Achtentwintigste week. Zaterdag
63. De zonde tegen de Heilige Geest
-Openstaan voor goddelijke barmhartigheid. -Het verlies van
het zondebesef. -Verenigd met Christus kunnen wij de gruwel van de zonde
begrijpen. Onderscheidingsvermogen en fijngevoeligheid van het geweten.
63.1 Het
deel uit het evangelie van de heilige Lucas dat vandaag gelezen wordt, brengt
een aantal krachtige uitspraken van de Heer onder onze aandacht: Aan ieder die zich zal kanten tegen de
Mensenzoon zal het vergeven worden; maar hem die de Heilige Geest heeft
gelasterd, zal het niet vergeven worden.1
Ook de heilige Marcus schrijft, dat de Heer zegt, dat deze godslastering nooit vergeven zal worden
en dat iemand die op deze wijze zondigt, is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde.2
De heilige Matteüs haalt op zijn beurt deze plechtige woorden
van Christus aan in een samenhang die een beter begrip van het belang ervan
mogelijk maken.3 Hij verhaalt hoe de mensen
versteld stonden door de wonderen van Christus, zozeer dat zij zich afvroegen: Is Hij misschien de zoon van David?4 Toch konden de Farizeeën zich niet gewonnen geven aan
het bewijs van de vele wonderen die Hij voor hun eigen ogen verrichtte. Hun
enige verklaring was om de verbazingwekkende tekenen die Hij verrichtte, en
zijn goddelijke werken toe te schrijven aan de macht van de duivel. Door de
hardheid van hun hart konden zij de duidelijke tekenen niet aanvaarden. Slechts door Beëlzebub, de vorst van de
duivels, zeiden zij, werpt
Hij duivels uit. Hier vinden wij precies de onvergeeflijke aard
van de godslastering tegen de Heilige Geest. Zij sluiten de bron van vergiffenis
uit.5 Alle zonden kunnen vergeven worden,
ongeacht de zwaarte ervan. Dit komt doordat Gods goedheid grenzeloos is. Wat
nodig is voor vergiffenis, is natuurlijk dat de zondaar zijn zonde als zonde
erkent en gelooft in Gods barmhartigheid. De hardheid van het hart van de
Farizeeën verhinderde ongetwijfeld de krachtige werking van de goddelijke
genade.
Jezus bestempelt deze houding als 'zonde tegen de Heilige
Geest'. Deze is onvergeeflijk, niet vanwege zijn zwaarte en kwaadaardigheid,
maar omdat de wil gesloten is voor God. Ieder die zo zondigt, plaatst zichzelf
opzettelijk buiten het bereik van de goddelijke barmhartigheid.
Paus Johannes Paulus ii waarschuwt voor de ernst van deze houding ten
opzichte van de genade. «De zonde tegen de Heilige Geest is dus de zonde die
begaan wordt door iemand die zegt het 'recht' te hebben om in het kwade te
volharden, en die op deze wijze de verlossing afwijst. Men sluit zichzelf op in
zonde, daarmee zijn bekering onmogelijk makend, en als gevolg hiervan wijst men
ook de vergeving van de zonden af, die men niet essentieel of belangrijk vindt
voor zijn leven.»6
Laten wij vandaag de Heer vragen om radicale oprechtheid en
echte nederigheid, zodat wij deze tekorten en zonden onder ogen kunnen zien.
Wij bidden, dat wij niet gewend mogen raken aan ons falen, ook niet op het
gebied van de dagelijkse zonde. Wij kunnen meteen naar Jezus gaan voor
vergeving en voor de levengevende werking van de Heilige Geest. Wij kunnen Onze
Lieve Vrouw vragen om de 'heilige vreze des Heren', zodat wij nooit ons
zondegevoel verliezen en het noodzakelijke bewustzijn van onze zwakheden. «Als
onze blik troebel is, als onze ogen hun helderheid verliezen, moeten wij naar
het licht gaan. En Christus heeft ons gezegd, dat Hij het Licht van de wereld
is en dat Hij gekomen is om de zieken te genezen. -Moge het daarom niet zo
zijn, dat je ziektes, je valpartijen -zo de Heer je die laat overkomen-, je van
Christus verwijderen: ze moeten je naar Hem toebrengen.»7
63.2 Jezus
openbaarde aan de mensheid de Heilige Geest als een Persoon, onderscheiden van
de Vader en de Zoon. De Heilige Geest is de Liefde die bestaat tussen de
Personen van de Heilige Drieëenheid. Hij is de bron en het model voor alle
geschapen liefde.8
De Heilige Geest is aanwezig in alle daden van Jezus.
