Derde week. Woensdag
22.
DEUGDEN EN GEESTELIJKE GROEI
-Deugden en heiligheid. -Natuurlijke en bovennatuurlijke
deugden. Het beoefenen van de deugden in het gewone leven. -De Heer geeft altijd zijn genade om het christelijk
geloof ten volle te beleven.
22.1 Gij wijst mij
de weg ten leven; Gij laat mij vreugde vinden bij U, Heer.1
Jezus leert ons met verscheidene beelden, dat de weg die ten
Leven, tot heiligheid, leidt, bestaat in het volledig uitbouwen van het
geestelijk leven. Het mosterdzaadje, bij voorbeeld, dat uitgroeit tot een grote
boom waarop de vogels uit de lucht gaan zitten; de tarwekorrels waaruit aren
groeien en rijke oogsten opleveren... Deze groei, die niet vrij is van problemen
en soms traag kan lijken, gelijkt op de ontwikkeling van de deugden. De
heiliging van elke dag vraagt het beoefenen van veel natuurlijke en bovennatuurlijke
deugden: geloof, hoop, liefde, gerechtigheid, sterkte... werkzaamheid, trouw,
blijmoedigheid...
Het ontwikkelen van de deugden vergt de herhaling van
handelingen, want elke handeling brengt de ziel in een betere gesteldheid om de
volgende te doen. Bij voorbeeld de persoon die bij het opstaan de 'heldhaftige
minuut' beleeft en daarmee zijn traagheid voor de hele dag overwonnen heeft2, zal met meer
gemak andere verplichtingen, kleine of grote, nauwgezet nakomen, zoals de
sporter zijn fysieke vorm verbetert als hij traint en daarmee bovendien een
grotere geschiktheid verwerft die oefeningen te herhalen. De deugden
vervolmaken de mens elke keer meer, tegelijkertijd vergemakkelijken zij het hem
goede werken te doen en op ieder moment een direct en adequaat antwoord te
geven op wat God van hem vraagt. Zonder de deugden -die goede gewoonten die we
verwerven door het herhalen van handelingen en door de hulp van de genade-
wordt elk goed handelen inspannend en moeilijk.
Zonder deugden is ons handelen onsamenhangend en afhankelijk van het toeval. Men vervalt dan
makkelijker in tekortkomingen en zonden die ons van God verwijderen. Het
herhalen van handelingen in een en dezelfde richting laat een spoor achter in de ziel in de vorm van gewoonten die de
mens bij toekomstig handelen, afhankelijk van de verworven gewoonten, tot het goede of het kwade doen neigen. Van een
mens die gewoonlijk goed handelt, mag verwacht worden dat hij in het verlengde daarvan zal handelen, als hij voor
moeilijkheden geplaatst wordt. Deze gewoonte, deze deugd geeft hem steun. Daarom is het zo belangrijk, dat boete de sporen van de zonden uit het voorbije leven
uitwist, zodat we geen geneigdheid tot het kwade ontwikkelen. Zwaardere
boete naarmate we dieper gevallen zijn of gedurende een langere periode van God
verwijderd zijn geweest, want dan zal het spoor dat achtergebleven is dieper
zijn.
De beoefening van de deugden wijst ons elk moment van de dag
het pad dat naar God leidt. Wanneer een christen, met de hulp van de genade,
zich niet alleen inspant om de gelegenheden tot zondigen te vermijden en met
kracht de verleidingen te weerstaan, maar ook om de heiligheid te bereiken,
zoals God van hem vraagt, wordt hij zich telkens meer ervan bewust dat het
christelijk leven niet kan groeien zonder het uitbouwen van de deugden en de
zuivering van zonden en tekortkomingen jegens het beantwoorden aan de genade in
het verleden. Vooral in deze vastentijd nodigt de Kerk ons met name uit te
groeien in de deugden: de gewoonten het goede te doen.
22.2 Heiligheid is het
de ene dag na de andere beoefenen van de deugden. Voortdurend. In het milieu en
de omstandigheden waarin we leven.
