Tweede week. Donderdag
13. Een dringende opdracht: de goede leer
doorgeven
-Dringende noodzaak van dit apostolaat. -Vorming
in de waarheden van het geloof. De catechismus bestuderen en onderrichten. De
ontvangen waarheden doorgeven. -Gebed en versterving moeten elk apostolaat
begeleiden. Slechts de genade kan de wil tot instemming met de geloofswaarheden
bewegen. Met Gods hulp overwinnen wij alle hindernissen.
13.1 Veelvuldig vertelt het evangelie ons, dat de mensen bij de Heer
samendromden om door Hem genezen te worden.1 Vandaag lezen we in het evangelie van de
Mis2,
dat Jezus gevolgd werd door een grote
volksmenigte uit Galilea; er kwamen ook vele mensen uit Judea, Jeruzalem,
Idumea, het Overjordaanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon. Het is zo'n grote massa dat de Heer zijn leerlingen opdraagt een boot
klaar te maken als voorzorg tegen het
opdringen van de menigte. Want Hij had er velen genezen, met het gevolg dat
allen die aan kwalen leden, op Hem aandrongen om Hem aan te raken. Deze mensen kwamen in hun nood naar Christus toe. Hij schenkt hun
zorg en aandacht, omdat Hij medelijden in zijn hart voelt en barmhartig is.
Tijdens de drie jaar van zijn openbare leven genas Hij velen, Hij bevrijdde
mensen die van de duivel waren bezeten, Hij wekte doden op... Maar Hij genas niet
alle zieken in de wereld en Hij bande ook niet alle lijden van dit leven uit,
want lijden is geen absoluut kwaad -zoals de zonde-, en het kan een onvergelijkelijke verlossingswaarde
hebben, als we het verenigen met het lijden van Christus.
Jezus deed wonderen die in concrete gevallen
pijn en leed wegnamen. Maar deze wonderen waren vóór alles een teken en bewijs
van zijn goddelijke zending, van de universele en eeuwige verlossing. Wij,
christenen, zetten de zending van Christus in alle tijden voort. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen
en doopt hen [...] en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet,
Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.3 Voordat Hij ten hemel opsteeg, liet Hij ons de schat van zijn
heilsleer na, en de rijkdom van de sacramenten, opdat wij deze zouden benutten
bij ons zoeken naar het bovennatuurlijke leven.
De mensenmassa's van nu zijn even zeer in nood
als toentertijd. Ook nu zien we hoe zij als schapen zonder herders zijn, het spoor
bijster en niet wetend welke richting zij aan hun leven moeten geven. Ondanks
alle vooruitgang van deze twintig eeuwen lijdt de mensheid nog steeds
lichamelijke en morele pijnen, maar vooral lijdt de mens onder het grote gemis
van de leer van Christus, die door het leergezag van de Kerk vrij van dwaling
behoed wordt. De woorden van de Heer zijn nog steeds woorden van eeuwig leven,
die ons leren om voor de zonde te vluchten en ons dagelijks leven, onze
vreugde, ons falen en onze ziekte te heiligen...; ze openen de weg naar onze
zaligheid. Dit is de grote nood van de wereld. En de mensenmenigten -we hebben
het zo vaak vastgesteld!- «willen de boodschap van God horen, ook al lijkt dat
uiterlijk niet zo. Sommigen hebben misschien de leer van Christus vergeten.
Anderen hebben -buiten hun schuld- Hem nooit leren kennen en beschouwen de
godsdienst als iets dat er niet voor hen is. Maar wij moeten zelf overtuigd
zijn van een realiteit die altijd geldt: vroeg of laat zal de ziel zich
overgeven, zullen de gebruikelijke verklaringen hem niet meer voldoen, zullen
de leugens van de valse profeten hem niet meer tevreden stellen. En ook als ze
het nog niet zullen willen toegeven, zullen ze zich van hun onrust willen
ontdoen, hun honger naar waarheid willen stillen: met wat de Heer leert.»4 We hebben de
schat van deze leer in onze handen om die te pas en te onpas5 door te geven, als de gelegenheid zich voordoet, maar ook als dat niet
het geval is, met alle middelen die we ter beschikking hebben. Dit is de
werkelijk dringende taak die wij als christenen hebben.
