Eerste zondag na de
Openbaring des Heren
3. DOOP VAN DE HEER
Op deze zondag, onmiddellijk volgend op het
hoogfeest van de Openbaring des Heren, vieren wij in de liturgie de Doop van de
Heer in de Jordaan en worden wij binnengevoerd in het diepste van het mysterie
van zijn Persoon en zending. Tegelijkertijd biedt de liturgie ons de
gelegenheid dank te brengen voor de talloze gaven die Christus ons heeft
verleend op de dag van ons doopsel. De Kerk spoort ons vandaag aan om «met
hernieuwd geloofsvuur de verplichtingen te bevestigen, die onze ouders, peter
en meter ooit voor ons zijn aangegaan in de beloften van het doopsel» en «onze
krachtige en vurige toewijding aan Christus en de wil tegen het kwade te
strijden» te hernieuwen (Johannes Paulus ii).
-Openbaring van het mysterie van de
Drieëenheid in het doopsel van Christus. -Ons goddelijk kindschap in Christus
door het sacrament van het doopsel. -Weerspiegeling van het doopsel in het
dagelijks leven.
3.1 Nadat de
Heer gedoopt was, ging de hemel open en de Heilige Geest daalde over Hem neer
in de gedaante van een duif. En de stem van de Vader sprak: Dit is mijn Zoon,
mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.1
Enkele dagen geleden hebben wij het hoogfeest
van de Epifanie
gevierd, de Openbaring van de Heer aan de heidenen, vertegenwoordigd door die
wijze mannen die naar Jeruzalem kwamen om te informeren naar de pasgeboren
koning der Joden. Er had al een eerste openbaring plaats gevonden aan de herders, die zich nog in de
kerstnacht zelf naar de plaats begeven, waar het Kind geboren is en die Het hun geschenken brengen. Ook het feest van
vandaag is een 'epifanie', een openbaring van de goddelijkheid van
Christus, aangeduid door de stem van God de
Vader uit de hemel en door de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gedaante
van een duif, het teken van vrede en liefde. De kerkvaders verwijzen gewoonlijk
ook nog naar een derde openbaring van de goddelijkheid van Jezus. Deze openbaring
zal te Kana in Galilea geschieden, waar Jezus door zijn eerste wonder zijn heerlijkheid openbaarde, en zijn
leerlingen geloofden in Hem.2
In de eerste lezing van de heilige mis3 kondigt Jesaja de Messias aan: Dit is mijn Dienaar die Ik ondersteun, mijn uitverkorene in
wie Ik behagen schep: mijn geest stort Ik over hem uit [...]. Het geknakte riet
zal Hij niet breken, en de kwijnende vlaspit niet doven [...] Ik, de Heer, roep
u in gerechtigheid, [...]. Blinden zult gij de ogen openen, gevangenen uit hun
kerker bevrijden en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten.
Deze beschrijving door de profeet vindt haar
volle vervulling in de doop van de Heer. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods
neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen. En een stem uit de
hemel sprak: 'Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb'.4 De drie goddelijke personen van de Drieëenheid
treden op in deze grote Openbaring aan de oevers van de Jordaan: de Vader laat zijn stem horen door te getuigen van zijn Zoon,
Jezus wordt door Johannes gedoopt, de Heilige Geest daalt zichtbaar over
Hem neer. Het woord van Jesaja mijn
dienaar wordt thans vervangen
door mijn Zoon, mijn veelgeliefde hetgeen
duidt op de goddelijke Persoon en natuur van Christus.
Met de doop van Jezus begint op plechtige wijze
zijn heilszending. Tegelijkertijd begon de Heilige Geest, door middel van de
Messias, zijn handelen in de zielen, dat tot het einde der tijden zal duren.
De liturgie zelf van deze zondag is bijzonder
geëigend om ons met vreugde te herinneren aan ons doopsel en de gevolgen daarvan in ons leven. Wanneer de heilige
Augustinus in zijn 'Belijdenissen' de dag van zijn doopsel vermeldt,
doet hij dat in diepe vreugdevolle herinnering: «overvol van buitengewone zoetheid, kreeg ik er op die dag niet
genoeg van de diepte van Gods raadsbesluit voor de redding van het menselijk
geslacht te beschouwen.»5 Met deze vreugde
zullen wij ons vandaag herinneren, dat wij zijn gedoopt in de naam van de Vader
en de Zoon en de Heilige Geest.
