Vrijdag na Aswoensdag
3. Een tijd van
boetvaardigheid
-Vasten en andere uitingen van boetvaardigheid in de
prediking van Jezus en in het leven van de Kerk. -Het Allerheiligst Menszijn
van onze Heer in de kruisweg overwegen. Verlossingsijver. -Ons dagelijks werk:
de bron van de kleine verstervingen die God van ons verlangt. Voorbeelden.
3.1 Het evangelie van de Mis van vandaag vertelt ons
hoe de leerlingen van Johannes de Doper Jezus de vraag stelden: Waarom
vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?1
Toen was vasten, en dat zal
het altijd blijven, een extra teken van de geest van boetvaardigheid die God
van de mensen verlangt. «In het Oude Testament vinden we een zich stap voor
stap ontwikkelende, in rijkdom steeds groeiende zucht tot boetvaardigheid, als
een persoonlijke godsdienstige daad, die liefde tot en overgave aan God ten
doel heeft.»2 Als dit gepaard
gaat met gebed, is het een blijk van nederigheid tegenover God.3 De mens die vast, richt zich tot God in een houding
van totale afhankelijkheid en overgave. We zien in de heilige Schrift hoe
vasten en andere werken van boetvaardigheid beoefend werden voor elke denkbare
moeilijke opdracht4, om vergeving van de zonden af te smeken5, om te verkrijgen
dat een ramp werd afgewend6, om de genade te verkrijgen een opdracht goed uit te
voeren7, om
zich af te zonderen om oog in oog met God te staan8 enzovoort.
Johannes de Doper die de vruchten van vasten goed kende,
leerde zijn leerlingen het belang en de noodzaak van het beoefenen van deze
boetvaardigheid. Hij deelde hierin de opvattingen van de vrome Farizeeërs die
de wet liefhadden. Zijn volgelingen waren dus verbaasd, dat Jezus het zijn
eigen leerlingen nog niet ingeprent had. Onze Heer echter had zijn verdediging
klaar. De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang
de bruidegom bij hen is? 9 De bruidegom is volgens de profeten God zelf die
zijn liefde tot de mensen toont.10
Hier legt Christus opnieuw getuigenis af van zijn
goddelijkheid en noemt zijn leerlingen de vrienden van de bruidegom,
zijn eigen vrienden. Maar, als Hij van hen is weggenomen, dan zullen zij
vasten. Als Jezus niet langer zichtbaar aanwezig is, zullen zij zich moeten
versterven om Hem met de ogen van de ziel te zien.
Wat betreft boetvaardigheid was de betekenis van het Oude
Testament «niet meer dan een voorafschaduwing van wat komen ging.
Boetvaardigheid -een vereiste voor het innerlijk leven en als zodanig bevestigd
door de ervaring van de mensheid en het voorwerp van een bijzonder gebod van de
goddelijke openbaring- krijgt nieuwe, oneindig diepere dimensies in Christus en
de Kerk.»11
De jonge Kerk hield de boetvaardigheidsoefeningen levend in
de geest zoals Jezus die voorgeschreven had. De Handelingen der Apostelen
vermelden godsdienstoefeningen vergezeld van vasten.12 Naast de overvloed aan
apostolische arbeid is de heilige Paulus niet voldaan met alleen maar honger en
dorst lijden als dat niet te vermijden was, maar hij beoefende herhaalde malen
weloverwogen het vasten.13 En de Kerk blijft deze oefeningen van boetvaardigheid,
als altijd, trouw en bepaalt voor elk jaargetijde de dagen waarop een gelovige
moet vasten en beveelt deze vrome praktijk aan met juist gekozen adviezen in de
geestelijke leiding.
Vasten is een vorm van boetvaardigheid. Er zijn echter ook
andere vormen van lichamelijke versterving die onze bekering en vereniging met
God vergemakkelijken. We kunnen ons vandaag afvragen hoe wij de geest van
boetvaardigheid beleven die onze Moeder de Kerk door ons een leven lang in
praktijk gebracht wil zien, maar vooral in de periode van het liturgisch jaar
die we ook 'vasten' noemen en waarin we ons nu bevinden.
