Meditaties over de Heilige Eucharistie (1)
42. EEN GOD IN VERBORGENHEID
-Jezus verbergt zich, opdat ons geloof en onze
liefde Hem ontdekken. -De heilige eucharistie vormt ons om. -Christus geeft
zich persoonlijk aan ieder van ons.
42.1 Adoro te
devote, latens Deitas... U aanbid ik in overgave, verborgen Godheid, die waarachtig
onder deze tekenen schuilt. U geeft mijn hart zich geheel en al over, U aanschouwend schiet het al te kort.1 Zo
begint de hymne die de heilige Thomas van Aquino heeft
geschreven voor het feest van Sacramentsdag, en dat zoveel
gelovigen heeft geholpen om hun geloof in en liefde voor de eucharistie te
overwegen en tot uiting te brengen.
U aanbid ik in overgave, verborgen Godheid... Waarlijk, Gij zijt een verborgen God2, zo had de
profeet Jesaja reeds verkondigd. De Schepper van het heelal heeft de sporen van
zijn werk nagelaten; het leek alsof Hij op het tweede plan wilde blijven. Maar
er kwam een ogenblik in de geschiedenis van de mensheid, waarop God besloot
zijn meest innerlijke wezen aan ons te
openbaren. Meer nog, in zijn goedheid wilde Hij onder ons wonen, zijn tent opslaan te midden van de mensen; Hij werd mens in de allerreinste schoot
van Maria. Hij kwam ter aarde en bleef voor de meeste mensen verborgen, omdat
die zich meer zorgen over andere dingen
maakten. Enkelen leerden Hem kennen, namelijk zij die eenvoudig van
hart waren en een waakzame blik ten opzichte van het goddelijke bezaten: Maria,
Jozef, de herders, de Drie Wijzen, Anna, Simeon... Laatstgenoemde, reeds een oude
man, had heel zijn leven lang de komst van de aangekondigde Messias verwacht,
en hij kon dan ook tegenover het Kind Jezus uitroepen: Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan;
mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd...3 Konden wij maar hetzelfde zeggen, wanneer wij tot
het tabernakel naderen!
En later, tijdens zijn openbare leven, konden
velen Jezus niet ontdekken, ondanks de wonderen waarmee Hij zijn goddelijke macht tot uiting bracht. In andere
gevallen verbergt dezelfde Heer zich en beveelt Hij degenen die Hij zelf
heeft genezen, dat zij hierover niets tegen iemand zeggen. In Getsemani en tijdens zijn lijden leek de godheid voor
de ogen van de mensen volkomen verborgen. Aan het kruis, zo wist de heilige
Maagd met alle stelligheid, was Hij die te sterven hing Jezus, de mens geworden
God. Maar in de ogen van velen stierf Hij als een misdadiger.
In de heilige eucharistie verbergt Jezus zich
wederom, in de gedaanten van brood en wijn, opdat ons geloof en onze liefde Hem
ontdekken. In ons gebed zeggen wij tot Hem: «Heer, die ons doet delen in het
wonder van de eucharistie: wij bidden U, verberg U niet», laat uw gelaat altijd helder voor onze ogen staan, «blijf onder
ons wonen», want zonder U heeft ons leven geen zin; «maak dat wij U
mogen zien», met ogen die gereinigd zijn in het sacrament van boete en
verzoening; «dat wij U mogen aanraken», zoals die vrouw die het waagde de zoom
van uw kleed aan te raken en aldus genezen
werd; «dat wij U mogen voelen» zonder ooit aan het wonder gewend te
willen raken; «dat wij altijd bij U willen
zijn», U die de enige plaats bent waar wij volkomen gelukkig zijn; «dat
Gij de Koning van ons leven en van onze werken moge zijn», want aan U hebben
wij alles gegeven.4
42.2 De tegenwoordigheid is een liefdesbehoefte, en de Meester die de
zijnen het hoogste gebod van de liefde had nagelaten,
kon zich niet onttrekken aan die karaktereigenschap van de ware
vriendschap: het verlangen samen te zijn. Om dit samenleven met ons te verwezenlijken,
