7 december
Achtste dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
51. DEUR VAN DE HEMEL
-Dóór Maria ontmoeten wij altijd Jezus. -De voorspraak van
Onze Lieve Vrouw. -De devotie tot de Maagd, een teken van voorbeschikking.
51.1 Ave,
maris stella, / Dei Mater alma, / atque semper Virgo, / felix caeli porta...
Wees gegroet, Ster der zee, Gods Moeder, altijd rein gebleven, poort tot eeuwig
leven.1
Ianua caeli, Deur van de hemel, zo
hebben wij haar zo dikwijls aangeroepen in de litanie van de heilige
rozenkrans. Zij is de ingang en toegang tot God, zij is de oostelijke
buitenpoort van de Tempel2, waarvan de profeet
spreekt, omdat daardoor Jezus tot ons is gekomen, de Zon van gerechtigheid. Zij
is tegelijkertijd «de gouden deur van de hemel, waardoor wij ooit de rust van
de eeuwige gelukzaligheid vertrouwen binnen te gaan.»3
Dóór Maria ontmoeten wij altijd Jezus.
De mensen hebben soms duizend en één doolwegen afgelegd,
terwijl zij vol heimwee God zochten; zij hebben hardwerkend tot Hem trachten te
komen, door ingewikkelde bespiegelingen, en zij hebben die eenvoudige entree,
Maria, vergeten: «zij voert ons tot binnen in de hemel van het leven met God.»4
Men vertelt van broeder Leo, een leek die de heilige Franciscus
van Assisi altijd vergezelde, dat hij na diens dood elke dag kruiden en bloemen
op zijn graf legde en over de eeuwige waarheden nadacht. Op een goede dag viel
hij in slaap en kreeg hij een visioen van de dag van het Laatste Oordeel. Hij
zag hoe in de hemel een raam openging en Jezus verscheen, de beminnelijke Rechter,
in gezelschap van de heilige Franciscus. Men liet een rode trap naar beneden
zakken, waarvan de treden erg ver uit elkaar lagen, zodat het onmogelijk was
erop naar boven te klimmen. Iedereen probeerde het, maar slechts heel weinigen
slaagden erin boven te komen. Na een tijdje, en omdat er van de aarde een hevig
geschreeuw opsteeg, ging er nog een raam open, waarin opnieuw de heilige
Franciscus verscheen, ditmaal met de Maagd naast Jezus. Ze lieten wederom een
trap naar beneden zakken, maar deze was wit en de treden waren veel dichter bij
elkaar. En allen gingen, onder onmetelijke vreugde naar boven. Als iemand van
hen uitzonderlijk zwak was, bemoedigde de heilige Maria hem, door hem bij zijn
naam te roepen en hem een van de engelen die haar dienden toe te zenden om hem
de hand te reiken. Zó gingen zij één voor één naar boven.5 Het is en blijft een vrome legende, maar wel een die
ons een wezenlijke en troostvolle waarheid leert, die van altijd af bij het
christenvolk bekend is: door de Maagd komt men gemakkelijker tot heiligheid en
redding. Zonder de Maagd wordt het allemaal niet alleen moeilijker, maar wordt
het misschien wel onmogelijk, want God zelf heeft gewild dat zij «de
verdeelster zou zijn van alle schatten die Jezus met zijn bloed en zijn dood
voor ons verworven heeft.»6
De Maagd Maria is niet slechts de Deur van de hemel -Ianua caeli-, maar een allermachtigste hulp om tot Hem te
komen. Want «ten hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet
neergelegd, maar door haar voorspraak gaat zij voort ons de gaven van het
eeuwige heil te bezorgen. Met moederlijke liefde draagt zij zorg voor de
broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten
verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken. Daarom wordt de heilige
Maagd door de Kerk aangeroepen onder de titels van voorspreekster, helpster,
bijstand, middelares.»7
Door de goddelijke wil is de heilige Maagd de middelares bij
de Middelaar, zoals de heilige Bernardus leert8,
en van Hem afhankelijk. Alle genadegaven komen tot ons uit handen van Maria,
zodanig -zo verkondigen veel theologen- dat Christus ons niets verleent tenzij
door Onze Lieve Vrouw. En zij is altijd ten zeerste bereid ons te verlenen wat
wij haar vragen en ons helpt voor ons heil. Laten wij tijdens deze Noveen niet
karig zijn in ons smeken. Vanwege het grote feest waarop wij ons voorbereiden,
verleent zij haar gaven royaal.