3.2 Weest boetvaardig, zegt Jezus aan het
begin van zijn openbaar leven, zoals Johannes de Doper al gepreekt had en zoals
de Apostelen later zouden doen bij het begin van de Kerk. Wij hebben als
christenen boetvaardigheid nodig in ons leven om eerherstel te brengen voor
zoveel eigen en andermans zonden. Het zou ons niet lukken Christus te leren
kennen zonder een echte geest van boetvaardigheid en bekering. We zouden in de
ban blijven van de zonde. We moeten het niet uit de weg gaan, uit angst of
omdat we twijfels hebben over het nut ervan of omdat we niet voldoende
bovennatuurlijke visie hebben. «Ben je bang om boete te doen?... De boetedoening,
die je zal helpen om het eeuwig Leven te verwerven. -Zie je niet, hoe de mensen
zich daarentegen onderwerpen aan duizend kwellingen van een bloedige operatie
om dit armzalig leven van nu te behouden?»14 Het uit de weg gaan van boetedoening
zou hetzelfde zijn als ervoor zorgen niet heilig te worden en, misschien, uit
vrees voor de gevolgen ervan, het afwijzen van de verlossing zelf.
Ons verlangen onszelf met Christus te vereenzelvigen zal ons
ertoe brengen deze uitnodiging met Hem te lijden aan te nemen. De vasten is de
voorbereiding op het overwegen van de gebeurtenissen van lijden en dood van
Jezus. Met name de vrijdagen in de vasten die ons op bijzondere wijze die
eerste Goede Vrijdag in herinnering brengen, toen Christus de verlossing
voltrok. We kunnen de gebeurtenissen van die dag die voor ons zijn
samengebracht in die oude devotie van de kruisweg, overwegen. Daarom
geeft de heilige Jozefmaria Escrivá de raad: «De kruisweg. -Dat is werkelijk
een krachtige en vruchtbare devotie! Wen je eraan iedere vrijdag de veertien staties
van het lijden en sterven van onze Heer te overwegen. -Ik verzeker je, dat je
er kracht uit zult putten voor de hele week.»15
In deze devotie beschouwen wij het Allerheiligst Menszijn van
Christus die zichzelf aan ons openbaart met het lijdend lichaam van een mens,
maar zonder de majesteit van God te verliezen. Als wij met Hem optrekken langs
zijn via dolorosa, zijn lijdensweg, zullen we in staat zijn deze
kernmomenten van de Verlossing van de wereld te herbeleven en Christus te
beschouwen als Hij ter dood veroordeeld is en Hem het kruis op de schouders
werd gelegd (tweede statie). We zien Hem de weg wijzen die wij moeten gaan.
Elke keer dat Jezus onder het gewicht van het kruis op de grond valt, zouden we
vervuld moeten zijn met afschuw, omdat het onze zonden zijn samen met de zonden
van alle mensen die God doen bezwijken. Dan zal ons hart besprongen worden door
het verlangen naar bekering: «Het kruis drukt zwaar, met zijn gewicht schaaft
het de schouders van de Heer stuk. [...] Het uitgeputte lichaam van Jezus wankelt
reeds onder de last van het kruis.
»De levensadem uit zijn liefdevol hart bereikt nauwelijks nog
zijn gewonde ledematen. [...] Jij en ik kunnen niets zeggen: nu al weten wij
waarom het kruis van Jezus zo zwaar weegt. En wij huilen over onze fouten en
ook over de ontstellende ondankbaarheid van het menselijk hart. Uit het diepste
van onze ziel ontspruit een akte van werkelijk berouw, die ons uit onze
zondeval weer doet opstaan. Jezus is gevallen opdat wij ons zouden oprichten;
nu en steeds weer.»16
Ons overwegen van dit lijden
van Jezus en de vrijwillige verstervingen die wij doen in een poging ons
te verenigen met Christus' heftig verlangen
tot verlossen zal ook onze geest van apostolaat gedurende deze
vastentijd doen groeien. Hij gaf zijn leven om de mensen dichter bij God te
brengen.
