Tweede week. Vrijdag
17.
DE ZONDE VERAFSCHUWEN
-Onze zonden en de Verlossing. Het werkelijke kwaad in de
wereld. -De vasten, de geëigende tijd die de Kerk ons aanbiedt om de strijd
tegen de zonde te verhevigen. De kwaadaardigheid van de dagelijkse zonde. -De
strijd tegen de bewuste dagelijkse zonde. Oprechtheid. Gewetensonderzoek.
Berouw.
17.1 God heeft ons
liefgehad en zijn Zoon gezonden tot verzoening voor de zonden van ons allen.1
De liturgie van deze dagen brengt ons stapje voor stapje naar
het centrale mysterie van de Verlossing. Zij laat ons personen uit het Oude
Testament zien die een voorafbeelding zijn van de Heer. De eerste lezing van de
Mis van vandaag spreekt ons over Jozef. Door het bedrog van zijn broers zou
hij, op providentiële wijze, de redder worden van zijn familie en van de hele
landstreek.2 Hij
is het beeld van Christus Verlosser.
Jozef was de meest geliefde zoon van Jakob en volgens de wens van zijn vader gaat hij zijn broers
opzoeken. Hij legt een lange weg af om hen te ontmoeten. Hij bracht hun
goed nieuws van hun vader en ook voedsel. In het begin overwegen zijn broers
-die jaloers op hem zijn en hem haten omdat hij de uitverkoren zoon is- om hem
te doden. Later echter verkopen ze hem als slaaf en zo wordt hij weggevoerd
naar Egypte. God maakt gebruik van die omstandigheden om hem, jaren later, een
hoge positie te verschaffen in dat land. In tijden van grote hongersnood zal
hij de redder zijn van zijn broers die hij hun misdaad niet aanrekent, en ook
van het land van Egypte waar de stammen van Israël zich door de welwillendheid
van Jozef vestigden en het veranderden in de bakermat van het uitverkoren volk.
Allen die de farao hulp kwamen vragen, werden doorverwezen naar Jozef: ga
naar Jozef, zei hij hun steeds.
De Heer komt ook als gezant van de Vader om licht te brengen
in de wereld: Hij is in de wereld gekomen, maar de wereld nam Hem niet aan3... Tenslotte
zond hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling dat ze zijn zoon wel
zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar:
Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis
toeëigenen. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem.4 Hetzelfde zouden
ze doen met de Heer: ze dreven Hem de stad uit en kruisigden Hem.
De zonden van de mensen zijn de oorzaak geweest van de dood
van Jezus Christus. Elke zonde heeft zijn eigen geheimnisvol verband met het
lijden van Jezus. De slechtheid van de zonde herkennen we, met de hulp van de
genade, alleen maar als we deze weten te relateren aan het geheim van de
verlossing. Zo alleen kunnen we de ziel werkelijk zuiveren en ons berouw om
onze fouten en zonden doen toenemen. De bekering die de Heer nadrukkelijk en in
het bijzonder in deze vastentijd, die ons naar de Goede Week voert, aan ons
vraagt, moet als vertrekpunt nemen: een beslist afwijzen van elke zonde en van
elke omstandigheid die ons de gelegenheid biedt God te beledigen. De morele
vernieuwing van deze wereld komt voort uit deze vaste overtuiging: «[...] dat er
voor jou op aarde maar één kwaad bestaat, dat je moet vrezen en met Gods genade
moet vermijden: de zonde.»5 Want het tegenovergestelde, «het verlies van het
zondebesef is dus een vorm of een gevolg van de ontkenning van God: niet
alleen deze van het atheïsme, maar ook die van de secularisatie. Als de zonde
de verbreking van de kinderlijke relatie met God is, teneinde een leven te
leiden buiten de gehoorzaamheid die men Hem verschuldigd is, dan is de zonde
niet alleen een ontkennen van God; dan is zij echter ook leven alsof Hij niet
bestaat, Hem buiten zijn dagelijks leven houden.»6 Wij willen God niet uit ons leven
wegstrepen, maar willen dat Hij er elke keer meer aanwezig is.
