Vijfde zondag van de Veertigdagentijd
33. EEN ROEP OM GERECHTIGHEID
-Vurig verlangen naar gerechtigheid
en meer vrede in de wereld. De eisen van gerechtigheid toepassen in ons
persoonlijk leven en in het milieu waarin ons leven zich afspeelt. -Het
vervullen van de verplichtingen van werk en maatschappij. -De maatschappij van
binnenuit heiligen. Deugden die het terrein van de gerechtigheid vergroten en
vervolmaken.
33.1 God, schaf mij recht; kom voor mij op...
Gij zijt mijn God en mijn sterkte1, bidden we in de introïtus van de Mis. In een
groot deel van de mensheid wordt een krachtige roep om meer gerechtigheid
gehoord, om «een zekerder vrede in een sfeer van wederzijds respect tussen
mensen en tussen volken.»2 Dat verlangen te bouwen aan een rechtvaardiger wereld, waarin
meer eerbied zal zijn voor de mens, die door God naar zijn beeld en gelijkenis
geschapen werd, is waar het eigenlijk om gaat bij die honger en dorst naar
gerechtigheid3 die
in elk christenhart te vinden moet zijn.
De hele prediking van Jezus is een schreeuw om gerechtigheid
-volstrekte gerechtigheid, zonder afdingen- en barmhartigheid. De Heer zelf
veroordeelt de farizeeën die de huizen der weduwen opslokken, terwijl ze
voor de schijn lange gebeden verrichten.4 En de apostel Jakobus richt dit zware
verwijt tot degenen die zich verrijken middels bedrog en onrechtvaardigheid: Uw
rijkdom is verrot... Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders die
uw velden hebben gemaaid, roept luid en de kreten van uw oogsters zijn
doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen.5
De Kerk dringt er, trouw aan de leer van de Heilige Schrift,
bij ons op aan dat wij ons met die roep in de wereld verenigen en omzetten in
een gebed tot de hemelse Vader. Tegelijk spoort zij ons aan de eisen der
gerechtigheid in ons persoonlijk, beroeps- en maatschappelijk leven toe te
passen. Zij vraagt ons diegenen te hulp te snellen -omdat ze zwakker zijn- die
hun rechten niet waar kunnen maken. Onvruchtbare klaagzangen horen niet bij de christen.
De Heer verlangt, in plaats van nutteloze klaagzangen, dat we Hem eerherstel
brengen voor de onrechtvaardigheden die elke dag op de wereld gepleegd worden.
Hij wil dat we in actie komen om recht te zetten wat we maar kunnen en het
onrecht voorkomen voor zover dat binnen ons bereik ligt, in de omgeving waar
ons leven zich afspeelt: de huismoeder in haar woning en met de mensen met wie
ze omgaat; de drukker in de drukkerij; de hoogleraar aan de universiteit...
Het laatste en eerste redmiddel om gerechtigheid te vestigen
en te verbreiden in alle lagen van de bevolking ligt in het hart van elke mens.
Daar zijn alle bestaande onrechtvaardigheden gesmeed en daar ligt de
mogelijkheid alle menselijke relaties rechtvaardig te maken. «Door God, Begin
en Einde van de mens, te ontkennen of dat te proberen, tast de mens zijn eigen
positie en innerlijk evenwicht, die van de samenleving en ook die van de
zichtbare schepping, grondig aan.
