2 december
Derde dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
44. DIENSTMAAGD DES HEREN
-De roeping van Maria. -God roept ons. -Middelen om de wil
des Heren te leren kennen.
44.1 Van vreugde
juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de
kleinheid zijner dienstmaagd.1
Toen de volheid der tijden gekomen was,
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret.2 Hij begeeft zich naar degene die Hij het meest op
aarde liefhad en doet dat door middel van een uitzonderlijke boodschapper, want
heel bijzonder is de boodschap die hij brengt: Vrees niet,
Maria, want gij hebt genade gevonden bij God...3,
zo zegt de aartsengel Gabriël tot haar.
Als vrucht van haar overwegingen was de Maagd zeer goed op de
hoogte van de Schrift en van de passages die betrekking hadden op de Messias en
was zij vertrouwd met de verschillende vormen die gebruikt werden om Hem aan te
duiden. Bovendien bezat zij naast deze kennis een uitzonderlijke, innerlijke
gevoeligheid voor alles wat op de Heer betrekking had. Op een gegeven ogenblik
werd, door een buitengewone genade, aan Onze Lieve Vrouw geopenbaard, dat zij
Moeder zou worden van de Messias, van de Heiland van wie de profeten gesproken
hadden. Zij zou die maagd zijn die door Jesaja was aangekondigd4, die de Emmanuel -God met ons- zou ontvangen en ter
wereld brengen.
Het antwoord van de heilige Maagd is een hernieuwde bevestiging
van haar overgave aan de goddelijke wil: Zie de dienstmaagd
des Heren; mij geschiede naar uw woord.5
«Men kan zeggen, dat haar instemming met het moederschap vooral een vrucht is
van haar volledige overgave aan God in de maagdelijkheid [...]. En heel haar
moederlijke deelname aan het leven van Jezus Christus, haar Zoon, heeft zij tot
het einde toe vervuld op een wijze die overeenkomt met haar roeping tot de
maagdelijkheid»6, die zij onder inwerking van de
Heilige Geest aan de Heer had toegewijd.
Vanaf het ogenblik waarop Onze Lieve Vrouw haar instemming
verleende, nam het Woord Gods, de Tweede Persoon van de Allerheiligste
Drieëenheid, het vlees aan in haar allerzuiverste schoot. En dit is het meest
wonderlijke en verbazingwekkende dat ooit geschied is vanaf de schepping van de
wereld. En het geschiedt in een klein, onbekend dorp, in het binnenste van
Maria. De Maagd begreep haar roeping, Gods plannen met haar. Nu kende zij de
reden van zoveel genade van de Heer, waarom zij altijd zo gevoelig was geweest
voor de ingevingen van de Heilige Geest, de reden van haar deugden. «Alle
kleine gebeurtenissen die het netwerk van het bestaan vormen, zoals
tegelijkertijd het bestaan zelf in zijn geheel, verkregen een ongebruikelijke
betekenis, en bij het verzoek van de woorden van de engel kreeg zij een absolute,
een meer nog dan metafysische, een bovennatuurlijke verklaring.
»Het was alsof zij zich, plotseling, in het middelpunt van
het heelal had gesteld, buiten de tijd en ruimte.»7
En zij, nog een jonge vrouw, weifelt niet tegenover de onmeetbare grootheid
Moeder van God te zijn, want zij is nederig en vertrouwt op God, aan wie zij
zich onvoorwaardelijk heeft gegeven. De heilige Maagd Maria is «de
Leermeesteres van de overgave zonder beperkingen [...]. Vraag die goede Moeder,
dat in je ziel het antwoord aan kracht mag winnen -kracht van liefde en van
bevrijding- dat zij met zo'n voorbeeldige edelmoedigheid heeft gegeven: ecce ancilla Domini! - zie de dienstmaagd des Heren!»8 Heer, reken op mij in alles wat Gij wilt. Ik wil
geen enkele beperking opleggen aan uw genade, aan wat gij van mij iedere dag,
ieder jaar zult vragen. Gij houdt nooit op te vragen, Gij houdt nooit op te
geven.
