Derde week.
Maandag
16. DE ZUIVERHEID VAN HET HART
-Het
Kerstfeest roept ons op tot een grotere innerlijke reinheid. -Het bewaken van
ons hart. -De zuiveren van hart zullen God al in dit leven zien, en Hem in alle
volheid zien in het eeuwig leven.
16.1 Rorate,
caeli, desuper, et nubes pluant iustum, dauwt, hemelen uit den hoge;
wolken, laat als een regen de Gerechte neerdalen.1
Het Geboortefeest is een
licht in de nacht. En dat licht zal nooit uitdoven. Ieder die naar Bethlehem
kijkt zal het Jezuskind kunnen aanschouwen naast Maria en Jozef. Ieder die met
een rein hart kijkt, want God laat zich alleen zien aan de zuiveren van hart.2 Kerstmis is een
oproep tot innerlijke reinheid. Veel mensen zien misschien niets als het weer
Kerstmis wordt, omdat zij blind zijn voor het wezenlijke. Hun hart is vol
stoffelijke zaken, of vuiligheid, of stommiteiten. Onreinheid is de veroorzaker
van de ongevoeligheid voor de zaken van God en ook voor veel goede menselijke
zaken, zoals medelijden met tegenspoed van anderen.
Uit een rein hart wordt
blijdschap geboren en een doordringende blik voor het goddelijke, het
vertrouwen in God, een oprecht berouw, kennis van onszelf en onze zonden en een
grote liefde tot God en de anderen. Bij een bepaalde gelegenheid ondervroegen
een paar schriftgeleerden en farizeeën Jezus: Waarom overtreden uw
leerlingen wat ons van oudsher is overgeleverd? Want ze wassen hun handen niet
voor het eten. De Heer greep de kans aan om hun te laten zien dat zij de
allerbelangrijkste verplichtingen verwaarloosden. Hij zei hun: Hoe juist
heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, toen hij zei: Dit volk eert Mij
met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.3
Jezus riep toen het volk
bijeen, omdat Hij iets zeer belangrijks ging vertellen. Het ging niet om de
interpretatie van nog weer een detail van de Wet, het ging om een
basisbeginsel. De Heer gaf aan wat een mens tegenover God werkelijk rein en
onrein maakt. Daarop riep Hij de mensen bij zich en sprak tot hen: Luistert,
en wilt verstaan; niet wat de mond binnengaat bezoedelt de mens, de mens wordt
bezoedeld door wat de mond uitgaat.4 Even later zou Hij aan zijn leerlingen afzonderlijk
uitleggen: Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart en dat
bezoedelt de mens. Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord,
echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering. Die dingen
zijn het die de mens bezoedelen; maar met ongewassen handen eten bezoedelt de
mens niet.5 Wat
de mond uitgaat, komt voort uit het hart. De hele mens wordt bezoedeld door wat
in het hart gebeurt: slechte verlangens, ijdele begeerten, afgunst, wrok... En
ook de uitwendige zonden die de Heer noemt, zijn voordat deze uitwendig gesteld
worden, inwendig reeds begaan. Zo is het dat God wordt bemind of beledigd.
Het kan trouwens ook zo
zijn, dat de uitwendige handeling het goed of kwaad van de inwendige handeling
vergroot, door een grotere intensiteit van de wil, door het voorbeeld of het
schandaal die er het gevolg van zijn, door de weldaden of nadelen onze naasten
bereid enz. Als we het innerlijk van de mens gezond en zuiver houden, zal al
het overige rein en God welgevallig zijn. God noemt wie zijn hart bewaakt, zalig en gelukkig. En dat is de
taak van elke dag.
16.2 Wees
waakzaam over uw hart, want daar ontspringt het leven6, zegt het boek Spreuken; en daar ontspringen ook
blijdschap en vrede, en het vermogen lief te hebben en apostolaat te doen.
Hoeveel zorg moeten we besteden aan het bewaken van ons hart! Want anders
krijgt het hart de neiging zich te hechten aan personen en zaken.
Onder alle doeleinden van
ons leven is er slechts één noodzakelijk: tot aan het eind volbrengen wat God
ons voorgesteld heeft; de hemel bereiken door onze eigen roeping verwezenlijkt
te hebben. Om die te bereiken moeten we bereid zijn welke andere zaak ook te
verliezen, alles wat de weg verspert, te verwijderen. Alles moet alleen een
middel zijn God te bereiken. En als iets in plaats van middel een obstakel is,
zullen we daar verandering in moeten brengen of het laten schieten. De woorden
van de Heer zijn duidelijk: Indien uw rechteroog u aanstoot geeft, ruk het
uit en werp het van u weg [...] En als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak deze
af en werp haar weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen
verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terechtkomt.7
Met de uitdrukking rechteroog
en rechterhand duidt de Heer dat aan wat zich op een gegeven moment kan
voordoen als iets zeer achtenswaardigs en waardevols. Heiligheid en heiliging
-de eigen en die van anderen- komen het eerst. «Indien uw rechteroog u
aanstoot geeft, ruk het uit en werp het van u weg. -Arm hart, dat aanstoot
geeft. Knijp het fijn, pers het uit tussen je handen: geef het geen troost.