Het mysterie van de doop van Jezus voert ons
binnen in het onuitsprekelijk mysterie van ieder van ons, want van zijn volheid hebben wij allen
ontvangen.6 Wij zijn niet alleen
met water gedoopt, zoals de Voorloper deed, maar met de Heilige Geest, die ons het leven van
God schenkt. Laten wij vandaag de Heer
danken voor die gedenkwaardige dag, waarop wij werden opgenomen in het
leven van Christus en met Hem voorbestemd werden tot het eeuwige leven. Laten
we ons erover verheugen, dat we gedoopt zijn, wellicht enkele dagen na onze
geboorte, zoals dat sinds onheuglijke tijden gebruik is in de Kerk bij kinderen
van christelijke ouders.
3.2 Wij werden gedoopt in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige
Geest, om in gemeenschap te treden met de Allerheiligste Drieëenheid. In zekere
zin is voor ieder van ons de hemel opengegaan, opdat wij kunnen binnentreden in
het huis van God en het kindschap Gods leren kennen. «Als gij de ware vroomheid bezit
-zo leert de heilige Cyrillus van Jeruzalem- zal ook over u de Heilige Geest
neerdalen en zult ge de stem van de Vader uit den hoge vernemen: deze is niet
mijn enige Zoon, maar nu, na het doopsel, is hij van Mij geworden.»7 Het kindschap Gods is een van de grootste gaven die
we hebben ontvangen op de dag dat we gedoopt werden. Sint Paulus spreekt ons
over dit kindschap en, zich richtend tot iedere gedoopte, aarzelt niet deze
heerlijke woorden uit te spreken: Je bent dus niet langer slaaf, maar zoon; en als je zoon
bent, dan ook erfgenaam.8
In het ritueel van dit sacrament wordt
aangeduid, dat de gelijkvormigheid met
Christus tot stand komt door middel van een geestelijke wedergeboorte,
zoals Jezus Nikodemus leerde: als
iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet
binnengaan.9 «Het christelijk doopsel is daadwerkelijk een
mysterie van dood en verrijzenis: de onderdompeling in het doopwater is het symbool en de tegenwoordigstelling van
Jezus' begrafenis in de aarde en de dood van de oude mens, terwijl het
opstijgen uit het water de verrijzenis van Christus en de geboorte van de
nieuwe mens betekent.»10 Deze nieuwe geboorte is
het fundament van het kindschap van God. En zo worden door dit sacrament «de
mensen in het paasmysterie van Christus opgenomen: mede gestorven, mede
begraven, mede verrezen; zij ontvangen de geest van de aanneming tot kinderen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader
(Rom 8,15);
zo worden wij de ware aanbidders die de Vader zoekt.»11
Dit kindschap brengt de vernietiging van elke zonde van de ziel en het
instorten van de genade met zich mee.
Door het doopsel worden de erfzonde en alle
persoonlijke zonden vergeven, evenals de eeuwige en tijdelijke straf ten
gevolge van de zonden. Gelijkvormig zijn aan de verrezen Christus,
gesymboliseerd in het opstijgen uit het doopwater, duidt aan, dat de goddelijke
genade, de deugden die worden ingegoten en
de gaven van de Heilige Geest zich
gevestigd hebben in de ziel van de gedoopte, die aldus tot zetel van de
Heilige Drieëenheid is geworden. Voor de christen openen zich de poorten van de
hemel, en engelen en heiligen verheugen
zich. In de menselijke natuur blijven wel
nog de gevolgen achter van de erfzonde die, ook al komen zij daaruit
voort, op zichzelf geen zonde zijn, maar er wel
toe neigen; de gedoopte blijft onderworpen aan de mogelijkheid tot dwalen, tot
begeerte en dood: allemaal gevolgen van de erfzonde. Niettemin heeft
het doopsel in het menselijk lichaam reeds
het zaad van een glorievolle vernieuwing en verrijzenis gezaaid. Welk een
groot verschil is er tussen degene die richting kerk gaat -of gebracht wordt- om dit sacrament te ontvangen en hem die
gedoopt de kerk verlaat! De christen «komt uit het doopsel te voorschijn
schitterend als de zon en -nog veel voornamer- als kind van God en
medeverlosser met Christus.»12
Laten wij de Heer oprecht danken voor zoveel
goeds, dat wij vandaag in heel zijn grootheid
zouden willen begrijpen. Ten slotte doen wij, Heer, een beroep op uw
goedheid: laat ons altijd luisteren naar uw eniggeboren Zoon om uw kinderen te
worden genoemd en het ook werkelijk te zijn.13 Dat is ons grootste verlangen en ons hoogste streven.
