21 december
26. EDELMOEDIGHEID EN DIENSTVAARDIGHEID
-Edelmoedigheid
en geest van dienstvaardigheid bij Maria. -Maria navolgen. Edelmoedigheid en
dienstvaardigheid in kleine dingen tegenover de anderen. -De beloning voor
edelmoedigheid.
26.1 In
die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij
ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth.1
De maagd Maria geeft zich
geheel aan wat God van haar vraagt. Van het ene moment op het andere blijven
haar eigen plannen -die ze zeker had- verborgen in een hoekje om te doen wat
God haar voorhoudt. Geen uitvluchten. Vanaf het allereerste moment is Jezus het
enige en grootse ideaal waar zij voor leeft. Onze Vrouwe toonde tijdens haar
verblijf hier op aarde een grenzeloze edelmoedigheid. Van de weinige passages
in het evangelie die op haar leven betrekking hebben, vertellen er twee ons
rechtstreeks over haar aandacht voor de anderen. Zij heeft haar tijd edelmoedig
gebruikt om haar nicht, de heilige Elisabeth, te helpen tot aan de geboorte van
sint Jan.2 Zij
was bezorgd om het welzijn van anderen, zoals blijkt uit haar tussenkomst bij
de bruiloft van Kana.3 Dat
was voor haar heel gewoon. Haar stadgenoten uit Nazareth zouden ons veel te
vertellen hebben over de ontelbare details in de dagelijkse omgang met Maria.
De maagd Maria dacht nooit
aan zichzelf, maar aan de anderen. Zij ging met grote eenvoud op in het
huishoudelijk werk en met veel blijdschap. En ook met grote innerlijke ingetogenheid,
omdat zij wist, dat de Heer in haar was. Alles werd in het huis van Elisabeth
geheiligd door de aanwezigheid van de Maagd en het Kind dat zij droeg in haar
schoot. In Maria constateren wij, dat edelmoedigheid de deugd is van grote
zielen die weten dat het hoogste loon weggelegd is voor wie gegeven heeft. Voor
niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.4 Een edelmoedig mens is in staat
tot iets aardigs, tot begrip, materiële hulp... en eist niet bemind, begrepen,
geholpen te worden. Hij geeft en vergeet gegeven te hebben. Daarin zal heel
zijn rijkdom liggen. Dit heeft hij begrepen: Het is zaliger te geven dan te
ontvangen.5 Hij
heeft ontdekt dat liefhebben «in de kern betekent zich wegschenken voor de
naasten. Liefde is helemaal geen instinctieve neiging, maar het bewuste besluit
van de wil naar de anderen toe te gaan. Om werkelijk lief te kunnen hebben is
het goed zich te ontdoen van alle zaken vooral van zichzelf, en gratis uit te
delen... Deze zelfverloochening [...] is een bron van evenwicht. Het is het geheim
van het geluk.»6 Het
geven verruimt het hart en maakt het jonger, vergroot het vermogen om lief te
hebben. Egoïsme verarmt, verengt de eigen horizon. Hoe meer wij geven, hoe
rijker wij worden.
Vragen we de heilige maagd
Maria vandaag, dat zij ons leert edelmoedig te zijn, in de eerste plaats
tegenover God en verder tegenover de anderen, de mensen met wie we leven of
werken, de mensen die we in verschillende levensomstandigheden aantreffen. Dat
wij onszelf zullen weten te geven in de dienst aan de anderen, in het gewone
leven van alledag.
26.2 Als we
voelen, dat wij, ondanks onze strijd, toch niet loskomen van ons egoïsme, laten
we dan vandaag opzien naar de heilige Maagd om haar in haar edelmoedigheid na
te volgen en de blijdschap te mogen proeven onszelf te geven en te geven. Het
is voor ons noodzakelijk beter in te zien, dat edelmoedigheid het hart en ook
de mogelijkheid te ontvangen verrijkt en vergroot. Egoïsme is daarentegen als
een gif dat vernietigt, soms langzaam, maar altijd zonder mankeren.
