Vijfentwintigste week. Woensdag
33. De zieken bezoeken
-Christus navolgen in zijn erbarmen met de lijdende mens.
-Doen wat Hij in deze omstandigheden zou doen. -Liefde verscherpt onze blik,
waardoor wij Gods weldaden beter zien.
33.1 De
Kerk heeft de gelovigen altijd aangeraden zich bezig te houden met werken van
barmhartigheid, in het bijzonder met het bezoeken van de zieken. Men mag hopen
dat onze belangstelling en liefde het lijden van iemand anders kunnen
verlichten. Misschien zijn wij zelfs in staat de zieken aan te moedigen hun
toestand te heiligen. De Kerk wekt ons op de Meester te volgen, die gedurende
zijn leven op aarde zoveel aandacht toonde voor de zieken. De concrete werken
van barmhartigheid kunnen onmetelijk veel goed doen, zowel voor de zieke als
voor de weldoener zelf. «Of wij nu te maken hebben met kinderen in de
moederschoot, oude mensen, slachtoffers van ongelukken, de lichamelijk of
geestelijk zieken, wij hebben altijd te maken met onze medemensen, van wie de
verheven afkomst te vinden is op de allereerste bladzijde van de bijbel: God schiep de mens als zijn beeld
(Gn 1,27). Het is dikwijls gezegd dat men een beschaving kan beoordelen naar de
wijze waarop men omgaat met weerlozen, met kinderen, met zieken enzovoorts.»1 Waar een zieke mens is, daar moet «een hoogst
menselijke omgeving zijn waar ieder met respect bejegend wordt. Men ondervindt
in zulke omstandigheden de mensen die nabij zijn als broeders en vrienden.»2
De evangelisten maken dikwijls melding van Christus' liefde
en medelijden jegens mensen die lijden. De evangeliën
staan vol van zijn wonderbare genezingen. Het was de heilige Petrus die
met deze woorden het leven van Jezus van Nazareth samenvatte: Hij ging weldoende rond en genas...3 «Zijn handelen betrof in de eerste plaats
diegenen die lijden ondergingen en hulp zochten. Hij genas de zieken,
troostte de bedroefden, voedde de hongerigen, bevrijdde mensen van doofheid, van
blindheid, van melaatsheid, van de duivel en van verschillende lichamelijke
kwalen; driemaal bracht Hij een dode tot leven. Hij was gevoelig voor elk
menselijk lijden of het nu een lijden was van het lichaam of van de ziel.»4 Jezus nam er geen genoegen mee alleen degenen te
genezen die tot Hem kwamen, Hij ging ook op zoek naar de zieken. Toen Hij de
lamme zag bij het bassin, een man die daar al achtendertig jaar was, vroeg hij
hem zonder aarzelen: Wil je gezond
worden?5 Bij een andere
gelegenheid bood Hij aan naar het huis van de honderdman te reizen om diens
knecht te genezen.6 Jezus ging de mensen die
door besmettelijke ziekten getroffen waren, niet uit de weg. Hij ging bijvoorbeeld regelrecht naar de melaatse even
buiten Kafarnaüm, ofschoon Hij hem zeker op afstand had kunnen genezen, en Jezus stak de hand uit, en raakte hem
aan.7 Zoals wij in het evangelie
van de Mis van vandaag lezen, zond Jezus zijn apostelen om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten;
Hij gaf hun de macht en het gezag over alle boze geesten en de kracht om
ziekten te genezen.8
De Heer onderwees zijn leerlingen om de zieken met nieuwe
ogen te zien: Ik was ziek en gij
hebt mij bezocht.9 Telkens wanneer
wij zorgen voor iemand die lijdt, zorgen wij voor Jezus Christus zelf: Voorwaar Ik zeg u, al wat gij gedaan
hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan.
U hebt Mij geholpen die ziekte te verdragen, die droefheid, die vermoeidheid,
die eenzaamheid...
Laten wij vandaag eens nauwkeurig kijken naar de aandacht die
wij geven aan onze naasten die lijden. Hoeveel tijd maken wij vrij? Hoeveel
belangstelling? «Kind... Zieke... Komen jullie niet in de verleiding deze woorden
met hoofdletters te schrijven? -Immers, een op Hem verliefd mens ziet Hem in
een kind en in een zieke!»10
33.2 Barmhartigheid
is een van de vruchten van de liefde. «Barmhartigheid is een zekere mate van
medelijden met de nood van je naaste dat in ons hart opwelt en ons aanspoort
hem zo goed mogelijk te helpen.»11 Het is een
wezenlijk kenmerk van medelijden om zichzelf weg te schenken, zichzelf uit te
putten voor degene die pijn lijdt of in nood is, en om de pijn of nood van de
ander als eigen pijn of nood op zich te nemen om ze zo goed mogelijk te
verhelpen. Als gevolg hiervan is ziekenbezoek niet zo maar een
beleefdheidsbezoek. Integendeel, wij maken zijn leed tot het onze. Wij proberen
het te verlichten, misschien door een vriendelijk gesprek over nieuws dat zijn
belangstelling heeft, misschien door wat kleine materiële hulp te bieden. Wij
zouden de zieken moeten aanmoedigen deze beproeving, die hun levenspad kruist,
te heiligen. Wij kunnen samen bidden. Wij kunnen ook voorlezen uit een goed
geestelijk boek, als dat geschikt is... Dan zullen wij handelen zoals Christus
het zou doen. Wij zullen handelen alsof wij Jezus Christus zelf gingen
bezoeken.