3.3 In de tweede lezing herinnert de heilige Petrus aan dat Messiaans begin van Jezus, dat in de gedachten van velen van zijn toehoorders leefde en van wie enkele van
hen ooggetuigen waren geweest. Gij weet -zo zegt de apostel tot
hen- wat er overal in Judea gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden
begon in Galilea, na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd
heeft met de Heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas
allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden...14
Pertransiit
benefaciendo..., Hij ging weldoende rond... Dit is als het ware een samenvatting van Christus'
leven op aarde. Dit dient ook de samenvatting te zijn van het leven van iedere gedoopte, want heel diens leven
ontplooit zich onder invloed van de
Heilige Geest: wanneer hij werkt, rust, wanneer hij glimlacht of een van
de talloze diensten bewijst die het gezins-
of beroepsleven met zich meebrengt.
Op deze feestdag worden wij uitgenodigd ons
opnieuw bewust te worden van de verplichtingen die onze ouders of peetouders
namens ons op de dag van ons doopsel op zich hebben genomen; om onze vurige
aanhankelijkheid aan Christus opnieuw te bevestigen en de wil te strijden om
iedere dag dichter tot Hem te komen; om ons verre te houden van elke zonde, ook
de dagelijkse zonde, want bij het ontvangen van dit sacrament werden wij
geroepen tot heiligheid, tot het delen in het goddelijke leven zelf.
Juist dit doopsel «maakt ons tot 'fideles', wat
betekent gelovigen en ook getrouwen, een
woord dat de eerste volgelingen van Christus, net als dat andere woord
'sancti', heiligen, gebruikten om elkaar
aan te duiden, en dat ook vandaag de dag nog gebruikt wordt: men
spreekt van mensen die trouw zijn aan de Kerk.»15
Wij zullen trouw zijn in de mate waarin ons leven -hoe vaak hebben wij hierover
niet nagedacht!- gebouwd is op de hechte en zekere basis van het gebed. Sint Lucas zegt ons in zijn evangelie, dat Jezus
na gedoopt te zijn in gebed
was.16 De heilige Thomas van
Aquino tekent aan: in dit gebed leert de Heer ons, dat «de mens na het doopsel
volhardend gebed nodig heeft om de toegang tot de hemel te verwerven; want ook
al worden door het doopsel de zonden vergeven, toch blijft de neiging tot de
zonde bestaan, die ons in ons binnenste bestrijdt, en ook zijn er nog altijd de
duivel en het vlees die ons van buitenaf aanvallen.»17
Laten wij, naast dankbaarheid en vreugde voor
al het goede dat wij in dit sacrament hebben verkregen, vandaag onze trouw aan
Christus en aan de Kerk hernieuwen, een trouw die zich vaak zal vertalen in
trouw aan ons dagelijks gebed.
-1. Introïtus,
vgl. Mt
3,16-17. -2. Joh
2,11. -3. Jes 42,1-4;
6-7. -4. Mt
3,16-17. -5. H. Augustinus, Belijdenissen,
I,9,6. -6. Joh
1,16. -7. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechesis III, Over het doopsel,
14. -8. Gal
4,7. -9. Joh
3,5. -10. Johannes Paulus ii, Angelus 8 januari
1989. -11. Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum Concilium,
6. -12. H. Hypolitus, Preek over de Theofanie.
-13. Gebed na de communie.
-14. Tweede
lezing, Hnd 10,34-38. -15. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse,
622. -16. Vgl. Lc 3,21.
-17. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III,
q39, a5.