»Juist in deze samenhang met de zonde beziet de Schrift het
geheel van rampen, die de mens in zijn persoonlijk en maatschappelijk leven
benauwen.»6 Daarom
kunnen wij, katholieken, niet vergeten dat we, als we mensen naar God brengen,
bezig zijn een menselijker en rechtvaardiger wereld te maken. Daarnaast dwingt
het geloof ons bij de verdediging van de gerechtigheid nooit te wijken voor
persoonlijke offers, in het bijzonder naarmate het meer gaat om de grondrechten
van de mens: het recht op leven, op werk, op onderwijs en vorming, op
eerbiediging van de goede naam... «Voor alle mensen moeten wij het recht
handhaven op leven, op het bezitten van het noodzakelijke om een waardig
bestaan te leiden, het recht op werken en uitrusten, het recht een levensstaat
te kiezen, een gezin te vormen, binnen het huwelijk kinderen ter wereld te
brengen en op te voeden, het recht in rust perioden van ziekte en ouderdom door
te brengen, het recht deel te nemen aan het culturele leven, het recht zich met
medeburgers te verenigen om rechtmatige doelen te verwezenlijken en op de
allereerste plaats het recht om in volle vrijheid God te kennen en lief te
hebben.»7
In onze eigen kring moeten we ons afvragen of we ons werk,
waarvoor we betaald worden, op volmaakte wijze doen; of we betalen wat we
verschuldigd zijn voor bewezen diensten; of we op verantwoorde wijze omgaan met
onze rechten en plichten die van invloed kunnen zijn op de inrichting der
instellingen waarvan wij deel uitmaken; of we bij het werk de tijd goed
gebruiken; of we de goede naam van anderen verdedigen; of we de zwakkeren op de
juiste wijze te hulp snellen; of we kritiek die iemands goede naam bekladt, in
onze omgeving doen verstommen... Dat is de manier waarop we gerechtigheid
liefhebben.
33.2 Onze
verplichtingen in ons werk zijn de plaats om de deugd van gerechtigheid te
beoefenen. Het 'ieder het zijne geven', waarin deze deugd bestaat, betekent in
dit geval doen wat overeengekomen is. De werkgever, degene die over het
huispersoneel gaat, de baas, zij zijn verplicht een rechtvaardige beloning te
geven aan de mensen die bij hen in dienst zijn, in overeenstemming met de
burgerlijke wet, mits die correct is, en met wat hun geweten voorschrijft en
dat gaat wel eens verder dan de wetten zelf. Aan de andere kant hebben
werknemers de ernstige verplichting op verantwoorde wijze te werken, volgens de
regels van hun beroep, door de tijd juist te besteden. Op die wijze is
arbeidzaamheid een praktisch blijk van gerechtigheid. «Ik geloof niet in de
rechtvaardigheid van luilakken -zegt de heilige Jozefmaria Escrivá-, omdat zij
[...] het belangrijkste principe van de billijkheid, de arbeid, veronachtzamen,
en soms in ernstige mate.»8
Hetzelfde principe kan
toegepast worden bij studenten en scholieren.
Zij hebben de ernstige verplichting te studeren en te leren -dat is hun
werk- en hebben anderzijds een verplichting tot gerechtigheid tegenover hun
familie en de samenleving die hen financieel ondersteunen: zich voorbereiden op en nu al feitelijk leveren van zinvolle
diensten.
De beroepsbezigheden zijn, op een andere manier bezien, het
beste vaarwater waarop we doorgaans mogen rekenen, om te helpen de
maatschappelijke problemen op te lossen en om een handje te helpen bij het
opbouwen van een rechtvaardiger wereld. Een christen zal, in zijn drang de
wereld vorm te geven, een voorbeeld zijn in het naleven van rechtmatige
burgerlijke wetten, want als ze rechtvaardig zijn, zijn ze door God gewild en
vormen ze de basis van de menselijke samenleving. Gewone burgers als de
gelovigen zijn, dienen ze een voorbeeld te zijn in het betalen van rechtvaardige
belastingen, die ook nodig zijn om de complexe samenleving te laten
verwezenlijken waartoe de individuele burger niet in staat zou zijn.