«De natuurlijke deugden [...]
zijn het fundament voor de bovennatuurlijke; en deze vormen altijd een nieuwe
aansporing zich rechtschapen te gedragen. Maar in ieder geval is alléén het
verlangen die deugden te bezitten niet voldoende. Het is noodzakelijk ze te
leren beoefenen. Discite benefacere (Jes 1,17), leer
het goede te doen. Men moet zich regelmatig oefenen in dit 'doen' -daden van
oprechtheid, waarachtigheid, gelijkmoedigheid, kalmte, geduld- want de daad is
liefde en men kan God niet alleen met woorden beminnen, maar met concrete
daden (1 Joh 3,18).»3
Ook al is heiliging geheel het werk van God in zijn oneindige
goedheid, Hij heeft de instemming van de mens als voorwaarde gewild. Hij heeft
in ons de mogelijkheid ingestort mede te werken aan de bovennatuurlijke groei
van de genade.
Door het in stand houden en doen groeien van de natuurlijke
deugden -kracht, trouw, waarachtigheid, hartelijkheid, hoffelijkheid... -stemmen
we onze ziel af, op de best mogelijke manier, op het inwerken van de Heilige
Geest. Zo is het goed te begrijpen, dat het «niet mogelijk is te groeien in
heiligheid voor wie te kort schiet in de meest elementaire natuurlijke
deugden.»4
De deugden van de christen moeten in het gewone leven
beoefend worden, onder alle omstandigheden: makkelijke, moeilijke, zeer
moeilijke. «Vandaag wordt, net zo goed als gisteren, van de christen
heldhaftigheid verwacht. Heldhaftigheid in grote gevechten als dat noodzakelijk
is. Heldhaftigheid -en dat zal de regel zijn- in de kleine schermutselingen van
elke dag.»5 Zoals
een plant haar voedsel haalt uit de grond waarin zij groeit, zo gaat het in het
bovennatuurlijk leven van de christen. Zijn deugden zijn geworteld in dat
concrete stukje wereld waar hij rondspartelt: werk, gezin, plezier,
tegenvallers, goede en slechte berichten... Alles moet dienen God lief te hebben
en apostolaat te doen. Sommige gebeurtenissen geven meer aanleiding tot
dankzegging, andere tot het beschouwen van ons goddelijk kindschap; sommige
omstandigheden doen de sterkte groeien, andere ons vertrouwen in God... Houd er
rekening mee dat deugden een raamwerk vormen: als er één groeit, trekt die alle
andere mee.
En «de liefde is er om eenheid te geven aan alle deugden die
de mens vervolmaken.»6 We
kunnen niet wachten op ideale situaties, op meer geëigende omstandigheden om
naar de heiligheid te streven, en apostolaat te doen: «[...] als een christen de
onbenulligste kleinigheid van elke dag met liefde doet, die kleinigheid met de
grootheid van God vervuld wordt. [...] Geef je dus niet over aan vals idealisme,
aan dromen en fantasieën, aan wat ik pleeg te noemen 'ach-was-ik-maar-mystiek':
Was ik maar ongetrouwd gebleven, had ik maar een ander beroep gekozen, was ik
maar gezonder, was ik nog maar jong, was ik toch maar ouder... ! Houd je liever
nuchter aan de heel materiële en directe realiteit, want daar is de Heer.»7
Het wachten op situaties en omstandigheden die ons goed en
geëigend lijken om heilig te worden, zou gelijk staan met het accepteren van
een leven dat leeg en verloren voorbijgaat. Deze beperkte tijd van gebed van
vandaag kunnen we gebruiken om ons naast de Heer af te vragen: wil ik me echt
elke keer meer vereenzelvigen met Christus? Benut ik werkelijk de voorvallen
van elke dag om me te trainen in de natuurlijke deugden en, met de genade van
God, in de bovennatuurlijke? Zorg ik ervoor God meer lief te hebben, dezelfde
dingen beter te doen, met een oprechter bedoeling?
