Zesde zondag van de
heilige Jozef
25. DOOD EN VERHEERLIJKING VAN DE HEILIGE JOZEF
-Dood van de heilige aartsvader te midden van
Jezus en Maria. Patroon van de zalige dood. -Verheerlijking van de heilige
Jozef. -Gebed om roepingen.
25.1 Sint Jozef zij vandaag de eer [...] De pijn van scheiden werd een vreugd voor hem, een troost, en minzaam vuur, want Christus en
Maria saam waren zijn steun in 't stervensuur. Eenmaal bevrijd van aardse
band, in gouden licht, in sluimer
zacht, werd hij, de trouwe knecht, verhoogd met heerlijkheid die ons ook
wacht...1
Gekomen was het
uur waarop hij deze wereld ging verlaten en daarmee ook de schatten, Jezus en
Maria, die hem waren toevertrouwd en aan wie hij met Gods hulp het
noodzakelijke had verschaft door zijn dagelijkse arbeid. Hij had voor Gods Zoon gezorgd, Hem zijn vak geleerd en al die dingen die een vader zijn kind geleidelijk
aan leert. Nu was zijn taak als vader, die hij met de grootst mogelijke trouw vervuld had ten einde. Hij had de
opdracht volbracht die hij ten uitvoer moest brengen.
Wij weten niet wanneer de heilige aartsvader
precies gestorven is. Toen Jezus twaalf jaar
oud was, verschijnt hij in de evangelies voor de laatste maal in leven. Het
lijkt ook zeker, dat hij gestorven
moet zijn, toen Jezus zijn openbare leven begon. Toen Jezus naar
Nazaret terugkeerde om daar te prediken, vroegen de mensen zich af: Maar is dat niet de zoon van Maria?2 Gewoonlijk verwees men, als men over de kinderen
sprak, niet rechtstreeks naar de moeder,
tenzij het hoofd van het gezin reeds overleden was. Wanneer Maria wordt uitgenodigd op de bruiloft van
Kana aan het begin van Jezus' openbare leven, wordt geen melding gemaakt
van Jozef; dit moet ongebruikelijk zijn geweest volgens de gewoonten van die
tijd, als de heilige aartsvader nog in leven was geweest. Hij wordt evenmin
vermeld in de loop van het openbare leven
van de Heer. Toch noemen de inwoners van Nazaret Jezus een keer de zoon van de timmerman;
dit kan erop duiden, dat sint Jozef nog niet
zo heel lang dood was, want zij herinneren zich hem nog. Jozef is ook
niet aanwezig wanneer Jezus op het punt staat te sterven. Indien hij nog zou
hebben geleefd, dan had Jezus de zorg voor
zijn Moeder niet aan zijn beminde apostel toevertrouwd. De auteurs nemen
algemeen aan, dat Jozef moet zijn gestorven kort vóór het openbare leven van
Jezus.
Jozef kon geen vrediger dood hebben gehad,
omgeven als hij was door Jezus en Maria, die op vrome wijze voor hem zorgden. Jezus zal hem gesterkt hebben met
woorden van eeuwig leven. Maria, met
de liefdevolle zorg en aandacht die men koestert voor een zieke die men
waarlijk bemint. «Jezus' kinderlijke barmhartigheid sterkte hem in zijn
doodsstrijd. Hij zal hem hebben gezegd, dat de tijd waarin ze van elkaar
gescheiden zouden zijn, maar kort zou duren en dat zij elkaar spoedig zouden
weerzien. Hij zal hem hebben gesproken over het hemels gastmaal, waartoe hij zou
worden uitgenodigd door de Eeuwige Vader, wiens 'zaakwaarnemer' hij hier op
aarde was: 'Goede en getrouwe knecht, de dagtaak is voor u afgelopen. Ge zult
het hemels huis binnengaan om uw loon te ontvangen. Want Ik had honger en ge
hebt Mij te eten gegeven. Ik had geen woning en ge hebt Mij onderdak gegeven.
Ik was naakt en ge hebt Mij gekleed...»3
Jezus en Maria
sloten Jozefs ogen, maakten zijn lichaam klaar voor de begrafenis... Hij die
later zou schreien bij het graf van zijn vriend Lazarus,
zal tranen vergoten hebben bij het lichaam
van hem, die zich zoveel jaren voor Hem en zijn Moeder had uitgesloofd.
En degenen die Hem zagen wenen, zullen
wellicht dezelfde woorden als in Betanië hebben uitgesproken: Ziet hoe
zeer Hij hem beminde!
Het is vanzelfsprekend, dat Jozef is
uitgeroepen tot 'Patroon van de zalige dood', want niemand heeft een vrediger
en kalmere dood gehad, te midden van Jezus en Maria. Tot hem nemen wij onze
toevlucht, wanneer wij anderen bijstaan in hun laatste ogenblikken. Hem bidden
wij om hulp, wanneer wij gaan vertrekken naar het huis van de Vader. Hij zal
ons aan de hand nemen en ons tot Jezus en Maria leiden.
