goede, want hij voelt ook de neiging tot het kwade. De erfzonde
die door onze stamouders persoonlijk begaan is aan het begin van de
geschiedenis, gaat door voortplanting over op iedere mens die ter wereld komt.
Dit is een geloofswaarheid, zo heeft de Kerk bij meerdere gelegenheden verklaard.13
De werkelijkheid van de erfzonde en van het conflict dat deze
in het binnenste van iedere mens gecreëerd heeft, is een aantoonbaar gegeven.
Het geloof verklaart de oorsprong ervan, en wij allen ervaren de gevolgen. «Wat
de goddelijke openbaring ons heeft doen kennen, komt overeen met de ervaring
zelf. Wanneer de mens zijn hart onderzoekt, bemerkt hij, dat hij ook geneigd is
tot het kwade en dat hij op velerlei gebied vaak ondergaat in het kwaad, dat
toch niet van zijn goede Schepper kan voortkomen.»14
Zonder de genade ervaart het menselijk schepsel, dat het niet in staat is zijn
eigen waardigheid te herwinnen.
Paulus vi herinnert ons dat
de mens in zonde geboren wordt, met een gevallen natuur, zonder de gave van de
genade waarmee de mens voorheen begiftigd was, verwond in zijn eigen
natuurlijke krachten en onderworpen aan het rijk van de dood. Voorts «wordt de
erfzonde overgedragen met de menselijke natuur, door voortplanting en niet door
navolging», en «is ze aan ieder eigen».15
Er bestaat een geheimnisvolle lotsverbondenheid van alle
mensen in Adam, op een wijze dat «allen beschouwd kunnen worden als een mens,
in zoverre zij overeenkomen qua natuur die zij van de stamvader ontvangen
hebben.»16 De solidariteit in de genade die alle
mensen verbond met Adam vóór de eerste ongehoorzaamheid, is omgevormd tot
solidariteit in de zonde. «Daarom wordt, op dezelfde wijze als waarop de
oorspronkelijke gerechtigheid met de natuur overgedragen zou zijn op de
nakomelingen, in plaats daarvan de ongeordendheid overgedragen.»17
Het trieste vertoon van het kwaad in de wereld en in onszelf,
de neigingen en instincten van het lichaam die niet aan de rede onderworpen
zijn, overtuigen ons van de diepe waarheid die de openbaring bevat, en zetten
ons aan te strijden tegen de zonde, het enige echte kwaad en de wortel van alle
kwaad dat in de wereld bestaat.
«Hoeveel ellende! Hoeveel beledigingen! Die van mij, die van
jou, die van de gehele mensheid... Et in peccatis concepit
me mater mea! En in zonden ontving mij mijn moeder (Ps 50,7). Ik werd,
zoals alle mensen, geboren, bevlekt met de schuld van onze eerste ouders.
Bovendien zijn er nog mijn persoonlijke zonden in gedachten, in verlangens, in
daden... Om ons van deze verdorvenheid te zuiveren heeft Jezus zich willen
vernederen door de gestalte van een slaaf aan te nemen (vgl. Fil 2,7), door
vlees te worden in de onbevlekte schoot van onze lieve Vrouw, zijn moeder, jouw
moeder en mijn moeder. Hij bracht dertig jaar door in verborgenheid en werkte
zoals velen, naast Jozef. Hij predikte, Hij deed wonderen... En wij zetten het
Hem allemaal betaald met een kruis.
»Heb je nog verdere redenen nodig voor je berouw?»18
20.3 God verdreef onze stamouders
uit het paradijs19, en gaf daarmee aan dat de
mensen ter wereld zouden komen in een staat van afscheiding van God: in plaats
van de bovennatuurlijke gaven, zouden Adam en Eva de zonde doorgeven. Zij
raakten de erfenis kwijt die zij later aan hun nakomelingen hadden moeten doorgeven.