44.2 «Dit fundamentele feit van
Moeder van Gods Zoon te zijn is vanaf het begin een volledige openheid voor de
persoon van Christus, voor heel zijn werk, voor heel zijn zending.»9 Op deze derde dag van de Noveen van de Onbevlekte
Maagd, leert Maria ons, dat wij altijd open moeten staan voor God in een
volledige overgave aan de oproep die ieder van de Heer ontvangt. De grootheid
van een leven is om aan het einde daarvan te kunnen zeggen: Heer, ik heb altijd
getracht uw wil te vervullen, ik heb hier op aarde geen ander doel gehad.
De roeping waartoe wij zijn geroepen is de grootste gave die
we van God hebben ontvangen: daarvoor heeft Hij ons geschapen, daardoor maakt
Hij ons gelukkig, daartoe heeft Hij ons van eeuwigheid af de noodzakelijke
genade geschonken. God roept ons allen, Hij wil iets van ons dat in zijn ogen
belangrijk is, vanaf het ogenblik waarop Hij rechtstreeks een onsterfelijke,
unieke ziel geschapen heeft en deze ingegoten heeft in het lichaam dat wij ook
van Hem ontvangen hebben, door middel van onze ouders. In de kennis van Gods
wil en de tenuitvoerbrenging daarvan ligt de grootheid van de mens, die dàn
Gods medewerker wordt in het scheppings- en verlossingswerk. Het ontdekken van
de eigen roeping is het vinden van de schat, de kostbare parel.10 Al onze krachten daaraan besteden betekent het
vinden van de zin van het leven, de volheid van het bestaan. Enkelen worden
door God tot het religieuze leven of het priesterschap geroepen; «de meesten
wil Hij midden in de wereld en in de aardse dingen hebben. Daarom moeten deze
christenen Christus overal uitdragen, waar mensen werken: in de fabrieken, het
laboratorium en de werkplaats, op het veld, de drukke straten van de grote stad
en de eenzame bergpaden», en daar dienen zij «zo te handelen, dat door de
werken van de leerling heen het gelaat van de Meester schijnt.»11
Wanneer wij de roeping van de heilige Maria beschouwen, begrijpen
we beter, dat de oproep van de Heer altijd een goddelijk initiatief is, een
genade die van de Heer uitgaat: Niet gij hebt Mij
uitgekozen, maar Ik u.12 Niet zelden gaan
de woorden van de Schrift letterlijk in vervulling: Mijn
wegen zijn niet uw wegen...13 Wat wij in
onze verbeelding, wellicht met zoveel zinsbedrog, hadden gesmeed, heeft soms
weinig van doen met Gods plannen, die altijd groter, verhevener en schoner
zijn.
De roeping is evenmin de bekroning van een intens godvruchtig
leven, ofschoon gewoonlijk een klimaat van gebed en liefde nodig is om te
verstaan wat God in stilte, zonder veel lawaai tot ons zegt. Niet altijd stemt
dit overeen met onze neigingen en smaak, want die zijn gewoonlijk te menselijk
en laag-bij-de-gronds. De roeping behoort niet tot de orde van het gevoel, maar
tot de orde van het wezen; het is iets objectiefs dat God van het begin af voor
ons heeft bereid. In iedere man, in elke vrouw gaan de woorden in vervulling
die sint Paulus tot de christenen van Efeze richt en die wij zo vaak hebben
overwogen: Elegit nos in ipso ante mundi constitutionem...,
in Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en
vlekkeloos te zijn voor zijn aanschijn.14
God zoekt voor zijn werk meestal gewone, eenvoudige mensen;
dezen schenkt Hij dan de noodzakelijke genade. De heilige Thomas van Aquino
zegt ons met woorden die hij toepast op de Maagd, maar die voor allen gelden,
dat «degenen die door God voor een taak worden uitverkoren, door Hem geschikt
gemaakt en voorbereid worden, zodat zij de geëigende personen zijn om de taak
te vervullen waartoe zij werden uitverkoren.»15
Zodoende zullen we, als het met onze opdracht eens bergopwaarts gaat, kunnen
zeggen: omdat ik roeping heb voor deze taak, bezit ik de benodigde genade en
zal ik voorwaarts gaan. God zal mij helpen, als ik mijn aandeel lever.
De Heer kan een roeping al lang terug voorbereiden, misschien
wel vanaf de eerste kinderjaren, maar Hij kan zich ook plotseling, onverwachts,
aandienen, zoals met sint Paulus gebeurde op weg naar Damascus.16 God bedient zich gewoonlijk van andere mensen om
een definitieve oproep voor te bereiden of kenbaar te maken. Vaak zijn het de
ouders zelf die, bijna zonder het zich bewust te zijn, door het vervullen van
hun taak als opvoeders in het geloof, de aarde gereed maken waarin het zaad van
de roeping, dat uitsluitend door God in het hart wordt gelegd, zal ontkiemen.