Gedurende het Laatste Avondmaal sprak Jezus met de grootste duidelijkheid over
de Geest. Hij openbaarde deze Persoon als onderscheiden van de Vader en de
Zoon. De Heilige Geest is zeer betrokken bij de Verlossing. Jezus verwijst naar
de Heilige Geest als de Paracleet
of Trooster, als
naar iemand die handelt als raadgever en voorspreker. De wereld van de Grieken
verstond het woord Paracleet
in de betekenis van een pleitbezorger die ten gunste van iemand sprak in een
juridisch proces. De Heilige Geest heeft ook een speciale werking met
betrekking tot het oefenen van het geweten naast de kracht van de
kwijtschelding bij de sacramentele schuldbelijdenis. Door de absolutie is de
zondaar voor altijd vrijgesproken van zijn zonden en vervuld van nieuw leven.
De paus heeft over de hedendaagse mensen geschreven die zich
tegen de werking van de Paracleet verzetten. «De werking van de Geest van
waarheid, die werkt met betrekking tot de heilzame overtuiging betreffende de
zonde, treft in een persoon die zich in deze toestand bevindt een inwendige
weerstand aan, als het ware een ondoordringbaar geweten, een toestand van de
geest die beschreven kan worden als gefixeerd, veroorzaakt door de vrije keuze.
Dit is wat de Heilige Schrift gewoonlijk de verstoktheid van het hart noemt
(Vgl. Ps 81,13; Jr 7,24; Mc 3,5). In onze tijd wordt deze houding van geest en
hart misschien weerspiegeld in het verlies van zondebesef.»9
Het tegenovergestelde van de verstoktheid van hart is de
fijngevoeligheid van het geweten. Deze verfijnde waarneming treedt in werking
wanneer de mens alle zonde verafschuwt, dagelijkse zonden inbegrepen. De mens
probeert gedurende de dag de influisteringen van de Heilige Geest te volgen. De
heilige Augustinus leert ons: «Wanneer het reukorgaan in iemands ziel gezond
is, kunnen wij onmiddellijk de stank van onze zonden ruiken.»10 Hebben wij een dergelijke gevoeligheid voor de
overtredingen die wij tegen God begaan? Reageren wij meteen tegen onze
tekortkomingen en zonden?
63.3 Tegenwoordig
hebben veel mensen hun zondebesef verloren of staan op het punt het te
verliezen. Als gevolg hiervan verliezen zij hun Godsbesef. Tegennatuurlijk
gedrag dat tegengesteld is aan de goddelijke wetten, wordt nu behandeld als de
natuurlijke gang van zaken in films, op de televisie en in de pers... Zo nu en
dan betreuren mensen de droevige gevolgen van dit gedrag wanneer dit individuen
en de samenleving aantast, maar dan zonder naar de Schepper te verwijzen. Bij
andere gelegenheden worden zulke 'leefwijzen' uitgebreid tentoongespreid om publieke
nieuwsgierigheid aan te trekken, maar zonder enige poging dit onderwerp te
behandelen vanuit een moreel standpunt. Echtelijke ontrouw, schandalen,
aantasting van de goede naam, echtscheiding, leugens, bedrog... Er is geen tekort
aan dit soort zaken, inclusief zogenaamde christenen, die genieten van deze
ruchtbaarheid gevende toestanden; zij onderzoeken ze zorgvuldig, interviewen de
hoofdfiguren en volgen gretig hun avonturen... Het lijkt erop, dat mensen alles
willen doen behalve deze daden bij hun naam noemen. In ieder geval is hier de
belangrijkste factor totaal vergeten: wat het betekent voor God, voor Hem die
een echte betekenis geeft aan iedere mens. Sommige mensen kiezen ervoor om te
oordelen volgens beginselen die geen ruimte overlaten voor God, alsof Hij nooit
heeft bestaan of geen enkele rol speelt in ons leven. Ons leefklimaat is op dit
ogenblik volkomen heidens geworden. Het heeft veel overeenkomst met de wereld
van de eerste christenen, die zij omgevormd hebben, zoals wij onze wereld
moeten omvormen.