25.2 Sint Jozef geniet de grootste heerlijkheid na de heilige Maagd4 zoals past bij zijn heiligheid
op aarde, waar hij zijn leven heeft gegeven ten gunste van Gods Zoon en diens
allerheiligste Moeder. Anderzijds, «als Jezus Jozef tijdens zijn leven meer dan
alle anderen geëerd heeft en hem 'vader' heeft genoemd, dan zal Hij hem ook na
zijn dood boven allen verheerlijkt hebben.»5
Onmiddellijk na zijn dood zal de ziel van de heilige
Jozef naar de schoot van Abraham
gegaan zijn, waar de aartsvaders en de rechtvaardigen van alle tijden in afwachting verkeerden van de verlossing, die nu
begonnen was. Daar zal hij hun hebben aangekondigd, dat de Verlosser
reeds op aarde was en dat spoedig de poorten van de hemel zouden opengaan. «En
de rechtvaardigen zullen gehuiverd hebben van hoop en dankbaarheid. Ze zullen
rondom Jozef zijn gaan staan en een loflied, dat in de komende eeuwen niet meer
onderbroken zou worden, hebben aangeheven.»6
Vele auteurs zijn, op krachtige gronden, van
oordeel, dat het lichaam
van sint Jozef, verenigd met zijn ziel, zich eveneens verheerlijkt in de hemel
bevindt en daar met Jezus en Maria deelt in de eeuwige zaligheid. Zij zijn van
mening, dat de volle verheerlijking van de heilige Jozef waarschijnlijk plaats gehad heeft na de
verrijzenis van Jezus. Een van de
fundamenten waarop deze leer gebaseerd is en die sinds de 16e
eeuw in morele zin unaniem wordt aanvaard,
is het gegeven dat Matteüs aandraagt met betrekking tot de gebeurtenissen
die na de dood van de Heer plaatshadden: ...de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op.7 Kerkleraren en theologen oordelen dat Jezus bij de
uitverkiezing van een groep van verrezenen
om zijn eigen opstanding te bevestigen en nog méér luister te geven aan zijn overwinning op de dood, in de eerste
plaats zijn adoptiefvader bij dezen zal hebben ingesloten. Wat zal de
hernieuwde ontmoeting van Jezus en sint Jozef een vreugde zijn geweest! «De
roemvolle aartsvader -zo stelt de heilige Franciscus van Sales- geniet in de hemel een groot gezag bij Hem die hem
zozeer heeft begenadigd door hem met ziel en lichaam ten hemel te leiden
[...] Hoe zou Hij, die hem heel zijn leven gehoorzaamd
heeft, hem deze genade kunnen ontzeggen? Ik denk dat Jozef, toen hij
Jezus zag [...] tot Hem zal hebben gezegd: 'Mijn Heer, herinner U hoe ik U, toen
Gij uit de hemel afdaalde, in mijn gezin en in mijn huis heb opgenomen, en hoe
ik U, toen Gij ter wereld kwam, vol tederheid in
mijn armen heb gesloten. Neem mij thans in uw armen en, zoals ik U
tijdens uw vergankelijk leven gevoed en geleid heb, leid mij dan nu naar het
eeuwig leven'.»8 Jezus zal overgelukkig geweest zijn Hem ter wille te kunnen zijn.
Bij een zekere gelegenheid antwoordde de H.
Jozefmaria Escrivá, de stichter van het Opus
Dei, als volgt tot een jongeman die hem rechtstreeks vroeg waar het lichaam van sint Jozef nu toch wel was: «In de
hemel, mijn jongen, in de hemel. Als er vele heilige mensen opgestaan
zijn -en dat zegt toch de heilige Schrift- bij de verrijzenis van de Heer, dan
zal onder hen toch zeker sint Jozef geweest zijn.» Op dezelfde vraag antwoordde
hij bij een andere gelegenheid: «Vandaag is het zaterdag; we mogen onze
aandacht vestigen op de glorievolle geheimen [...]. Als we even het vierde geheim
overdenken, de tenhemelopneming van Maria,
bedenk dan, dat de Traditie ons zegt, dat Jozef eerder gestorven is,
bijgestaan door de heilige Maria en door Onze Lieve Heer. Het is zeker, want
dat zegt de heilige Schrift, dat -toen de Heer levend uit het graf opstond- met
Hem vele rechtvaardigen opstonden, die met Hem ten hemel opstegen [...]. Is het
dan niet vanzelfsprekend, dat Hij degene bij zich wilde hebben, die zijn vader
op aarde was geweest?»9
Zó kunnen wij
vandaag de heilige aartsvader aanschouwen, wanneer wij
het vierde glorievolle geheim van de heilige Rozenkrans overwegen: wij zien hem
in zijn verheerlijkt lichaam, opnieuw bij Jezus en Maria, als voorspreker voor
ons in elke nood die ons overkomt.