Geeft ieder wat hem toekomt: belasting en rechten aan wie
gij belasting en rechten verschuldigd zijt, ontzag en eerbied aan wie ontzag en
eerbied toekomen.9 En
zij doen het -zegt dezelfde apostel Paulus- niet alleen uit vrees, maar
ook vanwege hun goed geweten.10 Dit is het leven van de christenen geweest sinds zij
maatschappelijke verplichtingen hadden, zelfs te midden van vervolgingen en
onder het heidendom van de wereldlijke overheid. Zoals we van Christus
geleerd hebben -schreef de heilige martelaar Justinus in het midden van de
tweede eeuw- dienen we ervoor te zorgen onze belastingen en heffingen
volledig en snel aan de bevoegde instanties te voldoen.11
Tussen de christenplichten belicht het Tweede Vaticaans
Concilie ook «het recht en tegelijkertijd de plicht [...] te stemmen om het
algemeen welzijn te bevorderen.»12 Geen belang hechten aan het doen gelden van de eigen
mening op de verscheidene niveaus waarop we deze maatschappelijke en
burgerlijke rechten kunnen uitoefenen, zou een groot gebrek aan gerechtigheid
zijn. Dat gebrek kan ernstig zijn als het niet-stemmen de kandidatuur zou
begunstigen -of het nu gaat om kamerverkiezingen, de ouderraad op school, de
ondernemingsraad...- van mensen wier ideeën haaks staan op de leer van ons
geloof. Met des te meer reden zou er van onverantwoordelijkheid en misschien
ook van een ernstig gebrek aan gerechtigheid sprake zijn, als er organisaties
of personen gesteund worden -op welke manier dan ook- die in hun opvattingen de
natuurwet en de menselijke waardigheid niet eerbiedigen (abortus, euthanasie,
echtscheiding, vrijheid van onderwijs, bescherming van het gezin... ).
33.3 «De katholiek die
in dienstbaarheid politiek actief wil zijn, kan niet, zonder zichzelf tegen te
spreken, ideologische systemen aanhangen die -volledig of op wezenlijke punten-
afbreuk doen aan zijn geloof of zijn opvatting over de mens. Daarom is het niet
toegestaan de ideologie van het marxisme te steunen, met haar atheïstisch
materialisme, haar dialectiek van het geweld, en de opvattingen die deze
ideologie huldigt over de persoonlijke vrijheid binnen de gemeenschap.
Tegelijkertijd ontzegt deze ideologie aan de mens, aan zijn persoonlijke en
gemeenschappelijke geschiedenis, elke bovennatuurlijke dimensie. Een katholiek
is evenmin aanhanger van het liberalisme, dat de individuele vrijheid
buitensporig wil verheffen door elke beperking ervan af te schaffen. Het doel
ervan is enkel macht en eigenbelang en het beschouwt maatschappelijke
solidariteit als gevolg daarvan als een min of meer automatisch gevolg van het
privé-initiatief en niet als doel en eerste oorzaak van de maatschappelijke
organisatie.»13
Laten we vandaag één zijn in ons verlangen naar meer
gerechtigheid welke een van de belangrijkste kenmerken is van onze tijd.14 Vragen we de
Heer meer rechtvaardigheid en meer vrede, bidden we Hem voor de overheden zoals
de Kerk altijd gedaan heeft15, dat zij voorvechters mogen zijn van de gerechtigheid, de
vrede, van een grotere eerbied voor de waardigheid van de persoon. Wij van onze
kant kunnen het besluit nemen de eisen van het evangelie te vervullen in ons
persoonlijk leven, in het gezin, in de wereld waarin we ons dagelijks bewegen
en waaraan we deelnemen.
Naast wat tot de strikte betekenis van rechtvaardigheid
behoort, zullen we ook die andere blijken van menselijke en goddelijke deugden
beoefenen die haar aanvullen en verrijken: trouw, vriendelijkheid, blijdschap...
En bovenal, het geloof dat ons de werkelijke waarde van de persoon doet kennen,
dat ons met de ander doet omgaan op een wijze die de strikte gerechtigheid
overstijgt, omdat we in de anderen kinderen van God zien, dezelfde Christus die
ons zegt: wat ge aan de minsten der mijnen hebt gedaan, hebt ge aan mij
gedaan.16
-1. Ps 43(42),1-2. -2. Paulus vi, Apost. brief Octogesima adveniens, 14
mei 1971. -3. Vgl. Mt 5,6. -4. Mc 12,40. -5. Jak 5,2.4.
-6. Congregatie voor de geloofsleer,
Instr. Christelijke vrijheid en bevrijding, 22 maart 1986, 38. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 171. -8. Ibidem, 169. -9. Rom 13,7. -10. Vgl Rom
13,5. -11. H. Justinus, Apologia
1, 7. -12. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 75. -13. Paulus vi,
Apost. brief Octogesima adveniens, 14 mei 1970. -14. Vgl. Congregatie voor de geloofsleer, Instr.
Over de christelijke vrijheid en
bevrijding, 1. -15. Vgl 1 Tim
2,1-2. -16. Vgl Mt 25,40.
|