Twintigste week. Zaterdag
54. Doen en onderrichten
-Onze daden moeten laten zien dat Christus leeft. -Jezus
begon te doen en te onderrichten... Het getuigenis van goed verrichte daden en
naastenliefde voor alle mensen. -Voorbeeld is niet genoeg: we moeten onderricht
geven door alle gelegenheden te benutten en ze zelfs zelf te scheppen.
54.1 In het evangelie van vandaag1 lezen we
hoe de Heer zijn leerlingen waarschuwt tegen de schriftgeleerden en Farizeeën
die zich op de stoel van Mozes gezet hadden en de Schrift uitlegden aan het
volk, maar wier levens ver stonden van wat ze onderrichtten: Doet en onderhoudt [...] alles
wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet
naar hun woorden. De heilige Johannes Chrysostomus
merkt op: «Bestaat er iets beklagenswaardigers dan een leraar die, om zijn
leerlingen te redden, moet zeggen dat ze niet het leven moeten leiden van de
man die tot hen spreekt?»2
De Heer vraagt iedereen om het goede voorbeeld te geven in
het dagelijks leven en in een vruchtbaar apostolaat. En zijn veel
bewonderenswaardige voorbeelden om ons heen, maar we moeten bidden dat degenen
van de christenen die leiden en regeren, mensen van invloed, ouders, leraren,
priesters en iedereen die op enige wijze een goede herder is voor anderen, dagelijks
groeien in heiligheid. De wereld heeft behoefte aan levende voorbeelden.
Christus is de volheid van eenheid van leven; zijn woorden
zijn diep consequent. Wat Hij zegt is in volmaakte overeenstemming met wat Hij
doet, hetgeen altijd iets wonderbaars en volledigs is. Wij zijn vandaag van ongewone dingen getuigen geweest3, zoals de mensen zeiden toen Hij de zonden vergeven
had van de lamme man en hem daarna had genezen. Zelfs de Farizeeën riepen ontsteld
uit: Wat doen we? Want die
man verricht veel wonderen.4 Maar
zij wezen het getuigenis van de daden af en werden zo laakbaar: Had Ik onder hen geen werken verricht
die niemand anders verricht heeft, zij zouden geen schuld hebben.5 Bij andere gelegenheden nodigde Hij hen uit om te
geloven omwille van dat wat voor iedereen duidelijk was: Of gelooft het anders omwille van de werken.6 De Heer beschouwde zijn daden als een middel om zijn
onderricht bekend te maken: want het zijn juist de werken [...] die Ik [...] volbreng, die van Mij
getuigen.7 Christus verkondigde de
schitterende waarheid van de openbaring in woord en daad, zowel in zijn
verborgen leven als in zijn openbare dienst.
Wij moeten iedereen laten zien dat Christus nog leeft door de
gebeurtenissen van ons dagelijks leven heldhaftig te beleven. De apostolische
roeping die wij allen ontvangen hebben bij ons doopsel betekent in woord en
daad getuigen van het leven en onderricht van Christus. De mensen zeiden van de
eerste christenen: 'Kijk, hoe ze elkaar liefhebben. De heidenen werden echt
gesticht door dit gedrag en zij die zich op deze manier gedroegen stonden bij het hele volk in de
gunst8, zoals de Handelingen van
de Apostelen ons vertellen. Als resultaat bracht de Heer er elke dag meer bijeen, die gered zouden
worden.9 Zij die tot het geloof
bekeerd waren, gebruikten elke gelegenheid om de reden voor hun hoop uit te
leggen10 en hun vreugde aan anderen over te
brengen: Zij nu, die zich
verspreid hadden, trokken rond en verkondigden het woord van de Blijde
Boodschap.11
Velen gaven het hoogste getuigenis van het martelaarschap
voor het geloof dat zij beleden. Ook wij zijn bereid om zo ver te gaan als de
Heer daarom vraagt. In zijn schijnbare dwaasheid wordt de martelaar een aantrekkende
kracht die mensen naar Christus voert: vele bekeringen zijn het resultaat van
het zien van het voorbeeld van een martelaar. De naam 'martelaar', wat getuige
betekent, wil daarom zeggen: zijn getuigenis gegeven hebben voor Christus.