Wat is het toch groots om aldus werktuigen van God te zijn! Wat zal de Heer
daarmee niet allemaal doen? Andere malen bedient Hij zich van een vriend, van
een inwendige drijfveer die als een tweesnijdig zwaard binnendringt, en heel
vaak van beide tegelijk. Als er een waarachtig verlangen bestaat om Gods wil te
leren kennen, als de bovennatuurlijke middelen worden aangewend en de ziel zich
in geestelijke richting openstelt, dan geeft God veel méér waarborgen om in de
eigen roeping te slagen dan in welke andere aangelegenheid. «Wil je in heilige
stoutmoedigheid leven, zodat God door middel van jou kan werken? -Neem je
toevlucht tot Maria, en zij zal je vergezellen op de weg van de nederigheid,
zodat je, als je voor dingen komt te staan die voor de menselijke geest onmogelijk
zijn, zult kunnen antwoorden met een 'fiat!' -het geschiede!-, dat de aarde met
de hemel verenigt.»17 Stoutmoedigheid, die nodig
zal zijn op het ogenblik waarop de ziel God antwoord geeft en haar roeping
volgt, en daarna nog heel vaak tijdens het leven, want God roept ons iedere
dag, ieder uur. En op een of ander moment zullen we voor 'onmogelijke dingen'
komen te staan, die ophouden onmogelijk te zijn, als wij nederig zijn en op de
genade rekenen, zoals onze heilige moeder Maria gedaan heeft.
44.3 De heilige Maagd leert ons
dat wij om te slagen in de vervulling van de goddelijke wil (wat droevig als we
-op een of andere manier- hardnekkig aan onze eigen grillen hebben vastgehouden!)
volledig bereid moeten zijn. Wij kunnen slechts met God meewerken, wanneer wij
ons volkomen aan Hem overgeven en Hem in volle vrijheid met ons leven laten
handelen. «God kan zijn wil niet kenbaar maken, als er in de ziel van het
schepsel niet vooreerst die innerlijke aanbieding, die diepe toewijding is. God
eerbiedigt steeds de menselijke vrijheid, Hij handelt niet rechtstreeks en legt
zich slechts op in de mate waarin wij Hem laten handelen.»18
Het leven van de heilige Maagd leert ons eveneens, dat wij om
de Heer in elke omstandigheid te kunnen horen, zorgvuldig de omgang met Hem
dienen te koesteren: zoals zij, de dingen in ons hart overwegen, ze gewicht en
inhoud geven onder Jezus' oog: leren de betrekkelijkheid in te zien, het
gezichtspunt van onze idealen te verhogen. Naast het gebed kan de geestelijke
leiding een machtige hulp zijn om te verstaan wat God van ons wil en blijft
willen. En... altijd de onthechting van persoonlijke verlangens om ons krachtig
aan te sluiten bij hetgeen God van ons vraagt, ook al kan ons dat soms moeilijk
en zwaar vóórkomen.
Het antwoord van Maria is als een programma voor heel haar
verdere leven: Ecce ancilla Domini... Zij zal geen
ander doel hebben dan Gods wil te vervullen. Wij kunnen vandaag een 'ja-woord'
geven aan de Maagd, opdat zij het haar Zoon aanbiedt, zonder voorbehoud en
onvoorwaardelijk, ook al kan het ons soms moeite kosten.
-1. Missen van de Maagd Maria,
H. Maria dienstmaagd des Heren. Introïtus. Lc 1,47-48. -2. Lc 1,26. -3. Lc 1,30-33. -4. Vgl. Jes 7,14.
-5. Lc 1,38. -6. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater,
25-III-1987, 39. -7. F. Suárez, Maria
van Nazareth. -8. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 33. -9. Johannes
Paulus ii, loc. cit. -10. Vgl. Mt 13,44-46. -11. H.
Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 105. -12. Joh
15,16. -13. Jes 55,8. -14. Ef
1,4. -15. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III q27 a4 c. -16. Vgl. Hnd 9,3. -17. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 124. -18. M.D. Philippe, Mystère de Marie.