Tweeëndertigste week. Woensdag
33. Deugden in het menselijk verkeer
-De Heer beoefende de gewone deugden van
mensen onder elkaar. -Dankbaarheid. Vermogen tot vriendschap. Wederzijdse
achting. -Minzaamheid. Optimisme en blijdschap.
33.1 Het evangelie van de heilige Mis1 van vandaag toont Jezus' teleurstelling over enkele
melaatsen die genezen waren en niet terugkeerden om Hem te bedanken. Er kwam er
slechts een van de tien terug die door Jezus' barmhartigheid waren genezen, een
Samaritaan. Is er niemand teruggekeerd
om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling? Men bespeurt in deze woorden van de Heer een toon van ontgoocheling.
Het minste wat die mensen hadden kunnen doen, was bedanken voor zo'n groot
geschenk. Jezus raakt ontroerd bij de erkentelijkheid van mensen en de egoïst
doet Hem die alleen maar weet te ontvangen, pijn. Dankbaarheid is een teken van
adeldom en vormt een sterke band in de omgang met anderen, want er zijn veel
weldaden die wij krijgen en veel die wij geven. De heilige Beda merkt op, dat
die Samaritaan juist door zijn dankbaarheid werd gered.2
Jezus stond niet onverschillig tegenover de
gewone bewijzen van wellevendheid, zoals die onder mensen bestaan en de innerlijke
kwaliteit en fijnzinnigheid van de mensen uitdrukken. Tegenover Simeon de
farizeeër, die Hem niet de gebruikelijke bewijzen van gastvrijheid had bewezen,
heeft Hij dit openlijk laten blijken. Jezus Christus openbaarde door zijn leven
en prediking waardering voor vriendschap, beminnelijkheid, gematigdheid,
waarheidsliefde, begrip, trouw, arbeidzaamheid, eenvoud... Talrijk zijn de
voorbeelden en gelijkenissen van het dagelijks leven waarin men de grote waarde
kan zien die Hij aan deze deugden geeft, die immers noodzakelijk zijn voor de
menselijke contacten. Zo zien wij hoe Hij de apostelen niet alleen gevormd
heeft in de deugd van geloof en liefde, maar ook in oprechtheid en
edelmoedigheid3, en in de bezonkenheid van het
oordeel dat men uitspreekt.4 Hij acht deze natuurlijke
deugden zo voornaam, dat Hij zelfs tot hen zegt: Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over aardse dingen, hoe
zult ge dan geloven, als Ik u spreek over hemelse dingen? 5 Christus, volmaakt God en volmaakt mens6, geeft ons een
voorbeeld van deze opeenstapeling van sterk met elkaar verbonden kwaliteiten,
die iedere man, iedere vrouw zich eigen dient te maken in zijn betrekkingen met
God, zijn gelijken en zichzelf. Van Hem kon men verkondigen: bene omnia fecit 7, alles
heeft Hij wel gedaan; niet alleen de wonderen waarin Hij zijn goddelijke
almacht openbaarde, maar ook de normale uitingen van een gewoon leven.
Hetzelfde zal men moeten kunnen beweren van ons, die Hem te midden van de
wereld willen volgen.
33.2 In een van de lezingen van de heilige
Mis8 spoort Paulus ons ook aan deze deugden te
beleven: Herinner allen -schrijft hij aan Titus- aan
de plicht bereid te zijn alles te doen wat goed is. Zij mogen niemand
belasteren en geen ruzie zoeken, zij behoren veeleer vriendelijk te zijn en
uiterst zachtmoedig in de omgang met alle mensen.
Deze deugden maken het dagelijks leven
aangenamer en makkelijker: gezin, werk, verkeer...; ze brengen de ziel in de
gesteldheid dichter bij God te zijn en de bovennatuurlijke deugden te beleven.
De christen weet de veelsoortige details van deze menselijke gewoonten te
veranderen in even zovele handelingen van de deugd van liefde, door ze ook uit
liefde tot God te doen. De liefde vormt deze deugden om tot krachtige gewoonten
met een meer verheven horizon.