Gewoonlijk vraagt de Heer ons een christelijk getuigenis te
geven door ons gewone leven, dat op dezelfde wijze in beslag genomen wordt door
de kost verdienen, dat met dezelfde zorgen te kampen heeft als dat van andere
mensen. «Wij moeten ons zodanig gedragen dat allen kunnen zeggen als ze ons
zien: Dit is een christen, want hij haat niet, hij heeft begrip, hij is niet
fanatiek, hij kan zich beheersen en offers brengen, hij koestert gedachten van
vrede en hij heeft lief.»12
54.2 Liefde wordt uitgedrukt in daden: coepit facere et docere13, Jezus begon te
doen en te onderrichten; Hij «heeft én door het getuigenis van zijn leven én
door de kracht van zijn woord het Rijk van de Vader verkondigd».14 Hij vond het niet voldoende alleen te preken, of
een Leraar te zijn die verlichtte met een prachtige leer; integendeel, Jezus «coepit facere et docere, Jezus begon met doen en daarna met onderrichten. Jij en ik, wij moeten
het getuigenis van het voorbeeld geven, want wij kunnen geen dubbelleven
leiden: wij kunnen niet onderrichten wat wij niet in praktijk brengen. Met
andere woorden: wij dienen te onderrichten wat wij, al is het met strijd, in
praktijk brengen.»15
Door zijn lange jaren als handwerksman in Nazaret leert de
Heer ons de verlossende waarde van arbeid, en roept Hij ons op om de grootst
mogelijke prestatie te leveren in ons beroep of op het gebied van de studie.
Hij vraagt ons te werken zonder slordigheid, met intensiteit en ordelijk, en
tegelijkertijd beleefd en attent te zijn voor de mensen om ons heen: onze
collega's, onze cliënten, onze meerderen of hen die in onze dienst zijn. We
moeten Christus' onderricht ook tonen in de bovennatuurlijke wijze waarop we
trachten om te gaan met ziekte of onverwachte tegenslagen; in de manier waarop
we onze vrije tijd besteden; in de manier waarop we omgaan met financiële
problemen; of in de wijze waarop we omgaan met succes in het beroep als de Heer
het toestaat; in de manier waarop we ons vermaken; en in onze gebruikelijke
vrolijkheid, zelfs wanneer het erg zwaar valt te glimlachen. Voor een christen
is Christus de grootste reden voor hem om altijd gelukkig te zijn. Die vreugde,
die ontstaat vanuit de vrede van onze ziel, zal een overtuigend teken zijn voor
anderen, dat hen ertoe zal bewegen Hem te zoeken.
Het goede voorbeeld dat zijn oorsprong vindt in een levend
geloof, heeft altijd de kracht om anderen aan te trekken. Het is geen kwestie
van getuigenis afleggen voor onszelf, maar voor onze Heer. We moeten ons op
zodanige wijze gedragen dat «door de werken van de leerling heen het gelaat van
de Meester schijnt»16, in staat om met de
heilige Paulus te zeggen: Weest
mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus.17 Hij is het enige Model waarmee we onszelf moeten
vergelijken. Bovenal moeten we Hem navolgen in de wijze waarop Hij met iedereen
omgaat. Naastenliefde was de onderscheidende karakteristiek die Jezus ons
naliet, en door middel daarvan moeten we herkenbaar zijn als leerlingen van
onze Heer: Hieruit zullen
allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder
elkaar bewaart.18 Het is, samen
met de blijheid en beroepsijver, het onontbeerlijke middel om apostolaat uit te
dragen naar de mensen om ons heen. «Alvorens heiligen te willen maken van alle
mensen die we liefhebben, moeten we ze blij en vreugdevol maken, want niets
bereidt de ziel meer voor op genade dan vreugde.
