Dertiende zondag door het jaar (B)
47. Dood en Leven
-De dood die we moeten vermijden en vrezen. -Zonde, de dood
van de ziel. De gevolgen. -Het genadeleven boven alles achten.
47.1 Deze zondag spreekt de
liturgie tot ons over dood en leven. De eerste lezing1
leert ons dat de dood geen plaats had in het eerste plan van de Schepper: God
heeft de dood niet gemaakt, en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van hen
die leven. Hij is het gevolg van de zonde.2
Jezus aanvaardde «als een noodzakelijkheid van de natuur, als een
onvermijdelijk deel van het lot van de mens op aarde. Jezus aanvaardde hem [...]
om de zonde te overwinnen.»3 Het menselijk hart
deinst terug voor de dood4, maar we worden
getroost door de wetenschap dat Jezus de dood heeft vernietigd.5 Sterven is niet langer de gebeurtenis die de mens
boven alles moet vrezen. Eerder is het, voor de gelovige, de noodzakelijke stap
vanuit deze wereld naar de Vader.
Het evangelie van de mis laat ons Jezus zien die opnieuw te
Kafarnaum komt6, waar een grote menigte zich
heeft verzameld om Hem te ontmoeten. Jairus, één van de oversten van de synagoge,
wachtte Hem op. Zijn nood was groot en zo ook zijn geloof. Zijn dochter stond
op het punt te sterven. Er was ook een vrouw die elke cent die ze bezat
uitgegeven had om genezing te vinden voor een langdurige ziekte. Beiden voelden
een dringende behoefte om Jezus te ontmoeten. De genezing van deze vrouw, die
al haar hoop op Hem had gevestigd, heeft plaats op weg naar Jairus' huis.
Jezus is stil blijven staan om de vrouw te troosten. Ondertussen
brengen zij de overste van de synagoge op de hoogte: Uw
dochter is gestorven. Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?
Maar Jezus neemt Petrus, Jakobus en Johannes mee om getuigen te zijn van het
wonder dat Hij op het punt staat te doen. Zij komen bij het huis van Jairus
aan; Jezus ziet de verwarring en de mensen daar, huilend en jammerend. Hij ging
naar binnen en zei tot hen: Waarom dit misbaar en geween?
Het kind is niet gestorven, maar slaapt. Doch ze lachten Hem uit. Zij
konden niet begrijpen dat voor God de werkelijke dood de zonde is, die het
goddelijke leven van de ziel doodt. De lichamelijke dood is voor de gelovige
als een slaap waaruit we in God ontwaken. Zo begrepen de eerste christenen het.
De heilige Paulus spoorde de christenen van Tessalonica aan
geen andere opinie te hebben: Wij willen u niet in
onwetendheid laten over het lot van hen die ontslapen zijn; gij moogt niet bedroefd
zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben.7 Wij kunnen niet jammeren zoals degenen die na dit
leven niets verwachten. Wij geloven immers dat Jezus is
gestorven en weer opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen
levend met Hem meevoeren.8 Hij zal voor
ons doen wat Hij voor Lazarus deed: Onze vriend Lazarus is
ingeslapen, maar Ik ga erheen om hem te wekken. Toen de leerlingen
meenden dat Hij een natuurlijke slaap bedoelde, legt Jezus duidelijk uit: Lazarus is gestorven.9
Wanneer de dood komt, zullen we onze ogen sluiten voor dit leven en ontwaken in
het werkelijke Leven, een leven dat altijd duurt. De avond
brengt geween, de ochtend blijdschap, bidden we in de tussenzang.10 Zonde is de echte dood. Het is de vreselijke scheiding
van de mens die zich losrukt van God. Hiermee vergeleken is die andere
scheiding, die van het lichaam van de ziel, tijdelijk en zelfs onbeduidend. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder
die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.11
De dood, die de laatste vijand12 behoorde te zijn, is in werkelijkheid onze
bondgenoot. Het is de laatste stap geworden waarna wij ons in de definitieve
omhelzing van onze hemelse Vader bevinden. Hij heeft in alle eeuwigheid op ons
gewacht, en ons voorbestemd voor altijd bij Hem te verblijven. «Als je aan de
dood denkt, moet je ondanks je zonden niet bang zijn. Want Hij weet dat je van
Hem houdt, en uit wat voor materiaal je bent gemaakt. -Als je Hem zoekt, zal
Hij je ontvangen zoals de vader van de verloren zoon: maar je moet Hem wèl zoeken!»13 Heer, U weet dat ik U zoek, dag en nacht.