Onder de natuurlijke deugden die verband houden
met de dagelijkse omgang, bevindt zich diezelfde dankbaarheid, dat is de liefdevolle
herinnering aan een verkregen weldaad met het verlangen deze op een of andere
wijze terug te betalen. In veel gevallen zullen we alleen maar «dank u wel»
kunnen zeggen, of zo iets dergelijks om uiting te geven aan wat onze ziel
gevoelt. In de vreugde die we in dat gebaar leggen, ligt onze dankbaarheid. De
heilige Thomas verzekert, dat «zelfs de natuurlijke orde vereist, dat wie een
gunst verkregen heeft, met dankbaarheid degene antwoordt die hem deze heeft
verleend.»9 Het kost erg weinig om dankbaar te
zijn en men doet er zoveel goed mee: men schept een nieuwe sfeer, hartelijke
betrekkingen. Naarmate wij ons vermogen vergroten en de gunsten en de kleine
diensten die we verkrijgen weten te waarderen, zullen wij de behoefte voelen om
op enigerlei wijze te bedanken: dat het huis op orde en schoon is, dat iemand
de ramen heeft gesloten zodat er geen kou of warmte binnenkomt, dat we onze
kleren schoon en gestreken aantreffen... Als soms eens een van die dingen niet zo
is als we eigenlijk verwachtten, dan weten we te verontschuldigen, want veel
van die dingen functioneren feitelijk toch goed. We hechten er geen belang aan,
en als we kunnen, proberen we het mankementje te verhelpen, het ongeordende te
ordenen, te sluiten of te openen wat gesloten of open moest zijn... Ook zullen we
danken voor de diensten waarvoor we betalen of die men ons schuldig is: de
winkelbediende die ons vriendelijk helpt, de buschauffeur die enkele
ogenblikken wacht, zodat we de bus nog kunnen halen...
Tussen de deugden van omgang met anderen wordt
van ons gevraagd voortdurend ons vermogen tot vriendschap met de meest
onderscheiden personen te vergroten. Wat zou het geweldig zijn, als we de
mensen met wie wij werken of studeren, met wie we in hetzelfde huis wonen, met
wie we dagelijks in contact komen, echt «vrienden» konden noemen! «Vrienden» en
niet slechts bekenden, buren, collega's of metgezellen... Dat zou namelijk
betekenen, dat wij, uit liefde tot God en uit liefde tot de mensen, een reeks
menselijke kwaliteiten hebben ontwikkeld die vriendschap bevorderen en mogelijk
maken: belangeloosheid, begrip, een geest van meewerken, optimisme, trouw...
Vriendschap eveneens binnen het eigen gezin: tussen broers en zussen, met de
kinderen, met de ouders. Vriendschap, mits zij waarachtig is, heeft volstrekt
geen last van leeftijdsverschillen. Zij is een, soms onontbeerlijke, voorwaarde
voor het apostolaat.
Van Alexander de Grote wordt verteld dat zijn
naaste verwanten, toen hij de dood reeds nabij was, hem steeds weer met aandrang
vroegen: «Alexander, waar heb jij je schatten?». «Mijn schatten?», vroeg
Alexander. En hij antwoordde: «In de buidel van mijn vrienden». Aan het einde
van ons leven zouden onze vrienden moeten kunnen zeggen, dat wij hun altijd het
beste dat wij hadden, te delen hebben gegeven.
Achting -dat is: fijnzinnigheid, iemand anders waarderen- is onmisbaar voor de
menselijke omgang. Het geloof leert ons bovendien die mensen met wie we
dagelijks omgaan, te achten omdat zij beeld van God zijn, omdat ieder van hen
is vrijgekocht door het allerkostbaarst bloed van de Heer.10 Ook degenen die wij om een of andere, bijna altijd
onbelangrijke reden minder aardig of aangenaam vinden. De menselijke
samenleving vereist ook dat we de
dingen eerbiedigen, omdat het goederen van God zijn
die Hij in dienst van de mens heeft gesteld. De natuur respecteren heeft zijn
diepste betekenis in het gegeven, dat zij deel uitmaakt van de schepping en wij
door die natuur God eer kunnen brengen.