Samen met Maria zullen we
ontdekken dat God ons gemaakt heeft voor de overgave. En elke keer als we
'voorbehouden maken' omwille van onze eigen plannen, eigen zaken, achter Zijn
rug om, sterven we een beetje. «Het koninkrijk van God kent geen waarde en toch
kost het precies wat u hebt [...]. Het kostte Petrus en Andreas het achterlaten
van hun schip en een paar netten. Het kostte de weduwe twee zilverlingen...»7 Alles wat zij
bezaten, zoals in ons geval. Onze persoon en ons bezit zullen gered worden in
de mate waarin we die wegschenken.
«Uw boot -uw talenten,
verlangens, successen- is niets waard, tenzij u die aan Jezus Christus ter
beschikking stelt, tenzij u Hem toestaat vrij aan boord te komen en u van uw
boot geen afgod maakt. En als u daar, in uw bootje, het probeert te redden
zonder de Meester, koerst u recht op een schipbreuk aan, vanuit bovennatuurlijk
standpunt gezien wel te verstaan. Alleen als u de aanwezigheid en leiding van
de Heer aanvaardt en zoekt, zult u beschut zijn tegen de stormen en tegenslagen
van het leven. Leg alles in de handen van God: zorg dat uw gedachten -de
geslaagde ondernemingen die u in uw verbeelding beleeft, uw edele menselijke
verlangens, uw zuivere liefdes- hun weg naar het hart van Christus vinden.
Anders zullen ze, vroeg of laat, met uw egoïsme zinken als een baksteen.»8
Iedereen, waar of hoe God
hem ook roept, moet doen als die vrouw in Betanië die haar grote liefde tot de
Heer toonde door een kruik te breken met echte en kostbare nardusbalsem.9 Dat is een
uitwendig teken van haar grote liefde voor de Heer. Die vrouw wil niets houden,
niet voor zichzelf, niet voor iemand anders. Het is een gebaar van een overgave
zonder reserves, van vriendschap, van een diepe genegenheid voor Christus. Het
huis hing vol balsemgeur. Mogen er ook van onze liefde en overgave aan
Christus sporen achterblijven. Dat alleen. Het overige zal verloren gaan en
vervloeien als het water van de rivier. De edelmoedigheid voor God moet
blijken uit de edelmoedigheid voor de anderen. Al wat gij gedaan hebt voor
een der geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan.10
Het is de edelmoedigheid
eigen, dat zij onmiddellijk de kleine beledigingen weet te vergeten die in het
gewone dagelijks leven kunnen voorkomen. Wie edelmoedig is, glimlacht en maakt het leven voor anderen aangenamer,
ook al heeft hij zelf tegenslagen te verduren. Hij oordeelt ruim en begrijpend over anderen. Hij doet op het werk en
thuis de minder leuke klusjes. Hij neemt de mensen zoals ze zijn, zonder al te veel belang te hechten aan hun
tekortkomingen. Complimentjes op zijn tijd hebben meer effect. Wie edelmoedig is, geeft een positieve wending aan onze
gesprekken en treedt, bij gelegenheid, corrigerend op. Hij vermijdt
afbrekende kritiek die meestal nutteloos en onrechtvaardig is. Hij opent onze
vrienden nieuwe -menselijke en bovennatuurlijke- horizonten enzovoort. Hij
vergemakkelijkt, en dat is het voornaamste,
voor de mensen om hem heen de weg die
naar Christus leidt. Dat is het beste wat wij kunnen doen.
Alle dagen hebben wij een
schat om uit te delen. Als we die niet weggeven, verliezen we hem. Als we die
schat verdelen, zal de Heer hem vermeerderen. Als we aandachtig zijn, als we
op zijn leven letten, zal Hij ons gelegenheden laten ontdekken waarin wij graag
zullen dienen hoewel weinigen dat, misschien, zouden willen. Zoals Jezus bij
het Laatste Avondmaal, bij het wassen van de voeten van de apostelen11, moeten we de
vervelendste karweitjes niet uit de weg gaan. Die moeten ook gedaan worden.