13.2 Om de leer van Jezus Christus te onderrichten dienen wij die zelf te
kennen en te bezitten, in ons verstand en in het hart: we moeten ze overwegen
en liefhebben. Elke christen, ieder afzonderlijk, moet overeenkomstig de gaven
die hij ontvangen heeft -talent, studie, omstandigheden...- de middelen aanwenden
om die leer te verwerven. Soms zal deze vorming beginnen met het grondig
bestuderen van de catechismus, dat wil zeggen een van die boeken die «trouw
zijn aan de wezenlijke inhoud van de Openbaring, die wat de methode betreft bij
de tijd gebracht zijn, en waarmee de christelijke generaties van de nieuwe tijd
tot een krachtig geloof kunnen worden opgevoed»6 zoals Johannes Paulus ii ze noemt.
Het geloofsleven van een gewone christen leidt
vaak tot een voortdurende stroom van verwerven en doorgeven van het geloof: Tradidi quod accepi... Ik geef u door wat ik
ontvangen heb7, zei sint Paulus tegen de christenen van Korinte. Het geloof van de
Kerk is een levend geloof, omdat het voortdurend ontvangen en overgeleverd
wordt. Van Christus naar de apostelen; van dezen naar hun opvolgers; en zo, tot
in onze dagen. Het geloof klinkt door, steeds identiek aan zichzelf, in het
levende leergezag van de Kerk.8 De geloofsleer wordt 'ontvangen en doorgegeven' door de huismoeder,
door de student, de zakenman, het winkelmeisje... Wat een goede woordvoerders zou
de Heer hebben, indien wij, christenen, allemaal -ieder op zijn eigen plaats-
zouden besluiten zijn heilsleer te verkondigen, zoals onze broeders en zusters
in het geloof dat gedaan hebben! Gaat
en onderwijst..., zegt dezelfde Christus tegen ieder
van ons. Het gaat daarbij om de spontane, soms informele, maar wel buitengewoon
doeltreffende verbreiding van de leer, zoals de eerste christenen die
verwezenlijkt hebben: van gezin tot gezin, van werknemers tot hun collega's,
onder buren, onder de ouders van leerlingen van dezelfde school; in de
staatswijk; op de markt; op straat. Het werk, de straat, de beroepsvereniging,
de universiteit, het openbare leven... worden dan een kanaal voor een discrete en
beminnelijke katechese, die diep in de gewoonten van de maatschappij en het
leven van de mensen doordringt. «Geloof me, het apostolaat, de katechese,
dienen in de regel te werken als het systeem van de haarvaten: één voor één.
Iedere gelovige geeft zijn geloof door aan iemand in zijn omgeving.
»Voor ons, als kinderen van God, zijn alle
zielen van belang, omdat elke ziel voor ons belangrijk is.»9 Hoezeer zal Gods
hart bewogen worden door die moeders, die vaak zonder veel tijd te hebben,
geduldig de waarheden van de katechismus aan hun kinderen uitleggen...en
misschien ook aan de kinderen van hun buurvrouwen en vriendinnen! Of de student
die naar de misschien wel veraf gelegen stadswijk gaat om deze zelfde waarheden
aan een groep kinderen uit te leggen..., ook al moet hij hard studeren voor het
examen dat hij enkele dagen later heeft, en waarvoor hij met goede cijfers wil
slagen!
Nu de leer van de Kerk in onze tijd op zovele
plaatsen en met zovele middelen wordt aangevallen, is het noodzakelijk dat wij,
christenen, ons voornemen alle denkbare middelen te benutten om een diepgaande
kennis te verwerven van de leer van Christus, evenals van wat deze leer voor
het leven van de mensen en van de maatschappij met zich meebrengt. Van God
houden door daden te stellen, zal vaak betekenen dat we de nodige tijd aan deze
vorming wijden: studie, geestelijke lezing, het met aandacht volgen van
voordrachten of conferenties over de vormingsthema's... We moeten ook de
rustdagen benutten, waarop we over meer tijd beschikken. Van God houden door
daden te stellen betekent, dat we die waarheden die hun oorsprong in Christus
zelf hebben, waarderen als een schat waarvan we moeten houden en vaak over
mediteren. Niemand kan geven wat hij niet heeft: om de geloofsleer te kunnen
doorgeven moeten we ons deze eerst zelf eigen maken.