3.3 De bron van de verstervingen, die God van ons
vraagt, kan altijd gevonden worden in ons dagelijks werk. Verstervingen vanaf
het eerste begin van de dag; meteen opstaan op de daarvoor gestelde tijd;
punctualiteit; ons werk afgemaakt tot in de kleinste kleinigheid; het ongemak
van te veel warmte of kou; een glimlach ook als we moe zijn of we geen lust tot
lachen hebben; matigheid in spijs en drank; orde, zorg voor de eigen spullen en
de dingen die we gebruiken; niet koppig zijn... Maar voor dit alles moeten we een
persoonlijke raad opvolgen: «Als je werkelijk een boetvaardige ziel wilt zijn
-boetvaardig en blij- moet je in de eerste plaats je dagelijkse tijden van
gebed veilig stellen, tijden van intiem, edelmoedig en langdurig gebed! En niet
bidden als je er zin in hebt, maar als het enigszins kan op vaste tijden. In
die details moet je strikt zijn! Wees slaaf van deze dagelijkse eredienst aan
God, dan kan ik je verzekeren dat je je constant blij zult voelen.»17 Zoals deze
verstervingen passieve verstervingen genoemd worden -verstervingen die zichzelf
aandienen zonder dat wij ernaar zochten- noemen we de verstervingen die we
onszelf opleggen actieve verstervingen. Daaronder zijn de verstervingen die te
maken hebben met het beheersen van onze zintuigen, met name van belang voor
onze innerlijke vooruitgang en voor het bereiken van onze zuiverheid van hart.
Het zijn verstervingen van de verbeelding -het vermijden van de
innerlijke monoloog die de fantasie dol laat draaien, door er een dialoog met
God, die als genade in onze ziel aanwezig is, van te maken. We moeten proberen
de neiging onder controle te krijgen keer op keer opnieuw te denken aan
diezelfde kleine gebeurtenis waarbij we er slecht vanaf gekomen zijn.
Natuurlijk voelden we ons geminacht, natuurlijk liep onze
eigendunk een deuk op, die overigens niet zo bedoeld was. Als we niet tijdig op
de rem trappen, doen onze hoogmoed en trots zich telkens meer gelden, totdat we
onze vrede en de aanwezigheid van God kwijtraken. Versterving van het geheugen
-het vermijden van nutteloze overwegingen, waardoor we onze tijd verdoen18 en die ons in
ernstiger verleiding zou kunnen brengen. Versterving van het verstand -door het
eerlijk te gebruiken om je te concentreren op het werk waar je mee bezig bent19 en, ook, door
vaak je eigen oordeel prijs te geven om nederigheid en naastenliefde beter te
beleven. Kortom, we moeten die innerlijke gewoonten zien kwijt te raken waarvan
we weten dat we die niet graag zouden ontdekken in een man of vrouw van God.20 Laten we onze
gedachten ertoe bepalen deze dagen dicht bij onze Heer te blijven door zijn
Allerheiligst Menszijn te overwegen in de levendige en gedenkenswaardige
taferelen van de kruisweg. Laten we aanschouwen hoe Hij, voor ons, zijn via
dolorosa, zijn Weg van Smarten gaat.
-1. Mt 9,14. -2. Paulus vi, Apost. Const. Poenitemini, 17 februari
1966. -3. Vgl. Lev 16,29-31. -4. Vgl Re 20,26 en Est 4,16.
-5. 1 Kon 21,27. -6. Jdt 4,9-13. -7. Hnd 13,2. -8. Ex
34,28, Dan 9,3. -9. Mt 9,15. -10. Vgl Jes 54,5. -11. Paulus vi, o.c. -12. Vgl. Hnd
13,2 e.v. -13. Vgl. 2 Kor 6,5 en 11,27. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 224. -15. Ibidem,
556. -16. Idem, De Kruisweg,
derde statie. -17. Idem, De
Voor, 994. -18. Vgl. Idem, De
Weg, 13. -19. Vgl. Ibidem, 815. -20. Vgl. Ibidem, 938.
|