in verwachting van de hemel, is Hij in onze tabernakels willen blijven. Zó
maakte Hij die krachtige aanbevelingen vóór zijn heengaan mogelijk: Blijft in Mij, zoals Ik in u. Ik
noem u geen dienaars meer, maar u heb Ik vrienden genoemd... Blijft in mijn liefde.5 Een diepe vriendschap
met Jezus is gegroeid in zoveel communies, waarin Jezus
ons kwam bezoeken, en in al die gelegenheden
waarin wij Hem kwamen opzoeken in het
tabernakel. Daar, verborgen voor onze
zintuigen, maar zo duidelijk zichtbaar voor ons geloof, wachtte Hij op
ons; aan zijn voeten hebben wij onze beste idealen neergelegd, en bij Hem
hebben wij onze zorgen, al wat ons ooit kon benauwen, achtergelaten... De Vriend
begrijpt de vriend zeer wel. Daar, in de bron zijn wij de manier van de
beoefening der deugden gaan drinken. En wij hebben gezocht, dat zijn sterkte
onze sterkte is, dat zijn zicht op de wereld
en de mensen het onze is... Konden ook wij ooit maar eens zeggen, zoals
sint Paulus: Ik
zelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij! 6
De heilige Thomas
stelt, dat de deugd van dit sacrament bestaat in het tot stand brengen van een zekere
omvorming van de mens in Christus, door de liefde.7 Wij hebben allemaal de ervaring dat iedereen
grotendeels leeft volgens hetgeen hij liefheeft. Mensen met liefde voor hun
studie, de sport, hun beroep, zeggen dat deze activiteiten 'hun leven' zijn. Op gelijke wijze leeft een mens die
alleen maar zijn eigen belang zoekt voor zichzelf. Als wij Christus liefhebben en ons met Hem verenigen, zullen wij
door Hem en voor Hem leven, met des te meer diepgang, naarmate de liefde
dieper en waarachtiger is. Meer nog, de genade vormt ons van binnen uit en vergoddelijkt ons. «Hebt gij de aarde
lief? -roept de heilige Augustinus uit-. Dan zult ge aarde zijn. Hebt gij God
lief? Wat zal ik zeggen? Dat ge god zult zijn? Ik waag het niet zoiets te
zeggen, maar de heilige Schrift zegt het u: Ik was het die sprak: gij zijt goden, zonen van de
Allerhoogste gij allen
(Ps 81,6).»8
Laten wij de verborgen Jezus in het tabernakel
gaan zien, en afstanden worden teniet gedaan, en zelfs de tijd verliest zijn
begrenzingen tegenover deze Tegenwoordigheid, die eeuwig leven is, zaad van
verrijzenis en voorproef van het hemelse geluk. Dààr straalt het leven van de
christen het leven van Jezus uit: te midden van het werk, in zijn gebruikelijke
glimlach, in de wijze waarop hij tegenslagen en leed draagt, weerspiegelt de
christen Christus. Hij die in het tabernakel verblijft, toont zich en komt
onder de mensen tegenwoordig in het gewone leven van de christen.
«Tabernakels van
zilver en goud / die de alomtegenwoordigheid bevat / van Jezus, onze schat, /
ons leven, onze kennis. / Ik zegen en aanbid U / met diepe eerbied...»9
Sinds tweeduizend
jaar woont Gods Zoon onder de mensen.
«Hij, in wie de Vader onuitsprekelijk welbehagen vindt, in
wie de gelukzaligen eeuwigdurend geluk drinken!
Het mens geworden Woord is daar, in de Hostie, zoals ten tijde van de
apostelen en de menigten van Palestina, met de oneindige volheid van een grote
genade die alleen maar alle mensen wil
overstromen om hen in Hem om te vormen. Men zou tot dit reddend Woord
moeten naderen met het geloof van de eenvoudigen uit het Evangelie, die zich
haastten om Christus te ontmoeten om de zoom van zijn kleed aan te raken, en
die aldus genezen werden.»10 Zó nemen ook wij
ons voor tot Hem te naderen.
42.3 U geeft
mijn hart zich geheel en al over, U aanschouwend schiet het al te kort.