Fecit te
Deus quasi patrem Regis et dominum universae domus eius. God heeft u tot vader van de Koning en tot heer van heel zijn huis
gemaakt. Bid voor ons.10
25.3 «Als vrome overtuiging mag men aannemen, hoewel het niet met zekerheid is vast te stellen -zo
leert de heilige Bernardinus van Siëna- dat de allervroomste Zoon van God, Jezus, zijn voedstervader met hetzelfde
voorrecht als zijn allerheiligste Moeder heeft geëerd; zoals Hij haar,
verheerlijkt met lichaam en ziel, ten hemel heeft doen opstijgen, zo heeft Hij op de dag van zijn opstanding ook de
heilige Jozef in de heerlijkheid van de verrijzenis met zich verenigd; opdat
hij, zoals de Heilige Familie -Christus, Maria en Jozef- in arbeidzaam leven en
liefdevolle genade samen leefde, ook nu met lichaam en ziel in de gelukzalige
heerlijkheid van de hemel leeft.»11
De theologen die
deze -steeds meer algemeen verbreide- stelling
ondersteunen, voeren andere passende argumenten aan: de buitengewone
waardigheid van sint Jozef vanwege de opdracht die hij op aarde diende te
vervullen en de uitzonderlijke trouw waarmee hij dit heeft gedaan, zal door dit
voorrecht nog sterker bekrachtigd zijn; de onuitsprekelijke liefde die Jezus en
Maria tot de heilige aartsvader koesteren, lijkt erom te vragen, dat zij hem
reeds deelgenoot maken van hun verrijzenis, zonder te wachten tot het einde der tijden; bij de verheven heiligheid van
sint Jozef die zo zeer de overige heiligen vooraf en te boven gaat, past een
vervroegd delen in de definitieve beloning van allen; de affiniteit met Jezus
en Maria, de innige omgang tussen hen en de
mensgeworden Verlosser lijken nog meer de vrijstelling van het bederf
van het graf te vereisen; de uitzonderlijke opdracht van sint Jozef, als
universeel patroon van de Kerk, plaatst hem boven alle christenen, en dit lijkt
erom te vragen, dat hij niet op gelijke wijze als de anderen onderworpen is aan
de dood, maar dat hij in een bijzonder bezit van de volle onsterfelijkheid zijn
universeel beschermheerschap uitoefent.12
De heilige Jozef heeft op aarde in volledige
trouw de zending vervuld die God hem had
toevertrouwd. Zijn leven was een volhardende en onvoorwaardelijke
overgave aan zijn goddelijke roeping, tot heil van de Heilige Familie en van
alle mensen.13 Nu, in de hemel, koestert zijn
hart nog steeds «een bijzondere en kostbare genegenheid voor heel de mensheid»14, maar heel speciaal voor degenen die zich vanuit
een specifieke roeping volledig overgeven aan het onvoorwaardelijk dienen van Gods Zoon te midden van hun
beroepsuitoefening, zoals hij dat heeft gedaan. Laten wij vandaag bidden, dat
velen de roeping mogen ontvangen tot een volledige overgave en edelmoedig op
die roepstem antwoorden; dat God deze onmetelijke eer mag verlenen aan die
kinderen, broeders, verwanten of vrienden van ons die zich door bepaalde
omstandigheden het dichtst bij het ontvangen van deze oproep van de Heer
bevinden.
Wij bidden tot de
heilige aartsvader, dat alle christenen goede werktuigen
mogen zijn om deze heldere stem van de Heer tot de mensen te laten doordringen,
want de oogst is wel groot maar arbeiders
zijn er weinig.15
-1.
Getijdenboek, Hymne Iste quem
laeti. -2. Vgl. Mc 6,3. -3. M. Gasnier, Los silencios de San José, bl. 179. -4. Vgl. B. Llamera, Teología de San José, bl.
298. -5. Isidoro
de Isolano, Suma de los dones de San José, IV, 3. -6. Ibidem, bl. 181. -7. Mt 27,52. -8. H. Franciscus van Sales, Preek over sint Jozef, 7. -9. Cit. door L.M. Herrán, La devoción a San José en la vida y
enseñanzas de Monseñor Escrivá, Palabra, Madrid 1981, bl. 46.
-10. Vgl. Getijdenboek, Hoogfeest van de heilige Jozef, Tussenzang na de
2e lezing. -11. H. Bernardinus van Siëna, Preek over
sint Jozef, 3. -12. Vgl. B. Llamera, o.c., bl. 305-306. -13. Vgl. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Redemptoris custos, 15-VIII-1989,
17. -14. Paulus vi,
Homilie 19-III-1969.
-15. Vgl. Mt 9,37.