»Je weet al [...] dat, wanneer je de harten van mensen wilt
verbeteren, als je hen kunt aantrekken door middel van de zachtmoedigheid van
Christus, je al halverwege bent op je apostolische weg. Als ze van je houden en
je vertrouwen, als ze bij jou op hun gemak zijn, dan is de akker rijp om
bezaaid te worden. Want hun harten zijn open als vruchtbare grond, klaar om het
witte graan van jouw woord te ontvangen als apostel of opvoeder. [...] Laten we
nooit uit het oog verliezen dat de Heer zijn uitwerking beloofd heeft voor
vriendelijke gezichten, voor hartelijkheid, voor goede manieren, en voor duidelijke,
overtuigende woorden die de weg wijzen en vormen zonder te kwetsen. Zalig de zachtmoedigen, want zij
zullen het land bezitten. We moeten nooit vergeten dat we mannen
en vrouwen zijn in relatie met andere mannen en vrouwen, zelfs als we goed willen
doen aan de ziel. We zijn geen engelen: daarom zijn onze verschijning, onze
glimlach, onze manieren factoren die de uitwerking van ons apostolaat bepalen.»19
54.3 Handelen en onderrichten: voorbeeld en leer... , schrijft de heilige Johannes Chrysostomus, «en niet ik ben het die
dat zegt, maar Christus zelf: wie ze (d.w.z. de geboden van de
wet) onderhoudt en
leert zal groot geacht worden (Mt 5,19). Als de
loutere daad van handelen voldoende zou zijn om de mensen te onderrichten, zou
het tweede deel van de uitspraak van de Heer overbodig zijn, omdat het dan
voldoende zou zijn geweest te zeggen wie ze onderhoudt. Als Hij die
twee dingen onderscheidt, doet Hij ons begrijpen dat bij het volmaakt maken van
de zielen zowel woorden als daden hun rol hebben en wederzijds noodzakelijk
zijn.»20 We spreken niet over tegenstrijdigheden,
over dingen die in belangrijke mate in tegenstelling met elkaar of gescheiden
zijn: spreken is een teken, een aankondiging van Christus; en iets doen is ook
een teken, een manier van onderricht die de waarheid van wat gezegd is,
bevestigt. «Dit apostolaat bestaat echter niet alleen in het getuigenis van een
christelijk leven; de echte apostel zoekt naar mogelijkheden om Christus ook
door zijn woord te verkondigen: hetzij om hen die niet geloven tot het geloof
te brengen, of om de gelovigen te onderrichten, te bemoedigen en tot een vuriger
leven op te roepen.»21 Wat voor betekenis zou
ons goede voorbeeld als christenen kunnen hebben voor ongelovigen als we niet
ook zouden spreken over de schat, Christus, die we gevonden hebben? We leggen
geen getuigenis af van onszelf, maar van Christus. We zijn zijn getuigen in de
wereld, en een getuige getuigt niet van zichzelf: hij geeft getuigenis van een
waarheid of van daden die hij moet onderrichten. Wat Jezus ons vraagt is zowel
ons geloof naar buiten toe te beleven als zijn leer te verkondigen.
We maken de Heer bekend door het voorbeeld van ons leven en
zoeken gelegenheden om te spreken, zonder één kans te missen. Onze taak bestaat
er voor een groot deel in de weg naar Christus vrolijk en aantrekkelijk te maken.
Als we ons zo gedragen, zullen velen aangemoedigd worden om dat te volgen en de
vreugde en vrede van de Heer aan andere mannen en vrouwen over te brengen.
Toen de dorpsvrouw, geroerd door Jezus' leer, een compliment
gaf aan de Moeder van onze Heer, antwoordde Jezus: Veeleer gelukkig die naar het woord van God
luisteren en het onderhouden.22
Niemand heeft die raad ten uitvoer gebracht zoals Maria dat gedaan heeft. Aan
haar, die voor ons een mooi voorbeeld is van alle deugden, vertrouwen we ons
toe, om onze voornemens om een goed voorbeeld te geven in ons dagelijks gedrag,
ten uitvoer te brengen.
-1. Mt 23,1-12. -2. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 72,1. -3. Lc 5,26. -4. Joh 11,47. -5. Joh 15,24. -6. Joh 14,11. -7. Joh 5,36. -8. Hnd 2,47. -9. Ibidem. -10. Vgl. 1 Pe 3,15. -11. Hnd 8,4. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
122. -13. Hnd
1,1. -14. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 35.
-15. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 694.
-16. Idem, Als Christus nu langs komt, 105. -17. 1 Kor 11,1.
-18. Joh
13,35. -19. S. Canals, Ascética meditada.
-20. H. Johannes Chrysostomus, Over het priesterschap,
4,8. -21. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 6.
-22. Lc
11,28.
|