Wij mogen ons niet van de wijs laten brengen
door de waarneembare schijn. Niet al het bestaande, zelfs niet de geschapen werkelijkheden van deze wereld, zijn
zintuiglijk waarneembaar; de
zintuigen zijn een bron van kennis, maar tegelijkertijd ook de
begrenzing van ons begripsvermogen. Op haar pelgrimstocht door deze wereld
naar de Vader toe, bezit de Kerk in de
heilige eucharistie de tweede Persoon
van de Allerheiligste Drieëenheid, niet waarneembaar voor de zintuigen,
die de allerheiligste mensheid van Christus
heeft aangenomen. Het Woord is
vlees geworden11 om onder
ons te wonen en ons deelgenoot te maken van zijn godheid. Hij kwam voor heel de
wereld en zou mens geworden zijn voor de geringste en minst waardige van de mensen. De heilige Paulus voorproefde deze
werkelijkheid met vreugde en sprak: Gods Zoon heeft mij liefgehad en heeft zichzelf voor mij overgeleverd.12 Jezus zou voor mij alleen ter wereld zijn gekomen
en geleden hebben. Dàt is de grote werkelijkheid die mijn leven vervult, zo
mogen wij allen denken. In het heilsplan was de eucharistie het door God uitgekozen
middel van de Voorzienigheid om persoonlijk, op unieke en onherhaalbare wijze,
in ieder van ons te verblijven. Met vreugde zingen we in het binnenste van ons
hart: Pange, lingua, gloriosi
Corporis mysterium... Loof, mijn tong, het glorierijke Lichaam en het kostbare
Bloed van de Koning der volkeren, dat voor onze schuld voldoet, uitgegoten als
de losprijs.13
Jezus is niet
verborgen. Wij zien Hem elke dag, wij ontvangen Hem, beminnen Hem, bezoeken
Hem... Hoe helder en doorschijnend is zijn Tegenwoordigheid,
als we Hem beschouwen met een zuivere blik, vervuld van geloof! Laten we er
eens aan denken hoe wij te communie gaan, misschien
over enkele minuten of enige uren, en bidden we tot God de Vader, onze Vader, dat Hij het geloof en de liefde
van ons hart vermeerdert. Wellicht kan ons daarbij het gebed van de heilige
Thomas helpen, waarmee we ons bij andere gelegenheden misschien hebben
voorbereid op het ontvangen van Jezus: «Almachtige eeuwige God, ik mag naderen tot het sacrament van uw eniggeboren Zoon,
onze Heer Jezus Christus. Ik kom als een zieke tot de geneesheer ten leven, als een onreine tot de bron
van barmhartigheid, als een blinde tot het licht van de eeuwige klaarheid,
als een arme en behoeftige tot de Heer van hemel en aarde. Ik doe dan ook een
beroep op de overvloed van uw grenzeloze goedheid: wil mijn zwakheid genezen,
was al mijn smetten van mij af, maak een einde aan mijn blindheid, verander
mijn armoede in rijkdom en bekleed mij in al mijn schamelheid. Goede God, laat
mij het Lichaam van uw eniggeboren Zoon, geboren uit de maagd Maria, zó
ontvangen, dat ik tot zijn mystiek lichaam mag behoren en één mag zijn met zijn
ledematen.»14
-1. Hymne Adoro te
devote [Ned. vert. Laus Deo]. -2. Jes 45,15. -3. Lc 2,29-30. -4. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 542. -5. Joh 15,4;9,15. -6. Gal 2,20. -7. Vgl. H. Thomas van Aquino, In Sententiarum libros IV, d12 q2 a2 ad 1. -8. H. Augustinus, Commentaar op de Brief van de H. Johannes aan de Parthen, 2,14.
-9. Sor Cristina de
Arteaga, Sembrad,
xcix. -10. M.M. Philipon, Les sacrements dans la vie
chrétienne. -11. Joh 1,14. -12. Gal 2,20. -13. Hymne Pange, lingua [Ned. vert. Laus Deo]. -14. H. Thomas van Aquino, Gebed ter voorbereiding tot de mis. Cfr. Altaarmissaal, bl. 1362-1363