47.2 Het kind
is niet dood maar slaapt, zegt Jezus tegen Jairus. «Voor de mensen was
zij inderdaad dood. Zij kon niet wakker geschud worden. Voor God was zij in
slaap, omdat haar ziel door goddelijke kracht in leven bleef, en haar lichaam zou
rusten tot de opstanding. Zo ontstond onder de christenen de gewoonte om de
doden, van wie we weten dat ze zullen verrijzen, slapenden te noemen.»14
De lichamelijke dood is niet een absoluut kwaad. «Vergeet niet, mijn zoon, dat er voor jou op aarde slechts één kwaad bestaat, dat je moet vrezen en met Gods genade moet vermijden: de zonde.»15 «Gemis van God... is de dood van de ziel.»16 Wanneer iemand tot zware zonde vervalt, is hij voor
zichzelf en voor God verloren. Het is de grootste tragedie die hem kan
overvallen.17 Hij is radicaal van God afgesneden
door het compleet verlies van het goddelijk leven in zijn ziel. Hij verliest
welke verdiensten dan ook die hij gedurende zijn leven heeft verkregen, en is
in deze staat niet bij machte nieuwe verdiensten te verkrijgen. In zekere zin is
hij onderworpen aan de slavernij van de duivel, en zijn natuurlijke neiging tot
deugdzaamheid is verminderd. Deze toestand is zo ernstig dat «door alle
doodzonden, zelfs die in gedachten, mensen veranderen in kinderen
van de toorn (Ef 2,3) en vijanden van God.»18 Door het geloof weten wij dat zonde, dagelijkse
zonde, maar des te meer een doodzonde, een kwaal is groter dan de meest
rampzalige catastrofe die de hele wereld zou kunnen verwoesten, daar «het goed
van de genade in een enkele ziel groter is dan het natuurlijke goed van de hele
wereld.»19
Zonde brengt niet alleen schade toe aan de persoon die haar
begaat, maar kwetst ook zijn gezin, zijn vrienden, de gehele Kerk. «Men kan
spreken van 'een gemeenschap in zonde', waardoor een ziel die zich verlaagt tot
zondigen, ook de Kerk en in zekere zin heel de wereld vernedert. Met andere
woorden: er is geen enkele zonde, hoe innerlijk en geheim ook, hoe absoluut
individueel ook, die uitsluitend diegene aangaat die ze bedrijft. Iedere zonde
heeft een weerslag op geheel de Kerk en op geheel de mensenfamilie, al is deze
weerslag nu eens kleiner en dan weer groter, en al berokkent hij de ene keer
meer schade dan de andere keer.»20
Wij moeten God dikwijls vragen dat we ons zondebesef niet
verliezen. We moeten nooit onszelf in gevaar brengen, of ons eraan wennen om
zonden van weinig belang te vinden. Laten wij boete doen voor onze fouten en
voor die van alle mensen. Laat God op het einde van ons leven van ons kunnen
zeggen: hij is niet gestorven, hij slaapt. Dan zal Hij ons tot het Leven
wekken.
47.3 Jezus schonk geen aandacht
aan allen die Hem uitlachten. Integendeel, Hij stuurde ze
allemaal naar buiten en ging met zijn metgezellen en de vader en moeder van het
kind het vertrek binnen, waar het kind lag. Hij pakte de hand van het kind en
zei tot haar: 'Talita koemi'; wat vertaald betekent: 'Meisje, Ik zeg je, sta
op.' Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond; want het was twaalf jaar.