-En, vervuld van medelijden, zeg je als het troost vraagt, rustig, alsof het
een geheim is: Hart, hart aan het Kruis, hart aan het Kruis! »8
De dingen die we in ons
leven zullen moeten wegdoen of afsnijden, kunnen naar hun aard zeer
verschillend zijn. Soms zijn het misschien op zich goede zaken, die echter door
egoïsme of gebrek aan goede bedoelingen in hun tegendeel kunnen verkeren. Het
zal vaak niet gaan om belangrijke zaken, maar juist om kleine grillen, het
gebruikelijke gebrek aan matigheid, gebrek aan zelfbeheersing, op
buitensporige wijze bezig zijn met stoffelijke zaken enzovoort. Zaken die we
het beste kunnen afsnijden en wegwerpen, omdat -bijna altijd- juist deze
details, die klein lijken, de ziel onderwerpen aan middelmatigheid. «Kijk -zegt
Augustinus- hoe het water door de spleten in de scheepswand binnensijpelt en
beetje bij beetje de ruimen van het schip vult. [...] Doe zoals de schepelingen:
hun handen doen niet anders dan het drooghouden van de bodem; laat uw handen
niet anders dan het goede doen. Ondanks alles echter zal het schip toch weer
water maken, want er blijven spleten van menselijke zwakheid; en het zal
opnieuw nodig zijn te hozen.»9 Deze obstakels en neigingen die niet in een keer uitgerukt
kunnen worden en wel een bereidheid tot blijmoedige strijd vergen, kunnen ons
-in grote mate- helpen nederiger te zijn.
De liefde tot de
veelvuldige biecht en het dagelijks gewetensonderzoek zullen ons helpen ons
hart zuiverder te houden en geschikter om Jezus in de grot van Bethlehem te
aanschouwen, ondanks onze evidente zwakheden.
16.3 De
zuiveren van hart zullen God zien. «Met alle reden wordt de zuiveren van
hart de gelukzaligheid van het aanschouwen van God beloofd. Een besmeurd leven
zal nooit in staat zijn de schittering van het echte licht te beschouwen, want
hetzelfde ding dat de vreugde zal vormen voor de zuivere zielen zal de straf
zijn voor de zielen die bezoedeld zijn.»10
Als
het hart zuiver is, zullen we Christus weten te herkennen in de intimiteit van
ons gebed, midden onder ons werk, in de gebeurtenissen van ons gewone
dagelijkse leven. Hij leeft en blijft handelen in ons. Een gelovige die de Heer
in volle oprechtheid zoekt, zal Hem ook ontmoeten; omdat de Heer zelf ons
zoekt.
Als de innerlijke reinheid
niet aanwezig zou zijn, zouden de duidelijkste tekens ons nog niets zeggen en
zouden wij ze verkeerd uitleggen, zoals de farizeeën deden. En zij zouden ons
zelfs aanstoot kunnen geven. De goede gesteldheden zijn nodig om God en de
werken van God in de wereld te kunnen zien.
Het beschouwen van God in
dit leven verplicht ons gelukkigerwijs een innerlijk leven te leiden, onze
zintuigen in toom te houden, de kleine verstervingen die de Heer ons elke dag
aanbiedt, niet af te slaan. Deze innerlijke ingetogenheid is verenigbaar met
het intensieve werk en maatschappelijke verplichtingen van iemand die middenin
de wereld staat. «Hoe gaat het met dat hart? -Word nou niet ongerust: de
heiligen, die net als jij en ik heel gewone en normale wezens waren, voelden
evengoed die natuurlijke neigingen. En als zij ze niet gevoeld hadden, dan zou
hun bovennatuurlijke reactie, om hun hart -lichaam en ziel- te bewaren voor God
in plaats van het te geven aan een schepsel, weinig verdiensten hebben gehad.
Daarom meen ik, dat de zwakheid van het hart geen belemmering behoeft te zijn
voor een vastbesloten en liefhebbend mens, wanneer hij eenmaal de weg gezien
heeft.»11
Dat beschouwend leven ligt
binnen het bereik van iedere christen, maar het is nodig de kloeke en serieuze
beslissing te nemen God te zoeken in alle dingen, gereinigd te worden, gebreken
en begane zonden weer goed te maken. Het is altijd een genade van God, die Hij
niemand die er nederig om vraagt, weigert. Het is een geschenk om in het bijzonder
in de advent te vragen. Dan zal, als we trouw geweest zijn, de volmaakte kennis
van God komen, rechtstreeks, helder en volledig, althans binnen de
mogelijkheden van de geschapen natuur en de eindigheid van de mens. Wij zullen
Hem zien als we het einddoel bereiken, wellicht is dat voor ons al binnen korte
tijd. Wij zullen God kennen, zoals Hij ons kent, rechtstreeks, van aangezicht
tot aangezicht: Wij weten dat, wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem
gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zien zoals Hij is.12 De mens zal dan God kunnen zien,
zonder verblind te worden, zonder te
sterven. Wij zullen God kunnen beschouwen die wij ons hele leven hebben
trachten te dienen.
Wij zullen God de Vader
aanschouwen, God de Zoon en God de Heilige Geest. En, heel dichtbij de
Allerheiligste Drieëenheid, Maria: Dochter van God de Vader, Moeder van God de
Zoon, Bruid van de Heilige Geest.
-1. Jes 45,8.
-2. Vgl. Mt 5,8. -3. Mt 15,2 en 7-8. -4. Mt 15,10-11. -5. Mt
15,18-20. -6. Vgl. Spr 4,23. -7. Mt 5,29,30. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
163. -9. H. Augustinus, Sermo
16,7. -10. H. Leo de Grote, Preek
95, Over de zaligsprekingen. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, o.c., 164. -12. 1 Joh 3,2.
|