Negenentwintigste zondag door het jaar (B)
2. Dienen
-Christelijk leven bestaat in de navolging van
Christus. -Jezus leert ons, dat Hij niet gekomen is om gediend te worden maar
om te dienen. Hem navolgen. -Dienen met vreugde.
2.1 Zoals een leerling op zijn meester,
zoals een kind op zijn moeder, zo behoort een christen in al zijn bezigheden
gericht te zijn op Christus. Een kind leert praten door naar zijn moeder te
luisteren en haar woorden en manier van spreken na te doen. Dit zou het
voorbeeld moeten zijn van ons gedrag ten opzichte van Jezus. Wij behoren ieder
woord en iedere daad van Hem na te volgen. Christelijk leven bestaat in de
navolging van Christus. De heilige Petrus schreef: En het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een
voorbeeld nagelaten; gij moet in zijn voetstappen treden.1 De apostel Paulus
moedigde de eerste christenen aan met soortgelijke woorden: Die gezindheid moet onder u heersen welke ook
Christus Jezus bezielde.2 Jezus is het karakteristieke voorbeeld van alle heiligheid, van alle
liefde tot God de Vader. Dit is niet alleen zo door zijn daden, maar puur door
zijn manier van zijn. Christus' manier van handelen was een uiterlijk teken van
zijn liefde tot en zijn eenheid met de Vader.
Niet door een uiterlijk navolgen van Christus
maar door een innerlijk navolgen groeien wij in heiligheid. De heilige Paulus
zegt tegen de christenen van Kolosse: legt
de oude mens met zijn gedragingen af, bekleedt u met de nieuwe mens....3 Door deze
dagelijkse vernieuwing van ons leven kunnen wij alles wat niet overeenstemt met
de leer van Christus, verwijderen. Wij willen dat onze gevoelens en houding
meer en meer gaan lijken op wat Jezus zou doen in dergelijke omstandigheden. Zó
wordt ons leven een voortzetting van het leven van Christus. Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook
tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van de Zoon.4 Goddelijke genade
werkt samen met onze vrije wil om ons gelijkvormig te maken aan God. Wij zullen
heiligen zijn, als God de Vader dit over ons kan zeggen: Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik
welbehagen heb.5 Daarom bestaat onze heiligheid erin, door middel van genade te worden
wat Christus van nature is: kind van God.
De Heer is alles voor ons. «Deze boom is voor
mij een gewas voor de eeuwige zaligheid. Ik word erdoor gevoed. Hij verzadigt
mij. Door zijn wortels word ik dieper en door zijn takken word ik groter. Ik
geniet van zijn dauw. Zijn levenskracht is als een welkome bries die mij
vruchtbaar maakt. Ik heb mijn tent in zijn schaduw opgeslagen. Daar ben ik
ontsnapt aan de hitte van de dag en vind ik koelte en verkwikking. Zijn
bladeren zijn mijn dekkleed. Zijn vruchten zijn voor mij een bron van genot. Ik
geniet overvloedig van deze vruchten die vanaf het begin van alle tijden voor
mij zijn bestemd. Deze boom is mijn voedsel wanneer ik honger heb. Hij
verschaft mij kleding wanneer ik naakt ben. Zijn bladeren zijn de levenskracht.
Zij hebben niets gemeen met de bladeren van de vijgenboom. Wanneer ik de Heer
vrees, is Hij mijn bescherming. In mijn zwakte is Hij mijn kracht. Wanneer ik
strijd, is Hij mijn beloning. Wanneer ik overwin, is Hij mijn trofee. Hij is
voor mij het rechte en smalle pad.»6 Ik heb
niets nodig dan Hem alleen.
2.2 Het evangelie van vandaag vertelt ons
over het gedenkwaardige verzoek dat Jakobus en Johannes aan Jezus deden. Zij
wilden graag de ereplaats in zijn koninkrijk. De andere apostelen begonnen
woedend te worden. Jezus gebruikte deze gelegenheid om de twaalf te onderrichten:
Gij weet dat zij die als heersers der
volken gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken
van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot
wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet de
slaaf van allen zijn.7 Tenslotte geeft Jezus hun de diepste reden: Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend
te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.