En ze stonden stom van verbazing.
De evangelisten hebben aan ons een ogenschijnlijk klein, maar
veelbetekenend menselijk gevoel van Jezus overgeleverd: Hij
voegde eraan toe, dat men haar te eten moest geven. Jezus, volmaakt God
en volmaakt mens, is ook geïnteresseerd in die zaken die betrekking hebben op
ons leven hier op aarde. Maar Hij is veel meer geïnteresseerd in al wat onze
eeuwige bestemming betreft. De heilige Hiëronymus becommentarieert de woorden
van de Heer het kind is niet dood, maar slaapt en wijst erop dat «beide waar
zijn. Het is alsof Hij zei: 'Voor u is zij dood, maar voor Mij slaapt het'.»21 Wanneer we houden van het lichamelijke leven,
hoeveel temeer zouden we het leven van de genade moeten waarderen!
De christen die Christus van dichtbij probeert te volgen,
verafschuwt de doodzonde en zal gewoonlijk zware fouten vermijden, ofschoon
niemand in de genade is bevestigd. De erkenning van onze eigen zwakheid zal ons
ertoe leiden de gelegenheden van doodzonde te vermijden, zelfs als die ver van
ons af liggen. Het leven van de genade is veel meer waard! Liefde voor het
bovennatuuurlijk leven zal ons tot een volhardende versterving van de zinnen
aanzetten. We mogen onszelf niet vertrouwen, noch onze ervaring, noch de
tijdsspanne dat we Christus al hebben gevolgd. We moeten van de veelvuldige
biecht houden en volstrekt oprecht zijn in de geestelijke leiding.
Om in genade te leven, moeten we de strijd voeren op enige
afstand van de grens tussen wat ernstig en wat minder ernstig is, tussen wat
verboden en geoorloofd is. Opzettelijke dagelijkse zonden veroorzaken
verwoesting in zielen die niet ernstig strijden om ze te voorkomen. Het is waar
dat zij het leven van genade in de ziel niet volslagen vernietigen, maar zij
verzwakken het zeer zeker. Ze maken het moeilijker de deugden in praktijk te
brengen, en maken de wenken van de Heilige Geest minder effectief. Als we niet
vastberaden reageren, stellen dagelijkse zonden ons bloot aan grotere zonden.
Laten wij onze Moeder vragen, voor ons de gave te verkrijgen
om de genade boven alle menselijke goederen te achten, ook boven het
lichamelijke leven. Zij zal ons helpen met waar berouw in te gaan tegen onze
zwakheden en fouten. We kunnen met de Psalmist zeggen: Als
bronwellen vloeien mijn tranen: omdat men uw wet veronachtzaamt.22 Het bovennatuurlijk leven van de ziel handhaven en
doen toenemen is belangrijker dan de bezorgdheid voor de dood van het lichaam.
-1. Wijsh 1,13-15. -2. Rom 6,23. -3. Johannes
Paulus ii, Homilie, 28 februari 1979.
-4. Heb 2,15. -5. 2 Tim 1,10.
-6. Mc 5,21-43. -7. 1 Tes 4,13.
-8. 1 Tes 4,14. -9. Joh
11,11 e.v. -10. Ps 29,6. -11. Joh
11,25-26. -12. 1 Kor 15,26. -13. H. Jozefmaria Escrivá De Voor, 880. -14. H. Beda,
Commentaar op het evangelie van Marcus in loc. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 386. -16. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk
Hooglied, 2,7. -17. Vgl. A. Tanquerey,
Kort begrip der ascetische en mystieke Theologie,
719-723. -18. Concilie van Trente, zitting 14, hfdst.
5. -19. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, 1-2,113,9, 2. -20. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Reconciliatio et Poenitentia,
16. -21. H. Hiëronymus, in Catena
Aurea, vol. 4, bl. 131. -22. Ps 119,136.
|