51.2 De heilige Alfonsus van
Liguori verzekert, dat Maria de Deur van de hemel is, omdat -net zoals elke
genade en kwijtschelding van straf die de Koning verleent, via de poort van
zijn paleis komt- geen enkele genade vanuit de hemel tot de aarde afdaalt
zonder eerst door de handen van Maria te zijn gegaan.9
Vanaf haar aardse leven verschijnt Onze Lieve Vrouw als de
verdeelster van de genade. Door haar zegent Jezus de Voorloper, wanneer zij
haar nicht Elisabet bezoekt. In Kana verricht Jezus op aandringen van zijn
Moeder zijn eerste wonder, door water in wijn te veranderen; daar ook, door dit
wonder, geloofden zijn leerlingen in Hem.10 De
Kerk begint haar tocht door de geschiedenis van mensen en volkeren heen op de
dag van Pinksteren, en «men weet dat Maria aanwezig was aan het begin van deze
tocht. Wij zien haar te midden van de apostelen in het cenakel, terwijl zij
'door haar gebeden om de gave van de Heilige Geest smeekte'.»11
Door haar voorspraak bij haar Zoon verkrijgt Maria alle genade
voor ons en verdeelt zij deze onder ons, met smeekbeden die niet beschaamd
kunnen worden. Deze voorspraak is nog krachtiger na haar Hemelvaart, toen zij
in waardigheid verheven werd boven engelen en aartsengelen. Zij geeft ons het
water van de bron, niet alles in één keer -verzekert de heilige Bernardus-,
maar zij laat de genade druppel voor druppel in ons verdorde hart vallen, bij
de een méér, bij de ander wat minder. Van de bron die in het hart van de Vader
ontspringt, schenkt zij ons aanstonds zoveel als we kunnen opnemen.12 Zij kent volmaakt onze noden en verdeelt de genade
die wij nodig hebben. Alleen onze kwade wil kan verhinderen, dat deze genade de
ziel bereikt.
Vanwege haar kennis van de geestelijke en materiële noden van
ieder van haar kinderen, spreekt Onze Lieve Vrouw, gedragen door haar
onmetelijke liefde, onophoudelijk voor ons ten beste. Des te meer wanneer we
haar met aandrang hierom bidden, zoals we in deze dagen doen. Een andere keer
zullen wij in haar handen de oplossing leggen van de problemen die ons drukken,
met de duidelijke overtuiging dat zij beter dan wij weet wat het beste voor ons
is: In haar werden in alle volheid de woorden van Jezus in het evangelie
vervuld: al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor
wie klopt, doet men open.13 Zou zij ons
dan aan de deur laten staan, als we haar bidden om open te doen? Zou zij ons
niet te hulp komen, als zij ziet in welke noden wij verkeren?
51.3 Ianua
caeli, ora pro eis..., ora pro me. De titel Deur van de hemel komt de
Maagd toe vanwege naar innige vereniging met haar Zoon en door een zekere
deelneming aan de volheid van macht en erbarming die van Christus, onze Heer
uitgaat. Hij is, krachtens eigen en eerste recht, de weg en de toegang tot de
heerlijkheid, omdat Hij door zijn lijden en dood voor ons de poorten van de
hemel, die voorheen gesloten waren, heeft geopend. Wij noemen Maria Deur van de hemel omdat zij ons door haar almachtige
voorspraak de benodigde bijstand geeft om de hemel te bereiken en binnen te
gaan tot voor de troon van God14, waar Onze
Vader op ons wacht.