Al bij de eerste kinderen van Adam en Eva lieten zich meteen de gevolgen van de
zonde voelen: Kaïn doodde zijn broer Abel uit naijver. Op dezelfde wijze heeft
alle persoonlijk en sociaal kwaad zijn oorsprong in de eerste zonde van de
mens. Hoewel het doopsel de schuld en de straf van de erfzonde, en van de persoonlijke
zonden die men voor het doopsel begaan zou hebben, geheel vergeeft, bevrijdt
het niet van de gevolgen van de zonde. De mens blijft onderworpen aan dwaling,
begeerte en dood.
De erfzonde was een zonde van hoogmoed.20 En ieder van ons komt in dezelfde verleiding van
trots, wanneer wij in de maatschappij, in het privéleven of waar dan ook, de
plaats van God proberen in te nemen: Gij zult gelijk worden
aan God 21, sprak de slang. Het zijn dezelfde woorden die de
mens hoort midden in de ongeordendheid van zijn gevoelens en vermogens. Zoals
de eerste mensen streeft ook hij nu -in veel gevallen- naar de autonomie die
hemzelf maakt tot rechter over goed en kwaad. Zo vergeet hij zijn hoogste goed,
dat gelegen is in de liefde tot zijn Schepper en de onderwerping aan Hem. In
Hem alleen zullen de vrede, de harmonie van de instincten, en al het andere
goede, herwonnen worden.
Ons apostolaat midden in de wereld zal ons aanzetten iedere
mens met zijn beroepswerk (in het rechtswezen, de industrie, het onderwijs...)
de plaats te geven die hem op grond van zijn verhouding met zijn Schepper
toekomt. Als God in een volk aanwezig is, in een maatschappij, zal die
samenleving menselijker worden. Er zullen geen oplossingen komen voor de
problemen die de wereld teisteren, en er zal niet meer sociale rechtvaardigheid
komen, dan na een toenadering tot God, dan na een bekering van het hart. Het
kwaad zit in de wortel -in het hart van de mens- en dáár moet het genezen
worden. De leer over de erfzonde -die nu werkzaam is in mens en maatschappij,
is een kernpunt in de catechese en in elke vorming, dat niet achterwege mag
blijven.
Tegenover een wereld die soms tot in de grond ontwricht
lijkt, kunnen wij niet onze armen over elkaar slaan, als iemand wie een
situatie boven het hoofd groeit. Wij hoeven ons niet te mengen in grote
beslissingen die misschien niet tot onze competentie behoren, maar wij moeten
wel optreden op de terreinen die God binnen ons bereik gelegd heeft, opdat wij
ze een christelijke oriëntatie geven.
Onze moeder, de heilige Maria, die «vrij van alle zondesmet
en in geheel haar wezen schoon en volmaakt, een volledige onschuld en
heiligheid ronddroeg, zoals behalve in God er geen is, en behalve door God geen
gedacht worden kan»22 , en die door God met alle
hemelse gunsten begiftigd is, zal ons leren naar de wortel van het kwaad dat
ons kwelt, te gaan door bovenal, in elke omstandigheid, de vriendschap met God
te verstevigen.
-1. Gn 1,26. -2. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 2. -3. Vgl. Pius xii, Enc. Humani generis. -4. Vgl. Concilie van
Trente, zitting 5, can. 1 (DS 1511). -5. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, I, 97,1. -6. Idem,
De malo, 4,I. -7. Johannes Paulus
ii, Toespraak, 3 september 1986. -8. Gn 2,16-17. -9. Johannes Paulus
ii, Enc. Veritatis Splendor, 35. -10. Gn 3,9-15. -11. Gn 3,6. -12. Concilie van Trente, zitting 5, cn. 1. -13. Vgl. Concilie van
Orange, cn. 2. -14. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 13. -15. Paulus vi, Credo van het Volk Gods,
16. -16. H. Thomas van Aquino, Summa theologiae, I-II, q81, a1. -17. H. Ibidem, a2. -18. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, IV,4. -19.
Vgl. Gn 3,23. -20. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa theologiae, II-II,
163,1. -21. Gn 3,5. -22. Pius ix,
Bul Ineffabilis Deus, 1.
|