13.3 «Tegenover zoveel onwetendheid en
zovele dwalingen over Christus, over zijn Kerk [...], over de meest elementaire
waarheden, kunnen wij, christenen, niet passief blijven, want de Heer heeft ons
gemaakt tot het zout der aarde (Mt 5,13) en het licht der wereld (Mt 5,14). Elke christen moet deelnemen aan de taak, christelijke vorming te
geven. Hij moet de noodzaak voelen om te evangeliseren, wat voor mij geen reden
is om te roemen: ik kan niet anders (1 Kor 9,16).»10 Niemand mag zich aan deze noodzakelijke opgaaf onttrekken. «De taak
van een christen: het kwaad verstikken in een overvloed aan goeds. Het gaat er
niet om negatieve campagnes te voeren of anti-wat-dan-ook te zijn. Integendeel:
we moeten op een positieve manier leven, vol optimisme, jeugdig, blij en met
innerlijke vrede; met begrip staan tegenover allen: tegenover degenen die
Christus volgen en tegenover hen die Hem in de steek laten of Hem niet kennen.
»Maar begrip houdt niet in dat we ons afzijdig
moeten houden, houdt geen onverschilligheid in, maar actief-zijn»11, initiatieven
ten toon spreiden, ernaar verlangen om iedereen het liefdevolle gezicht van
Christus te laten zien.
Als we de omvang van deze taak bemerken -de
leer van Christus te verbreiden- moeten we beginnen met de Heer te vragen, dat
Hij ons geloof vermeerdert: fac me tibi semper magis credere, laat mij steeds meer in U geloven, zo smeken we in het Adoro te devote, de eucharistische hymne van de heilige Thomas van Aquino. Op deze
manier zullen we met de woorden van de hymne kunnen zeggen: Ik geloof alles wat de
Zoon van God gezegd heeft; want buiten de eigen woorden van de Waarheid is er
geen waarheid.
Met een versterkt geloof zullen we beschikbaar
zijn als instrumenten in handen van de Heer, die licht schenkt aan de geesten
die verduisterd zijn door onwetendheid en dwaling. Alleen de genade kan de wil
ertoe bewegen in te stemmen met de geloofswaarheden. Als we iemand tot het
christelijk geloof willen brengen, zullen we dat apostolaat dan ook moeten
laten vergezellen van een nederig en volhardend gebed; en samen met dit gebed,
moeten we dan boete doen: verstervingen, misschien in kleinigheden die met ons
werk, ons gezinsleven verband houden..., maar bovennatuurlijk en concreet.
Tegenover de barrières die we soms in moeilijke
milieus tegenkomen en tegenover hindernissen die niet te overwinnen lijken,
zullen we vervuld worden van optimisme door de gedachte, dat Gods genade zelfs
het meest verstokte hart kan beroeren, en dat hoe groter de moeilijkheden zijn
die we tegenkomen, des te groter ook de bovennatuurlijke hulp is die we zullen
krijgen.
Heer, leer ons U bekend te maken! Ook vandaag
de dag zijn de menigten het spoor bijster en hebben zij U nodig. Ze zijn
onwetend, en zo vaak zonder licht en onbekend met de weg. Heilige Maria, help
ons geen enkele gelegenheid voorbij te laten gaan om uw Zoon, Christus, bekend
te maken! Leid ons, opdat we vele andere mensen geestdriftig maken om ook deze
nobele taak - het verbreiden van de waarheid- te gaan verrichten.
-1. Vgl. Lc 6,19; 8,45, enz. -2. Mc 3,7-12. -3. Mt 28,19-20. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 260. -5.
2 Tim 4,2.
-6. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Catechesi tradendae, 16 oktober 1979, 50. -7. 1 Kor 11,23. -8. Vgl. P. Rodríguez, Fe y vida de fe. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 943. -10. Johannes Paulus ii, Toespraak, Granada, 15
november 1982. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 864.
|