«Wij kunnen heel goed beweren -zegt de heilige Pastoor van
Ars- dat het lijden dat de Joden Christus lieten ondergaan, niets is in
vergelijking met dat wat de christenen Hem aandoen met de beledigingen van hun
doodzonden [...]. Hoe groot zal onze afschuw zijn wanneer Jezus Christus ons laat
zien waarvoor we Hem verlaten hebben.»7 Wat een dwaasheden in plaats van zoveel goeds.
Door de goddelijke barmhartigheid en met de hulp van de genade zullen wij Hem
niet verlaten en zorgen dat velen die van Hem verwijderd zijn, dichterbij
komen.
17.2 De inspanning van een
persoonlijke bekering die de Heer van ons vraagt, moeten we elke dag van ons
leven opbrengen, maar in bepaalde perioden en situaties -de vastentijd bij
voorbeeld- ontvangen we speciale genade die we moeten gebruiken. Deze periode van
het kerkelijk jaar is een buitengewone gelegenheid de strijd tegen de zonde op
te voeren en het genadeleven te doen toenemen door goede werken.
Om de kwaadaardigheid van de zonde beter te kunnen begrijpen
moeten we overwegen wat Christus geleden heeft voor de zonden van ieder van
ons. In de doodsstrijd van Getsemane zien we Hem lijden, erger dan met een pen
te beschrijven valt. Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot
zonde gemaakt8,
zegt de heilige Paulus; beladen met al onze afzichtelijkheden totdat Hij zweet
met bloed vergiet. «Jezus, alleen en bedroefd, lijdt, en de aarde wordt met
zijn bloed doordrenkt. Op de harde grond geknield, volhardt Hij in gebed... Hij
huilt om jou... en om mij: het gewicht van de zonden van de mensen verplettert Hem.»9 Het is een
tafereel dat we heel vaak voor ogen moeten hebben, elke dag, en meer in het
bijzonder als de verleidingen toenemen.
De Heer heeft ons geroepen tot heiligheid, te beminnen met
daden. De houding die we aannemen tegenover bewuste dagelijkse zonden hangt af
van de vooruitgang van ons innerlijk leven. Dagelijkse zonden veroorzaken
immers, als men niet strijdt om ze te vermijden of men niet voldoende berouw
heeft na het begaan ervan, grote schade aan de ziel door haar ongevoelig en
onverschillig te maken voor de ingevingen en aansporingen van de Heilige Geest.
Ze verzwakken het genadeleven, bemoeilijken het beoefenen van de deugden en
maken ons klaar voor de doodzonde.
«Heel veel vrome zielen -zegt een auteur van deze tijd-
verkeren in een bijna voortdurende staat van ontrouw met betrekking tot
'kleinigheden'. Zij zijn ongeduldig, weinig liefderijk in hun gedachten,
oordelen en woorden, oneerlijk in hun spreken en handelen, langzaam en traag in
hun vroomheid, kennen geen zelfbeheersing en slaan uitermate veel lichtzinnige
taal uit, en hechten niet veel belang aan de goede naam van de naaste. Ze
kennen hun eigen gebreken en ontrouw, en belijden ze misschien in de biecht,
maar ze berouwen ze niet serieus en passen de middelen om ze te voorkomen niet
toe. Ze denken er niet aan dat elk van die onvolmaaktheden is als een loden
last die hen neerdrukt. Ze geven zich er geen rekenschap van, dat zij beginnen
te denken op een wijze die het menselijke niet overstijgt en te werken uit
enkel natuurlijke motieven. Ze hebben niet in de gaten dat ze meestal weerstand
bieden aan de influisteringen van de genade en er misbruik van maken. Zo
verliest de ziel de glans van haar schoonheid en God zal zich er elke keer
verder uit terugtrekken. Beetje bij beetje verliest de ziel haar
aanrakingspunten met God: zij ziet in Hem niet de liefderijke en beminde Vader
aan wie zij zich met kinderlijke tederheid wil overgeven. Er is iets tussen die
twee gekomen.»10 Het
is de weg van de lauwheid die ze al ingeslagen zijn.