33.3 Andere deugden die de omgang
vergemakkelijken of mogelijk maken zijn minzaamheid, als deugd tegenovergesteld aan
handelen in toorn, een kwaad humeur, wanorde..., het tegengestelde van een leven
zonder rekening te houden met degenen die ons omringen. Soms zal dit vertaald
worden in een vriendelijk woord, een compliment, een hartelijk gebaar dat
aanspoort om verder te gaan. «Een welgekozen woord is snel gezegd; en toch
hebben we soms zoveel moeite om het over onze lippen te krijgen. We worden
weerhouden door vermoeidheid, in beslag genomen door zorgen, geremd door een
gevoel van kilte of egoïstische onverschilligheid. Zo gebeurt het, dat we
mensen voorbij lopen die we kennen en toch nauwelijks ons gezicht laten zien; we
zijn ons niet bewust van wat zij dikwijls lijden onder deze subtiele, vretende
pijn die voortkomt uit een gevoel van miskenning. Een hartelijk woord, een
gebaar van genegenheid zouden al voldoende zijn om meteen iets in hen te doen
ontwaken: een teken van aandacht en hoffelijkheid kan een rukwind van frisse
lucht zijn in de afgeslotenheid van een bestaan, dat gebukt gaat onder
droefheid en wanhoop. De groet van Maria vulde het hart van haar oude nicht
Elisabeth met vreugde (vgl. Lc 1,44).»11 Zo
dienen wij hen die met ons samen leven, te vullen van optimisme.
Als onderdeel van minzaamheid zijn er nog de welwillendheid, die ons
de ander en zijn doen en laten op welwillende wijze doet behandelen en
beoordelen; de vergevensgezindheid tegenover de kleine gebreken en dwalingen van anderen, zonder dat we
ons verplicht voelen daar steeds op te blijven wijzen; welopgevoedheid en wellevendheid in woorden en manieren; sympathie,
hartelijkheid, een lofwoord op het geëigende moment,
dat heel wat anders is dan vleierij... «De geest van zoetheid is de ware geest
van God [...]. Men kan de waarheid doen begrijpen en waarschuwen, mits men het
doet met zoetheid. Men moet verontwaardiging voelen tegen het kwaad en
vastbesloten zijn geen pact daarmee te sluiten; maar men moet wel op zoete
wijze met de naaste samenleven.»12
Een man die over eindeloze wegen reisde, stopte
zijn vrachtwagen bij een bar die druk door andere chauffeurs werd bezocht.
Terwijl hij wachtte op het opdienen van iets dat hem zou verkwikken om daarna
weer zijn weg te vervolgen, was een barjongen ijverig tegenover hem aan het
werk, gebogen, aan de andere kant van de tapkast. «Druk werk?», zei de
chauffeur glimlachend tegen hem. De jongen richtte zijn hoofd op en glimlachte
terug. Toen de chauffeur maanden later daar weer voorbijkwam, herkende de
jongen van de tapkast hem, zoals men een oude vriend herkent. Dat komt, omdat
de mensen -onder wie wij ons bevinden- een oude dorst hebben naar een glimlach,
er een grote behoefte aan hebben, dat iemand hen een beetje met blijheid,
waardering besmet... Aan onze deur treffen we elke dag een reeks mensen met wie
we samen leven, werken, die dit korte teken van onthaal verwachten.
In de dagelijkse omgang openen blijdschap,
optimisme, waardering... vele deuren die al bijna voor dialoog of begrip gesloten
waren... Laten we niet toe, dat ze dicht gaan: de Heer hoopt dat wij een
krachtdadig apostolaat vervullen, dat wij aan die mensen onze grootste schat
overbrengen: de vriendschap met Hem.
-1. Lc 17,11-19. -2. Vgl. H. Beda, in Catena Aurea, VI. -3.
Vgl. Mt
5,37. -4. Vgl. Joh 9,1-3. -5. Joh 3,12. -6. Symbolum
Athanasianum. -7. Mc 7,37. -8. Eerste lezing (even jaren), Tit 3,1-7. -9. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q106, a3 c. -10. 1 Pe 1,18. -11. Johannes
Paulus ii, Homilie 11 februari 1981. -12. H. Franciscus van Sales, Epistolarium, fragm.
110.
|