Wanneer wij het offer brengen een zieke te bezoeken, of
iemand die op de een of andere wijze in nood is, maken wij de wereld menselijker.
Wij komen dicht bij het hart van de mens en overstelpen hem tegelijkertijd met
de liefde van Christus. Paus Johannes Paulus ii
schreef: «Wij zouden kunnen zeggen dat het lijden, dat in zoveel vormen
aanwezig is in onze mensenwereld, ook de aanzet is om de liefde in de mens vrij
te maken, die onzelfzuchtige gave van iemands 'ik' ten behoeve van anderen,
vooral van de lijdenden. De wereld van menselijk lijden roept onophoudelijk om,
zo te zeggen, een andere wereld: de wereld van menselijke liefde; en in zekere
zin heeft de mens die onzelfzuchtige liefde die zijn hart en zijn handelen
beroert, te danken aan het lijden.»12
Hoeveel goeds kunnen wij bereiken door vol meeleven te zijn voor de mensen die lijden! Hoeveel genade
verkrijgt onze ziel als vrucht hiervan! De Heer vergroot ons hart en laat ons deze woorden begrijpen, die Hij eens
gezegd heeft: Het is
zaliger te geven dan te ontvangen.13
Want Jezus is grootmoedig boven onze stoutste verwachtingen.
33.3 De
heilige Augustinus zegt dat «medelijden 'het pronkstuk van onze ziel' is omdat
het de ziel goed en mooi maakt.»14 en tal van zonden bedekt.15 «Hij die begint te delen in de ellende van anderen
begint de zonde prijs te geven.»16. De heilige
Augustinus wijst erop, dat wij door onze
naasten te beminnen het zicht van onze ogen zuiveren en wel zo, dat wij
in staat zijn God te zien.17 Ons gezichtsvermogen
wordt scherper in de beschouwing van de goddelijke weldaden. Zelfzucht doet het
hart verstenen, terwijl liefde ons in staat stelt ons in God te verblijden.
Vandaar dat liefde een voorproef is van eeuwig leven18
want het eeuwige leven is een ononderbroken akt van liefde.19 Welke betere beloning kan de Heer ons geven dan de
gave van Hemzelf? Wat is er mooier dan omwille van Christus onze vaardigheid
tot liefhebben van de anderen te vergroten? «Al bemin je nóg zoveel, nooit zul
je voldoende beminnen. -Het menselijk hart heeft een enorm expansievermogen.
Wanneer het bemint, dan breidt het zich uit in een crescendo van genegenheid dat alle hindernissen
overwint. -Indien je de Heer bemint, dan zal er geen schepsel zijn dat geen
plaats vindt in jouw hart.»20
In onze moderne wereld moet men wel opmerken dat er een
groeiend aantal mensen is dat onze hulp nodig heeft: de ouderen, de zieken, de
bedroefden, de thuislozen.... «Er zijn heel wat mensen die in hun eigen huis de
problemen van ziekte of de schande van armoede ondervinden, ofschoon er
misschien minder van deze mensen zijn dan vroeger. Op het ogenblik hebben wij
veel verzorgingshuizen en bejaardentehuizen. Er zijn talloze organisaties en
programma's voor mensen in nood. Toch huisvesten deze instituten, ondanks de
beste bedoelingen, veel eenzame mensen die in grote geestelijke nood verkeren.
Beroofd van de hartelijkheid van vrienden en familie voelen deze trieste mensen
zich volkomen verlaten.»21 Wanneer wij zorgen
dat deze mensen, die zo lijden, gezelschap krijgen roepen wij de zegen van de
Heer over onszelf af. En dit hebben wij even hard nodig als ieder ander.
In het getijdengebed van vandaag vinden wij dit gebed tot de
Heer: «Open onze ogen voor uw aanwezigheid in onze medemensen, vooral in hen
die arm zijn en bedroefd».22 Naast de lijdende
mens zullen wij Maria, troosteres
der bedroefden, vinden. Zij zal in ons hart de neiging
onderdrukken ooit nog in een wijde boog om een zieke vriend, een naar lichaam of ziel lijdende mens heen te gaan.
-1. Paulus vi,
Toespraak, 24 mei
1974. -2. Ibidem. -3.
Hnd 10,38. -4. Johannes Paulus ii, Apost.
brief Salvifici doloris, 11
februari 1984, 16. -5. Joh
5,6. -6. Vgl. Mt
8,7. -7. Mt 8,3. -8.
Lc 9,1-2. -9. Vgl. Mt 25,36-44. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 419. -11. H. Augustinus, De stad Gods, 9,5. -12. Johannes
Paulus ii, o.c. 29. -13. Hnd 20,35. -14. H. Augustinus,
in Catena Aurea, VI.
-15. Vgl. 1 Pe
4,8. -16. H. Augustinus, o.c. -17. Idem,
Commentaar op het evangelie
van Johannes, 17,8. -18. Vgl. 1 Joh 3,14. -19. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, q114, a4. -20. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, achtste statie, 5. -21. J. Orlandis, Las ocho bienaventuranzas, bl. 105. -22. Getijdenboek,
morgengebed, slotgebeden.
|