Laten wij ons met de meer vervelende taken belasten. Wij zullen leren dat de
gelegenheden om te dienen werkelijkheid worden door het offer, als vrucht van
een innerlijke houding van opoffering en onthechting. Wij zullen op zoek moeten
gaan, willen wij gelegenheden vinden om te dienen: door te denken aan de manier
van leven van de mensen bij ons thuis, op het werk; door te denken aan wat zij
te kort komen en waarin wij hen te hulp kunnen komen. De egoïst die zijn dag
ver van God doorbrengt, geeft zich alleen rekenschap van zijn eigen behoeften
en grillen.
De maagd Maria was niet
alleen jegens God in opperste graad edelmoedig, maar ook tegenover alle andere
mensen die zij tijdens haar aardse leven tegenkwam. Ook van haar kan gezegd
worden dat zij weldoende rondging.12 Hetzelfde
zou van iedereen van ons gezegd moeten worden.
26.3 De Heer
beloont hier, en later in de hemel, onze -altijd armzalige- blijken van
edelmoedigheid. Daarbij overschrijdt Hij altijd de maat. «Hij is zo dankbaar
dat het opslaan van de ogen, om het met Hem eens te worden, ons al niet zonder
beloning zal laten.»13
In de Heilige Schrift
treffen we veelvuldig getuigenissen aan van de bovennatuurlijke edelmoedigheid
van God in verhouding tot de edelmoedigheid van de mens. De weduwe van Sarepta
gaf een handvol meel en een beetje olie14 en zij ontving een onuitputtelijke
hoeveelheid meel en olie. De weduwe in de tempel gaf twee kleine munten. Jezus
zegt daarover: Zij heeft het meest geofferd van allen.15 De dienstknecht
die ervoor zorgde dat de hem toevertrouwde talenten vermeerderd werden, zou uit
de mond van de Heer te horen krijgen: Omdat gij in iets kleins trouw zijt
geweest, zult gij gezag hebben over tien steden.16
Op een dag zegt Petrus
Hem: Zie, wij hebben ons eigendom prijsgegeven om U te volgen. En Jezus
antwoordde hem: Voorwaar Ik zeg u: er is niemand die huis of vrouw, broers,
ouders of kinderen omwille van het Rijk Gods heeft prijsgegeven, of hij
ontvangt het in deze tijd dubbel en dwars terug en in de toekomstige wereld het
eeuwig leven.17 Hoe
zou Hij, die rekening houdt met het kleinste wat wij ondernemen, de van dag
tot dag getoonde trouw kunnen vergeten? Wat zal Hij die broden en vissen
vermenigvuldigt voor een menigte die Hem een paar dagen volgt, doen voor wie
alles hebben achtergelaten om Hem voor altijd te volgen? Als zij daaraan
mogelijk ooit behoefte zullen hebben, zullen ze een bijzondere genade ontvangen
om voort te gaan; hoe zou Jezus die kunnen weigeren? Hij is een goed betaler.
De Heer vergoedt
honderdvoudig alle zaken die we uit liefde voor Hem hebben achtergelaten.
Bovendien, wie Jezus zo volgt, wordt niet alleen in dit leven honderd keer
rijker, maar zal ook voorbestemd zijn zalig te worden. Uiteindelijk zal hij de
stem horen van Jezus die hij in de loop van zijn leven gediend heeft: Kom,
gezegende van mijn Vader en ontvang het Rijk dat voor u gereed is.18 Het horen van de
welkomstwoorden voor de eeuwigheid zal al voldoende beloning voor zijn
edelmoedigheid zijn. Hij zal het Rijk der hemelen binnentreden aan de hand van
Jezus en Maria.
-1.
Lc 1,39 e.v. -2. Lc 1,31. -3. Joh 2,1 e.v. -4. Mt
10,8. -5. Hnd 20,36. -6. Johannes
Paulus ii, Toespraak, 1 juni 1980. -7. H. Gregorius de Grote, Homilia 5 in
evangelia. -8. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God, 21. -9. Joh 12,3. -10. Mt 25,40. -11.
Vgl. Joh 13,4-17. -11. Vgl. Hnd 10,38. -13. H. Theresia van Avila, De weg der
volmaaktheid, 23,3. -14. 1 Kon 17,10 e.v. -15. Mc 12,43. -16.
Lc 19,17. -17. Lc 18,28-30. -18. Vgl. Mt 25,34.
|