Eenendertigste week. Zaterdag
27. Een Heer dienen
-Wij behoren God geheel en al toe. -Eenheid
van leven. -De bedoelingen rechtzetten.
27.1 In de
Oudheid behoorde een slaaf volledig toe aan zijn heer.
Zijn werkzaamheden brachten een volledige toewijding mee, die hem zo totaal in
beslag nam, dat hij deze niet kon verenigen met andere arbeid of een andere
meester. Aldus begrijpt men beter de woorden van Jezus, die wij in het evangelie
van de heilige Mis lezen1: Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de
een liefhebben en de ander haten, ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen en de mammon.
Christus volgen betekent, dat we heel ons
handelen op Hem moeten richten. We hebben niet een tijdsbestek voor God en een
ander voor studie, arbeid, zaken: alles is van God en moet op Hem georiënteerd
zijn. Wij behoren de Heer geheel en al toe en tot Hem richten wij onze werkzaamheid,
de ontspanning, de zuivere liefde... Wij hebben slechts één leven, dat op God
geordend is in alle handelingen waardoor het wordt gevormd. «Spiritualiteit mag
nooit verstaan worden als een geheel van vrome en ascetische praktijken, die op
enigerlei wijze naast het geheel van rechten en plichten zouden staan, die door
de eigen status zijn bepaald; integendeel, juist de omstandigheden moeten, voor
zover zij beantwoorden aan Gods wil, op bovennatuurlijke wijze opgenomen en tot
leven gebracht worden door een bepaalde wijze van ontwikkeling van het
geestelijk leven, die juist in en door die omstandigheden bereikt zal worden.»2
Zoals de draad de kralen van een snoer
bijeenhoudt, zo geven ook het verlangen om God lief te hebben en de oprechtheid
van bedoelingen eenheid aan al wat wij doen. Door het opdragen van werk behoren
de Heer al onze werkzaamheden van de dag, de vreugde en de pijnen toe. Niets
blijft buiten de liefde. «In ons gewone gedrag dienen wij te beschikken over
een eigenschap welke die van de legendarische koning Midas overtreft: je raakt
iets aan, en het verandert in goud. -Wij moeten, uit liefde, het menselijk werk
van onze gewone dag veranderen in een werk van God, met een eeuwige
reikwijdte.»3
Onze bezigheden van elke dag, de zorg voor de
hulpmiddelen die we bij ons werk gebruiken, orde, gemoedsrust tegenover de
tegenslagen die zich aandienen, punctueel zijn, de inspanning die de vervulling
van onze plicht vergt... dat is de materie die wij moeten veranderen in het goud
van de liefde tot God. Alles is op de Heer gericht, want Hij is het die
eeuwigheidswaarde verleent aan onze kleinste werken.
Wanneer men een aards schepsel liefheeft,
bemint men dat vierentwintig uur per dag; op dezelfde manier vormt de liefde
tot Christus de meest innerlijke essentie van ons wezen en al ons handelen. Hij
is onze enige Heer, die wij zoeken te dienen te midden van de mensen, door een
voorbeeld te zijn in het werk, het zakendoen, in het beleven van de sociale
leer van de Kerk op de onderscheiden gebieden van onze werkzaamheid, in de zorg
voor het milieu dat een deel is van de goddelijke schepping... Het zou geen zin
hebben als iemand die innig met de Heer omgaat, zich niet tegelijkertijd en als
een logisch gevolg daarvan, inspant om hartelijk en optimistisch te zijn, stipt
in zijn werk, in het streven de tijd te benutten en geen knoeiwerk af te
leveren...
27.2 Onze ijver om als kinderen van God te
leven wordt voornamelijk verwezenlijkt in het werk, dat we op God moeten
richten; in het gezin, door het te maken tot een plaats van vrede en zin tot
dienstbaarheid; en in vriendschap, de weg om anderen meer en meer tot de Heer
te brengen. Toch moeten we op elk moment van de dag of de nacht deze houding
bewaren: met de hulp van de genade trachten mannen en vrouwen uit een stuk te
zijn, die niet met alle winden meewaaien of de omgang met de Heer alleen maar
beperken tot de momenten waarop ze in de kerk zijn of in gebed verzonken. Op
straat, op het werk, tijdens het sporten, in een vereniging, overal zijn wij
altijd dezelfden: kinderen van God, die door hun beminnelijkheid hun navolging
van Christus in geheel verschillende omstandigheden weerspiegelen: of gij dus eet of drinkt, of wat ge ook doet, doet
alles ter ere Gods4, was de raadgeving van de heilige Paulus aan de eerste christenen. En
naar aanleiding van dit vers verklaart de heilige Basilius: «Wanneer ge aan
tafel plaats neemt, bid dan. Als ge brood eet, doe dat onder dankzegging aan
degene die edelmoedig is. Als ge wijn drinkt, denk dan aan degene die u die
wijn heeft gegeven tot vreugde en verlichting van ziekten. Wanneer ge u kleedt,
dank degene die u die kleding welwillend heeft gegeven. Als ge de hemel en de
schoonheid van de sterren bekijkt, werp u dan aan Gods voeten en aanbid Hem die
in zijn wijsheid al deze dingen heeft beschikt. Breng evenzo, bij zonsopgang of
zonsondergang, wanneer ge slaapt of wakker bent, dank aan God die al deze
dingen heeft geschapen en geordend voor uw heil, opdat ge de Schepper kent, bemint
en looft.»5 Alle edele werkelijkheden dienen ons
naar Hem toe te leiden.