In de weloverwogen strijd om elke zonde uit ons leven te
bannen tonen we onze liefde voor de Heer, onze instemming met zijn genade: «Hoe
bedroevend vind ik het, dat je geen verdriet hebt over je dagelijkse zonden!
-Want zolang je dat niet hebt, zul je geen waarachtig innerlijk leven kunnen
beginnen.»11
Laten we vandaag Onze Lieve Vrouw vragen dat ons een grote
afschuw verleend wordt, niet alleen over onze doodzonden,
maar ook over onze bewuste dagelijkse zonden.
17.3 «Het herstel van
het juiste zondebesef is de eerste vorm om aan de ernstige geestelijke
crisis die op de mens van onze tijd drukt het hoofd te bieden.»12
Wij binden de strijd aan met de dagelijkse zonde door deze
als zodanig te herkennen, als een belediging van God die de eenheid met Hem
aantast. De zonde zonder omhaal bij de naam noemen, zonder het bovennatuurlijk
belang dat eraan vastzit voor de ziel, die werkelijk naar God wil gaan, te
verkleinen. Opwellingen van toorn, afgunst of zinnelijkheid die niet
onmiddellijk onderdrukt zijn; het verlangen het middelpunt van alles te zijn,
de aandacht te trekken; zich nergens zoveel mee bezighouden als met zichzelf,
met zijn eigen zaken en belangen, daarmee de mogelijkheid kwijtrakend belang te
stellen in de anderen; het doen van vroomheidsoefeningen uit routine, met weinig
aandacht en weinig liefde; lichtvaardig en met weinig liefde over anderen
oordelen..., dat zijn allemaal dagelijkse zonden en niet alleen maar gebreken of
onvolmaaktheden.
We moeten de Heilige Geest
bidden dat Hij ons helpt oprecht onze zonden en gebreken te herkennen, door een
fijngevormd geweten te hebben, dat vergeving vraagt en niet de fouten
goedpraat. «Wie een goede zieleneus heeft -zegt de heilige Augustinus- ruikt of
het een zonde is die de pijn veroorzaakt.»13
De heiligen hebben, door het licht van het geloof en de
liefde, met volle duidelijkheid begrepen dat een enkele zonde -vooral als het
een doodzonde is, maar ook de dagelijkse zonde- een wanorde veroorzaakt die
groter is dan van de ergste zondvloed die de aarde verwoest, «want het goed van
de genade van een enkele mens is groter dan het goed van de hele natuurlijke
wereld.»14 Laten
we een oprecht berouw koesteren over onze zonden en gebreken. Laten we vechten
elke routine te vermijden bij het ontvangen van het sacrament van de goddelijke
Barmhartigheid. «Heb altijd echt verdriet over de zonden die je gaat belijden,
hoe licht ze ook maar zijn -adviseert de heilige Franciscus van Sales- en maak
het stellige voornemen je voor de toekomst te beteren. Velen verliezen veel
goeds en geestelijk voordeel door de dagelijkse zonden te biechten uit gewoonte
of als een plichtpleging, zonder te bedenken dat ze zo de last ervan voor hun
hele leven op zich laden.»15
De heilige maagd Maria, Toevlucht van de zondaars, zal
ons helpen een goed gevormd geweten te behouden, Christus en alle mensen te
beminnen, eerlijk te zijn tegenover onszelf bij het biechten, onze zwakheden
te vertellen en zij zal ons helpen onmiddellijk een oprecht berouw op te wekken
over onze zonden, gebreken en zwakheden.
-1. Communio van de Mis, 1 Joh 4,10. -2.
Gen 37,3-4; 12-13a en 17b-28. -3. Joh 1,11. -4. Evangelie van de Mis, Mt
21,33-43 en 45-46. -5. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 386. -6. Johannes
Paulus ii, Apost. exhort. Reconciliatio et poenitentia, 18.
-7. H. Jean-Baptiste Marie Vianney,
Preek over de zonde. -8. 2 Kor 5,21. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans, eerste
van de droevige geheimen. -10. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 330. -12. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Reconciliatio et
poenitentia, 18. -13. H. Augustinus,
Commentaar op psalm 37. -14. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q113, a9, ad2. -15. H. Franciscus van Sales, Inleiding
tot het devote leven, 11,19.
|