Wij voelen de zwaarte van onze zonden, wanneer wij ze zien
als overtredingen tegenover God. De zonde scheidt ons van God. De zonde maakt
onze ziel ongeschikt om naar de Paracleet, de Heilige Geest, te luisteren. Wij
zouden zelfs dat punt van ongevoeligheid kunnen bereiken dat door de heilige
Augustinus wordt beschreven: «Sommigen hebben bepaalde zonden gedaan, zonden
zonder menselijke slachtoffers, waarvan zij zeggen dat dit helemaal geen zonden
zijn.»11 Wat een gave is het de zwaarte van onze
zonden te weten. Deze kennis brengt ons tot frequente akten van berouw, om
ernaar te verlangen dikwijls te biechten en te bidden om vereniging met God. De
heilige Johannes van Ávila leerde: «Als je je niet ontmoedigd voelt door je
zonden, dan besef je nog steeds niet, wat je hebt gedaan. Zonde bezwaart ons: sicut onus grave gravatae sunt super me (Ps
37,5). Zonde is veel zwaarder dan ik mij kan voorstellen. Wat is zonde dan
precies? Het is een schuld, die niet afgelost kan worden, een ondraaglijke last
die zwaarder is dan wat dan ook.»12 De heilige
herhaalt later: «Als er geen zwaardere last dan deze kan zijn, waarom voelen
wij dan niet het gewicht ervan? Dit komt omdat wij geen besef hebben van Gods
goedheid.»13 Bij de wonderbare visvangst
ontdekte de heilige Petrus de godheid van Christus en zijn eigen kleinheid. Let
op zijn antwoord: Bij het zien
daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: 'Heer, ga van mij weg, want ik
ben een zondig mens.' 14 Hij
smeekte de Heer om hem te verlaten om zijn zondigheid. Tegelijkertijd smeekten
zijn ogen en zijn hele houding de Heer om voor altijd bij hem te blijven.
Het referentiepunt om de slechtheid van de zonden te meten is
de heiligheid van God. De christen kan in zichzelf een gebrek aan liefde
waarnemen, wanneer hij zich volledig bewust wordt van de liefde van Christus.
Anders zou het gemakkelijk voor hem zijn om zijn zwakte te rechtvaardigen. De
heilige Petrus had een diepe liefde voor Christus. Hij wist hoe hij berouw
moest hebben over zijn loocheningen. Hij zou
het doen door een daad van liefde te stellen: Domine, tu omnia nosti, tu scis quia amo te.15 Misschien hebben wij dit gebed gebruikt om ons
eigen berouw uit te drukken. Heer,
U weet alles, U weet dat ik U liefheb. Wij willen een beroep doen
op de Heer met deze oefening van liefde telkens wanneer wij ontrouw geweest
zijn. Berouw geeft kracht aan de ziel. Het schenkt ons ook hoop en een betere
gevoeligheid voor God.
Laten wij onze moeder Maria vragen, aan haar die zo volgzaam
was aan de wenken van de Heilige Geest, om ons een fijnzinnig en onderscheidend
geweten te leren vormen. Laten wij besluiten niet zelfvoldaan te wennen aan het
verkeerde dat wij doen. Wij moeten snel reageren op zelfs de allerkleinste
dagelijkse zonden, die wij opzettelijk gedaan hebben.
-1. Lc
12,10. -2. Vgl. Mc
3,29. -3. Vgl. Mt
12,32. -4. Mt 12,23.
-5. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II,
q. 14, a. 3. -6. Johannes
Paulus ii, Enc. Dominum et vivificantem, 18 mei 1986. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 158. -8. Vgl. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 24. -9. Johannes Paulus ii, o.c. 47. -10. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen, 37,9. -11. Vgl. idem, Preek 278,7. -12. H. Johannes
van Ávila, Preek 25,
voor de eenentwintigste zondag na Pinksteren. -13. Ibidem, p. 355. -14. Lc 5,8-9. -15. Joh 21,17.
|