Als de liefde tot God waarachtig is, zal deze
in alle aspecten van het leven haar weerglans hebben. Vandaar dat ook al hebben
tijdelijke vraagstukken hun eigen zeggingskracht en bestaat er geen 'katholieke
oplossing' voor sociale, politieke en dergelijke problemen, er geen 'neutrale
vraagstukken' zijn, waarin de christen geen christen meer zou zijn en als
zodanig handelt.6 Daarom vloeit het apostolaat
spontaan daarheen, waar zich een leerling van Christus bevindt, want dat is het
rechtstreekse gevolg van zijn liefde tot God en tot de mensen.
27.3 De Farizeeën die de Heer aanhoorden, waren belust op geld en trachtten hun
liefde voor rijkdom met de liefde tot God te verenigen. Daarom lachten zij Jezus uit.
Ook vandaag de dag trachten mensen soms de volledige dienstbaarheid aan God en
de onthechting van materiële goederen belachelijk te maken, omdat zij -net zoals de Farizeeën- niet alleen niet bereid zijn
die in praktijk te brengen, maar omdat ze niet eens kunnen begrijpen
dat anderen wel zo edelmoedig kunnen zijn: ze denken wellicht dat er verborgen
belangen zijn bij degenen die, midden in de wereld en daarbuiten, Christus tot
enige Heer hebben gekozen.7
Jezus legt de onoprechtheid bloot van die
ogenschijnlijke goedheid van de Farizeeën: Bij de mensen doet gij uzelf als
rechtvaardigen voor, maar God kent uw hart. Waar de mensen naar opzien,
is in Gods ogen een gruwel. De Heer wijst hier met
een allerkrachtigste term -gruwel- op het gedrag van die mannen zonder eenheid van leven die, onder de
schijn van trouwe dienaars van God, zeer ver van Hem af stonden, zoals in hun
werken weerspiegeld werd: zij lopen
graag in lange gewaden rond, houden ervan zich op de markt te laten groeten en
zijn belust op de voornaamste plaatsen in de synagogen en op de ereplaatsen bij
de maaltijden. Maar zij slokken de huizen van de weduwen op en verrichten voor
de schijn lange gebeden...8
In werkelijkheid hielden zij niet of nauwelijks van God; zij hadden zichzelf
lief.
God kent uw hart. Deze woorden van de Heer moeten ons vervullen van troost, en ons er tegelijkertijd
toe brengen dikwijls onze bedoelingen bij te stellen om neigingen tot ijdelheid
en pronkzucht te verwerpen, zodanig dat ons gehele leven op God gericht wordt.
De Heer behagen moet het grote doel van al
onze handelingen zijn. Paus Johannes Paulus I, toen nog patriarch van
Venetië, heeft dit korte, maar leerrijke verhaaltje geschreven. Voor de
buitendeur van de keuken lagen de honden. Meneer Pietersen slachtte een kalf en
gooide het slachtafval op de binnenplaats. De honden vraten dat op en zeiden:
«Hij is een goede kok, hij kan prima koken».
Even daarna was meneer Pietersen erwten aan het
doppen en de uien aan het schillen, en hij wierp het afval de binnenplaats op.
De honden stortten zich erop, maar draaiden hun snuit de andere kant op en
zeiden: «De kok kan er niets meer van, hij deugt helemaal niet meer».
Maar meneer Pietersen trok zich helemaal niets
van dit oordeel aan en zei: «Mijn meester moet mijn maaltijden eten en beoordelen,
niet de honden. Als mijn meester tevreden is, ben ik het ook.»9 Als we handelen met ons gelaat naar God gekeerd,
mogen wij ons er niet of nauwelijks om bekommeren, dat de mensen het niet
begrijpen of kritiek hebben. God moeten wij in de eerste plaats en boven alles
dienen. Dan blijkt meteen dat deze liefde, uitgedrukt in werken voor God,
tevens de grootste opdracht is die wij ten uitvoer kunnen brengen ten behoeve
van onze broeders, de mensen.
Onze heilige Moeder Maria zal ons leren onze
dagen en uren zo in te richten, dat ons leven een waarachtig dienstbetoon is
aan God. «Raak om mijnentwil toch nooit de bovennatuurlijke visie kwijt. -Zuiver
je bedoeling, zoals de koers van een schip op hoge zee aangepast wordt: men
kijkt naar de ster, naar Maria. En jij zult de zekerheid hebben altijd de haven
te bereiken.»10
-1. Lc 16,13-14. -2. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, Madrid 19764, bl. 113. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 742. -4. 1 Kor 10,31. -5. H. Basilius, Homilia in Julittam martirem. -6. Vgl. I. Celaya, Unidad de vida y plenitud
cristiana, Pamplona 1985, bl. 335. -7. Vgl. The Navarre Bible, noot
bij Lc
16,13-14 -8. Vgl. Lc 20,45-47. -9. Vgl. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen, bl. 19. -10. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 749.
|