De Heer herhaalde deze gedachte bij een aantal
gelegenheden: Non veni ministrari, sed
ministrare... De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te
dienen.8 Zijn hele leven was een dienst aan anderen. Zijn leer is een
voortdurende oproep aan de mensheid om zichzelf te vergeten en te leven voor
anderen. Hij ging rond door Palestina en Hij diende ieder die Hij tegenkwam: singulis manus imponens - door ze een voor een de
handen op te leggen.9 Christus is tot op de huidige dag onder ons aanwezig in de Kerk en op
een bijzondere wijze in de heilige eucharistie. Jezus staat klaar om ons te
helpen, om ons gezelschap te houden met zijn nederigheid en zijn goedheid. Op
de avond voor zijn lijden en dood legde Jezus de nadruk op het belang van deze
boodschap toen Hij de voeten van zijn leerlingen waste. Hij spoorde zijn naaste
volgelingen aan hetzelfde te doen voor hun broeders en zusters.10
De Kerk is de voortzetting van de heilzame
zending van Christus in de wereld. Haar reden van bestaan ligt juist in het
dienen van de mensheid door de prediking van het Woord en de viering van de
sacramenten. «Door het meest edele streven van de mensen te delen en door te
lijden, wanneer zij ziet dat de mens niet tevreden is met het resultaat, wil
zij hen helpen om hun volledige bloei te bereiken, en daarom biedt zij de mens
aan, wat zij als karakteristieke eigenschap bezit: een wereldomvattende visie
op de mens en op de mensheid.»11
Als wij, christenen, ernaar streven de Heer na
te volgen, kunnen wij klaar staan om Hem en de andere mensen met een blij
gemoed te dienen zonder iets terug te verwachten. Wij behoren zelfs ook degenen
te dienen die onze hulp niet waarderen. Velen zullen onze opgewekte houding van
zelfverloochening niet begrijpen. Wij moeten tevreden zijn met de zekerheid dat
Christus heel goed weet wat wij voor Hem doen. De 'trots' van de christen ligt
precies hierin: te dienen zoals de Meester diende. Toch leren wij alleen hoe
wij moeten dienen, als wij dicht bij Jezus zijn.
«Wees ervan overtuigd dat, als jij je werk
naast Christus elke dag aanpakt en als jij je inspant voor al die zielen die
Hem zoeken, er maar een enkele weg is: je toevlucht nemen tot de Heer. -Alleen
in het gebed en door het gebed leren wij anderen te dienen.»12 Gebed zal ons alle kracht en nederigheid geven die
wij nodig hebben om anderen te dienen.
2.3 Onze dienst aan God en aan de anderen
moet gekenmerkt worden door onze nederigheid. Wij kunnen aan onszelf denken,
alsof wij het ezeltje zijn dat de eer had Jezus triomfantelijk door de straten
van Jeruzalem te dragen.13 Wij moeten ons altijd
goed bewust zijn van het belang van de juiste intentie. Met de woorden van kardinaal
Luciani, de latere paus Johannes Paulus I: «Als ze me een compliment maken,
voel ik dat ik me moet vergelijken met het ezeltje dat Christus droeg op
Palmzondag. Ik zeg tegen mezelf: als dat ezeltje, toen het dat juichen hoorde,
trots geworden was en in zijn domheid was begonnen de menigte te bedanken,
links en rechts buigend met de gratie van een prima donna, wat zouden de mensen
gelachen hebben. Zorg ervoor, dat je niet zo'n dom figuur slaat...!»14 Wij moeten anderen zodanig helpen dat zij onze oplettende
zorg niet eens merken, als dat kan. Onze enige vergoeding zal dan de liefdevolle
blik van Christus zijn. Dat is ongetwijfeld de beste betaling!
De psalmist moedigt ons in dit opzicht aan: dient de Heer met vreugde.15 Dit ideaal moet
onze gids zijn, zelfs bij de minder aangename kanten van het dagelijkse leven.
Zulke offers maken de maatschappij en het gezinsleven prettiger. Wij moeten ons
voornemen om echt uit te blinken in onze geest van dienstbaarheid ten opzichte
van anderen, en dat altijd met een blij gemoed. Wij zullen meer dan genoeg
kansen krijgen om ons voornemen waar te maken in het gezinsleven, op kantoor,
bij onze buren... Deze geest van dienstbaarheid betreft ook mensen die wij
misschien maar eenmaal in ons leven ontmoeten. Wanneer wij ons op deze manier
gedragen, zullen wij gaan begrijpen dat regeren dienen is.16
Wij kunnen van
Onze Lieve Vrouw leren hoe wij anderen kunnen helpen, hoe
wij oog kunnen krijgen voor hun noden, hoe wij hun leven op aarde aangenaam
kunnen maken, hoe wij hun blik geleidelijk op de hemel kunnen richten. Zij
geeft ons het beste voorbeeld: «Te midden van de feestvreugde van Kana merkt
alleen Maria dat de wijn op is... Zelfs de kleinste gelegenheden om dienstbaar te
zijn, worden opgemerkt door iemand die, zoals zij, leeft vanuit een ware
hartstocht om dienstbaar te zijn aan de naaste omwille van God.»17 Wanneer wij deze wijze van leven in dienstbaarheid
beoefenen, zullen wij de zegen ervaren Christus in ons midden te weten. Hij zal
ons zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: al wat
gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij
gedaan.18
-1. 1 Pe 2,21. -2. Fil 2,5. -3. Kol 3,9-10. -4. Rom 8,29. -5. Mt 3,17. -6. H. Hippolytus, Paaspreek. -7. Mc 10,35-45. -8. Mt 20,28. -9. Lc 4,40. -10. Vgl. Joh 13,4 e.v. -11. Paulus vi, Enc. Populorum progressio, 26 maart 1967,13. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 72. -13.
Vgl. Lc 19,35.
-14. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen, Haarlem 1978,
bl. 55. -15. Ps 100,2. -16. Vgl. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4 maart 1979,21. -17. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 631. -18. Mt 25,40.
|