Laten wij, aangezien door deze hemelse deur ook Jezus tot ons
is gekomen, tot haar gaan om Hem te ontmoeten, want «Maria is altijd de weg die
naar Christus leidt. Elke ontmoeting met haar loopt noodzakelijkerwijs uit op
een ontmoeting met Christus zelf. Wat is de voortdurende toevlucht tot Maria
anders dan het zoeken van Christus, onze Heiland, op haar armen, in haar en
door haar en met haar?»15 Zoals de Wijzen in
Betlehem vinden wij Jezus altijd met Maria, zijn Moeder.16 Daarom heeft men zo vaak gezegd, dat de devotie tot
Maria een teken van voorbeschikking is.17 Zij
zorgt, dat haar kinderen de juiste weg vinden op het pad dat naar het Huis van
de Vader leidt. En als we een keer verdwalen, zal zij haar machtige
hulpmiddelen aanwenden, opdat wij op de goede weg terugkeren, en zij zal ons
haar hand reiken -zoals goede moeders doen-, opdat we niet opnieuw de weg
kwijtraken. En als we zijn gevallen, zal zij ons optillen; en ze zal eens te
meer ervoor zorgen, dat wij toonbaar zijn voor haar Zoon.
De voorspraak van Maria is groter dan die van alle heiligen
te zamen, want de overige heiligen verkrijgen niets zonder haar. De bemiddeling
van de heiligen is afhankelijk van die van Maria: die is universeel en altijd
afhankelijk van die van haar Zoon. Bovendien heeft de heilige Maagd de genade
die zij voor ons verkrijgt, reeds verdiend door haar diepe vereenzelviging met
het lijden en de dood van Christus. Met haar hulp zullen wij het Huis van de
Vader binnengaan.
Met die bescheiden uitingen van liefde die wij haar in deze
dagen aanbieden, kunnen wij ons geenszins voorstellen welk een regen van genade
over ieder van ons wordt uitgestort en over hen die wij haar aanbevelen, en
over heel de Kerk. «Moeders houden geen boekhouding bij van de afzonderlijke
details waarmee hun kinderen hun liefde tonen. Zij wegen noch meten met
krenterige maten. Zij genieten van een klein bewijs van genegenheid als van
zoete honing en zij geven graag meer terug dan zij ontvangen. Als goede aardse
moeders al zo reageren, wat mogen we dan wel niet verwachten van onze heilige
moeder Maria!»18 Laten wij niet van haar zijde
wijken, en geen dag voorbij laten gaan zonder onze toevlucht te nemen tot haar
moederlijke bescherming.
-1. Hymne Ave maris stella.
-2. Ez 44,1. -3. Benedictus xiv,
Bul Gloriosae Dominae, 27-IX-1748. -4.
F.M. Moschner, Rosa
mistica. -5. Vgl. Vita Fratris Leonis, in Analecta Franciscana, III,1. -6. H. Pius x, Enc. Ad diem
illum, 2-II-1904. -7. Vaticanum ii, Const. Lumen gentium, 62. -8. H. Bernardus, Preek over de twaalf voorrechten van de heilige Maagd Maria,
in Summa Aurea, VI, 996. -9. H. Alfonsus van Liguori, De
heerlijkheden van Maria, 1,5,7. -10. Vgl. Joh
2,11. -11. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater, 26. -12. Vgl. H. Bernardus, Homilie bij de
Geboorte van de heilige Maagd Maria, 3,5. -13. Mt
7,8. -14. Vgl. Kard. I. Gomá, María
Santísima, vol. II, bl. 162-163. -15. Paulus vi, Enc.
Mense Maio, 29-IV-1965. -16. Vgl. Mt 2,11. -17. Vgl. Pius xii,
Enc. Mediator Dei, 20-II-1947. -18. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 280.