22.3 De Heer vraagt niet het onmogelijke. En Hij
verwacht van alle christenen dat zij de christelijke deugden in hun geheel
beleven, ook als ze in een milieu leven dat zich elke keer verder van God lijkt
te verwijderen. Hij zal de genade geven die nodig is om trouw te zijn in die
moeilijke situaties. Maar er is meer: de voorbeeldfunctie die Hij van allen
verwacht, zal in veel gevallen het middel zijn om de leer van Christus
aantrekkelijk te maken en de wereld opnieuw te evangeliseren.
Veel christenen denken, door
het verliezen van de bovennatuurlijke visie en daardoor de werkelijke invloed
van de genade in hun leven, dat het door Christus voorgehouden ideaal aangepast
moet worden om de gewone mensen van onze tijd te kunnen blijven inspireren. Ze
doen concessies op het gebied van de arbeids- en huwelijksmoraal, ze zwichten
voor een milieu van zinnelijkheid en hedonisme en ze geven toe aan een min of
meer verbreid praktisch materialisme.
Ons leven -dat wel een paar feilen zal hebben, maar zich daar
niet door laat leiden- moet de les zijn, dat het mogelijk is de christelijke
deugden te beoefenen te midden van elk eerbaar werk; en dat begrip opbrengen
voor tekortkomingen en fouten van anderen niet hetzelfde is als het verwerpen
van de eisen van het evangelie.
Om in de natuurlijke en bovennatuurlijke deugden te groeien
is, naast de genade, ons eigen pogen nodig de deugdbeoefening dagelijks te
praktizeren in het gewone leven. Die groei moet doorgaan, totdat ze authentieke
gewoonten geworden zijn, en niet alleen naar de uiterlijkheid
deugden. «Een façade van energie en wilskracht. Maar wat een slapheid en
willoosheid van binnen! Maak je er sterk voor dat je deugden geen camouflage
worden, maar gewoonten die bepalend zijn voor je karakter.»8
De heilige Johannes Chrysostomus spoort ons aan in het
innerlijk leven te zwoegen «zoals kinderen op school. Eerst -zegt de heilige-
leren ze de vorm van de letters. Dan beginnen ze de kromme letters te herkennen
en zo, stap voor stap, beginnen ze te leren lezen. Door de deugd in stukken te
verdelen leren we eerst, bij voorbeeld, geen kwaad te spreken. Dan gaan we naar
de volgende letter: op niemand afgunstig zijn, in geen enkel opzicht slaaf zijn
van ons lichaam, ons niet uit te leveren aan gulzigheid... Dan gaan we over naar
de letters van de geest, bestuderen we onthouding, versterving van de zinnen,
kuisheid, rechtvaardigheid, minachting voor ijdele roem; zorgen we ervoor
bescheiden te zijn, met een berouwvol hart. Door de diverse deugden aaneen te
rijgen schrijven we ze in onze ziel. Dat moeten we doen in ons eigen huis, met
vrienden, echtgenoot en kinderen.»9
Belangrijk is, dat we krachtig en van harte besluiten de
deugden te zoeken in ons dagelijks doen en laten. Hoe meer we ons oefenen in
goede handelingen, hoe gemakkelijker we de volgende stellen, waardoor we ons
elke keer meer vereenzelvigen met Christus.
Onze Lieve Vrouw, «toonbeeld en school van alle deugden»,10 zal ons, als we
ons om hulp en raad tot haar wenden, leren ons verlangen te vervullen. Zij zal
het ons makkelijker maken het doel te bereiken dat we ons in ons bijzonder
gewetensonderzoek gesteld hebben. In dat gewetensonderzoek moeten we ons vaak
bepalen tot het verwerven van een concrete en duidelijk omschreven deugd.
-1. Communio, Ps 15,11. -2. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
206. -3. Idem, Vrienden van
God, 91. -4. A. del Portillo,
Escritos sobre el sacerdocio (4de druk; Madrid), p. 28. -5. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 82. -6. H. Alfonsus
van Liguori, Oefening van de liefde tot Jezus, 1. -7. Gesprekken
met Mgr. Escrivá, 116. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 777. -9. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over de psalmen
11,8. -10. H. Ambrosius, Tractaat
over de maagden 2.
|